ECLI:NL:GHDHA:2026:2908

ECLI:NL:GHDHA:2026:2908

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 22-002843-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:16691

Samenvatting

Dodelijk verkeersongeval. Bij het kruisen van een fietspad heeft de verdachte als bestuurder van een auto een bromfietsster over het hoofd gezien waardoor hij aan haar ten onrechte geen voorrang heeft verleend. Momentane onoplettendheid. Vrijspraak van artikel 6 Wegenverkeerswet, veroordeling voor artikel 5. Volgt oplegging taakstraf en rijontzegging.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-002843-25

Parketnummer: 09-366578-24

Datum uitspraak: 16 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Lammenschansweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse en/of

- bij het naar rechts afslaan, teneinde de Koninginnelaan in te rijden, een bestuurder van een bromfiets, die op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met die bromfietser, waardoor een ander te weten de bestuurder van die bromfiets (genaamd [het slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Leiden als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Lammenschansweg,

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse en/of

- bij het naar rechts afslaan, teneinde de Koninginnelaan in te rijden, een bestuurder van een bromfiets, die op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met die bromfietser, waardoor een ander te weten de bestuurder van die bromfiets (genaamd [het slachtoffer] ) werd gedood, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Aan de verdachte wordt primair verweten dat hij zich als verkeersdeelnemer zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander werd gedood. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of in onderhavige zaak sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) en overweegt hiertoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 eerst sprake is ingeval van – minst genomen – een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Hiervan is sprake indien de verdachte niet de voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht die van een gemiddelde bestuurder, dat wil zeggen van een normale, voorzichtige en oplettende bestuurder, mag worden verwacht. Het komt aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld.

Het hof stelt vast dat de verdachte, als bestuurder van een personenauto, op de hoofdrijbaan van de Lammenschansweg in Leiden reed en dat hij vervolgens rechts afsloeg om de Koninginnelaan op te rijden. Het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , reed op haar bromfiets over het verplichte fiets-/bromfietspad (hierna: fietspad) van de Lammenschansweg, net als de verdachte komende uit de richting van het centrum en gaande in de richting van de Hyacinthenstraat. De verdachte bevond zich bij het naderen van dat kruisende fietspad op een weggedeelte waar hij als bestuurder voorrang diende te verlenen aan het kruisende verkeer. Er was en is ter plaatse een ruime ‘afslag’ aangelegd waardoor de auto van de verdachte zich haaks op het kruisende fietspad kon opstellen zonder het doorgaande verkeer op de Lammenschansweg op te houden. De voorrangssituatie werd aangegeven door middel van een verkeersbord rechts naast de weg en haaientanden op het wegdek. Waar de verdachte rechtsaf sloeg, reed het slachtoffer rechtdoor over het fietspad dat daar de Koninginnelaan kruist. Terwijl de verdachte het fietspad kruiste, is het slachtoffer op haar bromfiets in botsing gekomen met de auto van de verdachte. Als gevolg van haar hierbij opgelopen verwondingen is het slachtoffer overleden.

De verdachte heeft verklaard dat hij is gestopt op het weggedeelte vóór het kruisende fietspad, dat hij continu heeft gekeken naar het verkeer op het fietspad en dit verkeer voorrang heeft verleend. Toen hij dacht dat hij veilig kon oversteken, heeft hij nogmaals naar links, naar rechts en naar links gekeken. Naar zijn zeggen zag hij toen geen kruisend verkeer naderen dat hij zou kunnen hinderen bij het oversteken van het fietspad. Hij is toen opgetrokken en is het fietspad overgestoken en de Koninginnelaan ingereden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij een knal heeft gehoord toen hij optrok, dat hij toen vol op de rem heeft getrapt en dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, tot het moment waarop hij met haar in botsing kwam.

Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof geen aanleiding om de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

In het dossier bevinden zich de verklaringen van twee getuigen die hebben verklaard over de toedracht van het ongeval. De getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat het slachtoffer op haar scooter kwam aanrijden uit de richting van station Leiden Lammenschans, gaande in de richting van de Jan van Houtbrug, en dat de auto tegen de rechterkant van de scooter aanreed. Ook heeft deze getuige verklaard dat de auto met ongeveer 30 à 40 kilometer per uur de kruising met het fietspad opreed. Hetgeen de getuige heeft verklaard over de rijrichting van het slachtoffer en de toedracht van de aanrijding komt niet overeen met de bevindingen van het forensisch onderzoek door de politie, wat het hof aanleiding geeft om deze getuigenverklaring met grote behoedzaamheid te bezien. Daarbij komt dat het correct inschatten van snelheid niet eenvoudig is. Bovendien kan, nu de getuige daar niet expliciet iets over heeft verklaard, op grond van deze verklaring niet worden vastgesteld dat verdachte niet zou zijn gestopt alvorens het fietspad te kruisen, zoals de advocaat-generaal heeft gesuggereerd. Al met al acht het hof deze getuigenverklaring onvoldoende redengevend om de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. De getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij met zijn rug naar de Lammenschansweg stond, dat hij vanuit zijn ooghoek zag dat een scooter vanuit de richting van station Lammenschans kwam rijden in de richting van het centrum, dat hij zich omdraaide toen hij een klap hoorde en dat hij toen heeft gezien dat er een scooter op de grond lag. Ook hetgeen deze getuige heeft verklaard over de rijrichting van de scooter komt niet overeen met de bevindingen van het forensisch onderzoek door de politie. Bovendien heeft de getuige het ongeval zelf niet gezien en heeft hij over het rijgedrag van de verdachte niets verklaard. Daarom acht het hof ook deze getuigenverklaring onvoldoende redengevend om de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde te schuiven. Datzelfde geldt voor de eindpositie van de auto van de verdachte, zoals te zien op door de politie gemaakte foto’s. Te zien is dat de auto enkele meters na de plaats van de botsing tot stilstand is gekomen. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte met een te hoge snelheid het fietspad heeft overgestoken, mede in aanmerking genomen dat ervan uit moet worden gegaan dat de verdachte de botsing niet heeft zien aankomen en dus tijd nodig heeft gehad om te reageren toen hij doorhad dat er een botsing had plaatsgevonden.

Nu de verklaring van de verdachte niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier en het hof ook anderszins geen aanleiding ziet om deze onaannemelijk te achten, zal het hof deze verklaring betrekken bij zijn beantwoording van de bewijsvraag.

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte is gestopt op het weggedeelte vóór het kruisende fietspad, dat hij herhaaldelijk heeft gekeken of er kruisend verkeer aankwam, dat hij het slachtoffer toen niet heeft gezien en dat hij daarop is opgetrokken en in botsing is gekomen met het slachtoffer, aan wie hij voorrang had behoren te verlenen.

Het hof is van oordeel dat uit de omstandigheid dat de verdachte, toen hij zich vergewiste van kruisend verkeer, het slachtoffer aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien hoewel zij voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest en haar als gevolg daarvan geen voorrang heeft verleend, niet kan volgen dat de verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig of onoplettend is geweest (vgl. Hoge Raad 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544). Het kijken bij het verlenen van voorrang speelt zich af in een korte tijdspanne. Dat het slachtoffer al eerder voor de verdachte zichtbaar moet zijn geweest, bijvoorbeeld toen hij nog op de Lammenschansweg reed, blijkt niet uit de inhoud van het dossier. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de verdachte meer dan een enkel moment onoplettend is geweest. Een enkel moment onoplettend zijn is echter een fout die ook een normaal voorzichtige en oplettende bestuurder kan maken. Evenmin kan uit de uiterlijke verschijningsvorm van het verkeersgedrag van de verdachte – bestaande in het niet verlenen van voorrang – worden afgeleid dat de verdachte met een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid of onoplettendheid heeft gereden.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 5 juni 2024 te Leiden als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Lammenschansweg,

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse en/of

- bij het naar rechts afslaan, teneinde de Koninginnelaan in te rijden, een bestuurder van een bromfiets, die op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan ten gevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met die bromfietser, waardoor een ander te weten de bestuurder van die bromfiets (genaamd [het slachtoffer] ) werd gedood, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt. Bij het rechts afslaan heeft de verdachte het slachtoffer, die op een bromfiets reed, over het hoofd gezien waardoor hij aan haar ten onrechte geen voorrang heeft verleend. Zij zijn vervolgens met elkaar in botsing gekomen. Het slachtoffer heeft daarbij ernstige verwondingen opgelopen en is enkele dagen later komen te overlijden. Het leed dat als gevolg hiervan is ontstaan voor de nabestaanden van het slachtoffer is groot en onherstelbaar. Het intense verdriet van de nabestaanden door het gemis van hun dierbare naaste blijkt ook uit de verklaring die namens de broer van het slachtoffer is voorgedragen ter terechtzitting in hoger beroep. Strafoplegging, in welke vorm ook, zal het verlies van hun dierbare naaste niet kunnen goedmaken. Niettemin acht het hof strafoplegging op zijn plaats; ter vergelding en ter inscherping van de norm dat men zich voorzichtig dient te gedragen als men zich in het verkeer begeeft, in het bijzonder als bestuurder van een motorrijtuig.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dit heeft op de strafoplegging dus geen invloed, in positieve noch in negatieve zin.

Het hof heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts verklaard dat hij zich verantwoordelijk voelt voor het ongeval en dat hij zich daarover schuldig voelt.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden een passende en geboden reactie vormen. Die straffen zijn lager dan de straffen die de rechtbank heeft opgelegd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Hoewel de gevolgen van het ongeval daarmee niet anders zijn, is het schuldverwijt dat aan de verdachte kan worden gemaakt dat wel. In de bewezenverklaring van het hof ligt immers besloten dat de verdachte weliswaar verwijtbaar heeft gehandeld door geen voorrang te verlenen, maar niet dat hij in aanmerkelijke mate onvoorzichtig is geweest. Oplegging van een geldboete, zoals door de raadsvrouw is verzocht, zou naar het oordeel van het hof evenwel geen recht doen aan de gevolgen van het ongeval. De bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid dient ter waarborging van de verkeersveiligheid, in aanmerking genomen dat de verdachte een verkeersfout heeft gemaakt met zeer ernstige gevolgen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, en mr. C.H.M. Royakkers en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.H.M. Royakkers
  • mr. B.W. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand