ECLI:NL:GHDHA:2026:2910

ECLI:NL:GHDHA:2026:2910

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 22-004126-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:13470

Samenvatting

Vrijspraak van het in dwaling brengen van verzekeraars (art. 327 Sr). Rol medeverdachte. Onvoldoende bewijs dat de verdachte wist of de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de verzekeringsmaatschappijen in dwaling werden gebracht. Vrijspraak witwassen. Niet kan worden vastgesteld dat het geldbedrag afkomstig is van een voorafgaand misdrijf.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-004126-24

Parketnummer: 10-208213-24

Datum uitspraak: 9 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is beslist omtrent het in beslag genomen voorwerp en omtrent de vorderingen op de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De benadeelde partijen zijn door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Deze vorderingen zijn derhalve thans niet langer aan de orde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 4 april 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging althans alleen, meermalen (te weten minstens of ongeveer 60 keer) door listige kunstgrepen de verzekeraar(s) Achmea en/of Allianz en/of ASR en/of HEMA-Inshared en/of IptiQ-Mintley en/of Unigarant in dwaling heeft gebracht ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zodat deze (een) overeenkomst(en) heeft/hebben gesloten die zij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou/zouden hebben gesloten indien zij de ware staat van zaken gekend had/hadden immers heeft hij, verdachte en/of zijn medeverdachte

- bij het aanvragen van de verzekering(en) een valse naam en/of geboortedatum en/of adresgegevens opgegeven bij de gegevens van de verzekeringnemer en/of in strijd met de waarheid vermeld dat de verzekeringnemer ook de kentekenhouder van het voertuig is en/of niet de (juiste) naam en/of geboortedatum en/of adresgegevens van kentekenhouder van de betreffende auto opgegeven bij het afsluiten van (een) verzekering(en) met betrekking tot ongeveer zestig, althans één of meer, voertuigen, en/of

- ( telefonisch) contact onderhouden met (een) persoon/personen die hun voertuig(en) willen verzekeren en/of hebben verzekerd via [bedrijfsnaam 1] en/of [bedrijfsnaam 2] en/of [bedrijfsnaam 3] en/of de contact- en persoonsgegevens van die perso(o)n(en) verstrekt aan zijn mededader en/of die perso(o)n(en) geïnformeerd omtrent (een) via [bedrijfsnaam 1] en/of [bedrijfsnaam 2] en/of [bedrijfsnaam 3] afgesloten verzekering(en), en/of

- de website(s) [naam website 1] en/of [naam website 2] gebouwd, met daarop (onjuiste en/of misleidende) informatie over het afsluiten van een (auto)verzekeringen wanneer sprake is van een CIS-melding en/of registratie op de zwarte lijst van De Vereende en/of een strafblad en/of een voertuig met veel vermogen in combinatie met een jonge leeftijd van de kentekenhouder.

2.hij op of omstreeks in de periode van 1 november 2023 tot en met 14 mei 2024, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, meermalen

één of meerdere voorwerpen, te weten contante en/of girale geldbedragen ad in totaal

€ 79.220,00, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel en/of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk, afkomstig was/waren uit enig en/of enig eigen misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit, nu – kort weergegeven – de verdachte actief klanten benaderde voor autoverzekeringen, een website hiervoor maakte en beheerde, het geld van de klanten incasseerde, dit geld en gegevens van de klanten overhandigde aan de medeverdachte terwijl de medeverdachte de verzekeringen bij de verzekeraars aanvroeg.

De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde feit witwassen wettig en overtuigend kan worden bewezen nu – kort weergegeven – het geldbedrag volgt uit het onder 1 tenlastegelegde en de verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad, heeft gepind en aan de medeverdachte heeft overhandigd.

Feit 1 - Het in dwaling brengen van de verzekeraar

Uit het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof onder meer het volgende af.

Via verschillende door de verdachte ontworpen websites werden autoverzekeringen aangeboden aan personen die bij reguliere verzekeraars niet of moeilijk een autoverzekering konden afsluiten, omdat zij bijvoorbeeld geregistreerd staan bij stichting CIS (Centraal Informatie Systeem) of op een zwarte lijst staan. Op de websites werd een fictief adres gebruikt als correspondentieadres. Het telefoonnummer van de verdachte was op de website vermeld en hij hield zich bezig met het werven van nieuwe klanten. Deze klanten betaalden een bedrag variërend van € 250,- tot € 1.250, -, als afsluitprovisie, hetzij via een contante betaling op straat, hetzij op de bankrekening van de verdachte, waarbij omschrijvingen werden gebruikt als ‘vakantie’, ‘etentje, ‘kaartje’ of ‘cadeau’.

Nadat de verdachte de gegevens van de klanten had doorgestuurd naar de medeverdachte, ontving de verdachte na enige tijd groene kaarten (verzekeringsbewijzen) van de medeverdachte in het geval klanten daarom vroegen. Op deze groene kaarten was in de regel geen naam vermeld van een verzekerde. In een enkel geval stond daarop een andere naam dan de naam van degene die de verdachte als klant had geworven.

De verdachte heeft verklaard dat hij met betrekking tot deze groene kaarten aan de medeverdachte heeft gevraagd of het klopt dat de namen van de betreffende klanten daar niet op stonden en/of een andere naam op de groene kaart werd vermeld. Hij heeft hier naar eigen zeggen ook zelf online onderzoek naar gedaan. De medeverdachte had hiervoor telkens verklaringen die de verdachte toentertijd geloofde, aldus de verdachte.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde omstandigheden vele vragen oproepen en erop wijzen dat de verdachte zich klaarblijkelijk niet bekommerde om de vraag of zijn handelen volgens de regels was. Bewijs dat de verdachte enig contact onderhield met de verzekeraars ontbreekt echter. Bewijs dat de verdachte wist of wel moet hebben geweten van de werkwijze van de medeverdachte, bijvoorbeeld als het gaat om het aanleveren van de gegevens bij de verzekeringsmaatschappijen, ontbreekt eveneens. Uit gesprekken met de medeverdachte kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachten het niet nauw namen met de werkelijkheid en weinig moreel besef hadden, bijvoorbeeld ten aanzien van de informatie op de website, maar naar het oordeel van het hof volgt daaruit nog niet dat de verdachte wist of wel moet hebben geweten dat de medeverdachte de verzekeraars verkeerd voorlichtte bij het aangaan van verzekeringen. Het (voorwaardelijk) opzet op het in dwaling brengen van verzekeraars, al dan niet tezamen en in vereniging, kan daarom niet worden bewezen.

Bij dit oordeel weegt het hof mee dat de verklaring van de verdachte dat hij controlevragen aan de medeverdachte heeft gesteld ten aanzien van de door hem ontvangen groene kaarten geen weerlegging vindt in het dossier.

Al met al is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte wist of de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de verzekeringsmaatschappijen in dwaling werden gebracht.

Feit 2 - Witwassen

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde merkt het hof op dat voorwerpen in beginsel slechts kunnen worden aangemerkt als ‘afkomstig (…) uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1491). ‘Afkomstig zijn uit’ houdt – kortom - méér in dan iets te maken hebben met’ of ‘in verband staan met’: het geld moet in causaal verband staan met enig misdrijf oftewel, het geld moet zijn verkregen ten gevolge van het misdrijf.

Dat is hier niet het geval. Het tenlastegelegde bedrag betreft, zo begrijpt het hof, de opstelsom van de bedragen die de verdachte van klanten ontving. Uit het dossier volgt dat de verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad en (deels) fysiek heeft overgedragen of giraal heeft overgemaakt aan de medeverdachte, waarna de medeverdachte de autoverzekeringen bij de verzekeraars afsloot, terwijl de verzekeraar door de medeverdachte in dwaling werd gebracht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en nu uit het dossier niet volgt dat de geldbedragen van enig (ander) voorafgaand misdrijf afkomstig zijn, dient reeds op deze grond vrijspraak te volgen. Immers kan niet worden vastgesteld dat het tenlastegelegde geldbedrag is verkregen ten gevolge van enig misdrijf.

Conclusie

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. R. van der Hoeven en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Savans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. van der Hoeven
  • mr. K. Versteeg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand