Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-000425-26
Parketnummers: 10-305548-25,
10-194227-23, (tul)
10-181313-24, (tul)
10-077454-25 (tul)
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 februari 2026 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1991,
adres: [woonadres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (poging tot doodslag), 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zijn bijzondere voorwaarden verbonden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast is de verdachte ter zake van deze feiten de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van 12 maanden. Ter zake van het onder 5 tenlastegelegde is de verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden.
Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging en de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, terwijl hij, verdachte, onder invloed was van crack/cocaïne en/of verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen, althans eenmaal op een of meerdere tijdstippen
- als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto met kenteken
[kenteken 1] ) heeft gereden en/of
- niet is gestopt voor een stopteken, gegeven met optische- en geluidsignalen, maar
is doorgereden en/of (vervolgens)
- met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig heeft gereden met een snelheid
die (veel) hoger was dan ter plaatse was toegestaan en/of (veel) hoger dan ter
plaatse was verantwoord en/of (vervolgens)
- door de politie aangebrachte wegblokkades heeft genegeerd en/of (vervolgens) die
blokkades heeft ontweken en/of (vervolgens)
- met een (te) hoge snelheid op een rijbaan heeft gereden bedoeld voor
tegemoetkomend verkeer ten gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen /
weggebruikers moesten uitwijken/ plots moesten remmen om een aanrijding met
het voertuig van hem, verdachte, te voorkomen en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trambaan heeft gereden en/of (vervolgens)
- met een (te) hoge snelheid op een fietspad heeft gereden en/of (vervolgens)
- met een (te) hoge snelheid op het trottoir heeft gereden en/of (vervolgens)
- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte,
bestuurde voertuig af te remmen en/of tot stilstand te brengen waardoor hij,
verdachte, met een (te) hoge snelheid frontaal in aanrijding/botsing is gekomen
met een voetganger, genaamd [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] op de motorkap van
de door verdachte bestuurde voertuig terecht is gekomen en een aantal meters is
meegesleept en/of (vervolgens) ten val is gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij, op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, als
bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken 1] ), daarmee
rijdende op de voor openbaar verkeer openstaande wegen in de gemeente
Rotterdam, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon
worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, meermalen, althans eenmaal terwijl hij, verdachte, onder invloed was van crack/cocaïne en/of verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- niet te stoppen voor een stopteken, gegeven met optische- en geluidsignalen,
maar heeft doorgereden en/of
- te rijden met een snelheid die (veel) hoger was dan ter plaatse was toegestaan
en/of (veel) hoger dan ter plaatse was verantwoord en/of
- door de politie aangebrachte wegblokkades te negeren en/of (vervolgens) die
blokkades te ontwijken en/of
- met een (te) hoge snelheid op een rijbaan te rijden bedoeld voor tegemoetkomend
verkeer ten gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen / weggebruikers
moesten uitwijken/ plots moesten remmen om een (frontale) aanrijding met het
voertuig van hem, verdachte, te voorkomen en/of (vervolgens) in
aanrijding/botsing is gekomen met de zijkant van een /of meerdere voertuigen (te
weten personenauto's met kenteken [kenteken 2] en/of kenteken [kenteken 3] ) en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trambaan te rijden en/of
- met een (te) hoge snelheid op een fietspad te rijden en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trottoir te rijden en/of (vervolgens) door een
aldaar bevindende heg te rijden en/of op het trottoir niet, althans niet behoorlijk
tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte, bestuurde voertuig af te remmen
en/of tot stilstand te brengen waardoor hij, verdachte, met een (te) hoge snelheid
frontaal in aanrijding/botsing is gekomen met een voetganger, genaamd [slachtoffer 1] ,
waardoor die [slachtoffer 1] op de motorkap van de door verdachte bestuurde voertuig
terecht is gekomen en een aantal meters is meegesleept en/of (vervolgens) ten val is
gekomen en/of
- al rijdend op een weg voor tegemoetkomend verkeer met een (te) hoge snelheid
een kruising op te rijden terwijl het tegemoetkomend verkeer groen licht had ten
gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen / weggebruikers moesten
uitwijken/ plots moesten remmen om een aanrijding met het voertuig van hem,
verdachte, te voorkomen en/of
- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte,
bestuurde voertuig af te remmen en/of tot stilstand te brengen waardoor hij,
verdachte, via het trottoir in aanrijding/botsing is gekomen met een geparkeerde
voertuig (met kenteken [kenteken 4] ) en/of (vervolgens) de gevel van een winkelpand,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, als
bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken 1] ), daarmee
rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande wegen in de gemeente
Rotterdam zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl hij, verdachte, onder invloed van was crack/cocaïne en/of verkeerde in de
toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- niet heeft gestopt voor een stopteken, gegeven met optische- en geluidsignalen,
maar heeft doorgereden en/of
- heeft gereden met een snelheid die (veel) hoger was dan ter plaatse was toegestaan
en/of (veel) hoger dan ter plaatse was verantwoord en/of
- door de politie aangebrachte wegblokkades heeft genegeerd en/of (vervolgens) die
blokkades heeft ontweken en/of
- met een (te) hoge snelheid op een rijbaan heeft gereden bedoeld voor
tegemoetkomend verkeer ten gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen /
weggebruikers moesten uitwijken/ plots moesten remmen om een (frontale)
aanrijding met het voertuig van hem, verdachte, te voorkomen en/of (vervolgens) in
aanrijding/botsing is gekomen met de zijkant van een/of meerdere voertuigen (te
weten personenauto's met kenteken [kenteken 2] en/of kenteken [kenteken 3] ) en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trambaan heeft gereden en/of
- met een (te) hoge snelheid op een fietspad heeft gereden en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trottoir heeft gereden en/of (vervolgens) door
een aldaar bevindende heg heeft gereden en/of op het trottoir niet, althans niet
behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte, bestuurde voertuig heeft
afgeremd en/of tot stilstand heeft gebracht waardoor hij, verdachte, met een (te)
hoge snelheid frontaal in aanrijding/botsing is gekomen met een voetganger,
genaamd [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] op de motorkap van de door verdachte
bestuurde voertuig terecht is gekomen en een aantal meters is meegesleept en/of
(vervolgens) ten val is gekomen en/of
- al rijdend op een weg voor tegemoetkomend verkeer met een (te) hoge snelheid
een kruising is opgereden terwijl het tegemoetkomend verkeer groen licht had ten
gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen / weggebruikers moesten
uitwijken/ plots moesten remmen om een aanrijding met het voertuig van hem,
verdachte, te voorkomen en/of
- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte,
bestuurde voertuig heeft afgeremd en/of tot stilstand heeft gebracht waardoor hij,
verdachte, via het trottoir in aanrijding/botsing is gekomen met een geparkeerde
voertuig (met kenteken [kenteken 4] ) en/of (vervolgens) de gevel van een winkelpand;
3
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan een en/of meerdere
wegen in de gemeente Rotterdam, op of omstreeks 13 november 2025
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander, te weten:
- [slachtoffer 1] en/of
- [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (personenauto met
kenteken [kenteken 2] ) en/of
- [slachtoffer 5] (personenauto met kenteken [kenteken 3] ) en/of
letsel en/of schade was toegebracht;
4
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als
degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto met
kenteken [kenteken 1] te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de
Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel
van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van
Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een
bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
5
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken 1] ) heeft gereden op een of
meerdere wegen in de gemeente Rotterdam, zonder dat aan hem door de daartoe
bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994
een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat
motorrijtuig behoorde.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de rechtbank zijn opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 4 de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt ontzegd voor de duur van 12 maanden en ter zake van feit 5 voor de duur van 6 maanden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
terwijl hij, verdachte, onder invloed was van crack/cocaïne en/of verkeerde in de
toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,
meermalen, althans eenmaal op een of meerdere tijdstippen
- als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto met kenteken
[kenteken 1] ) heeft gereden en/of
- niet is gestopt voor een stopteken, gegeven met optische- en geluidsignalen, maar
is doorgereden en/of (vervolgens)
- met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig heeft gereden met een snelheid
die (veel) hoger was dan ter plaatse was toegestaan en/of (veel) hoger dan ter
plaatse was verantwoord en/of (vervolgens)
- door de politie aangebrachte wegblokkades heeft genegeerd en/of (vervolgens) die
blokkades heeft ontweken en/of (vervolgens)
- met een (te) hoge snelheid op een rijbaan heeft gereden bedoeld voor
tegemoetkomend verkeer ten gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen /
weggebruikers moesten uitwijken/ plots moesten remmen om een aanrijding met
het voertuig van hem, verdachte, te voorkomen en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trambaan heeft gereden en/of (vervolgens)
- met een (te) hoge snelheid op een fietspad heeft gereden en/of (vervolgens)
- met een (te) hoge snelheid op het trottoir heeft gereden en/of (vervolgens)
- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte,
bestuurde voertuig af te remmen en/of tot stilstand te brengen waardoor hij,
verdachte, met een (te) hoge snelheid frontaal in aanrijding/botsing is gekomen
met een voetganger, genaamd [slachtoffer 1] , waardoor die [slachtoffer 1] op de motorkap van
de door verdachte bestuurde voertuig terecht is gekomen en een aantal meters is
meegesleept en/of (vervolgens) ten val is gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij, op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, als
bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken 1] ), daarmee
rijdende op de voor openbaar verkeer openstaande wegen in de gemeente
Rotterdam, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon
worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, meermalen, althans eenmaal terwijl hij, verdachte, onder invloed was van crack/cocaïne en/of verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- niet te stoppen voor een stopteken, gegeven met optische- en geluidsignalen,
maar heeft doorgereden en/of
- te rijden met een snelheid die (veel) hoger was dan ter plaatse was toegestaan
en/of (veel) hoger dan ter plaatse was verantwoord en/of
- door de politie aangebrachte wegblokkades te negeren en/of (vervolgens) die
blokkades te ontwijken en/of
- met een (te) hoge snelheid op een rijbaan te rijden bedoeld voor tegemoetkomend
verkeer ten gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen / weggebruikers
moesten uitwijken/ plots moesten remmen om een (frontale) aanrijding met het
voertuig van hem, verdachte, te voorkomen en/of (vervolgens) in
aanrijding/botsing is gekomen met de zijkant van een /of meerdere voertuigen (te
weten personenauto's met kenteken [kenteken 2] en/of kenteken [kenteken 3] ) en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trambaan te rijden en/of
- met een (te) hoge snelheid op een fietspad te rijden en/of
- met een (te) hoge snelheid op een trottoir te rijden en/of (vervolgens) door een
aldaar bevindende heg te rijden en/of op het trottoir niet, althans niet behoorlijk
tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte, bestuurde voertuig af te remmen
en/of tot stilstand te brengen waardoor hij, verdachte, met een (te) hoge snelheid
frontaal in aanrijding/botsing is gekomen met een voetganger, genaamd [slachtoffer 1] ,
waardoor die [slachtoffer 1] op de motorkap van de door verdachte bestuurde voertuig
terecht is gekomen en een aantal meters is meegesleept en/of (vervolgens) ten val is
gekomen en/of
- al rijdend op een weg voor tegemoetkomend verkeer met een (te) hoge snelheid
een kruising op te rijden terwijl het tegemoetkomend verkeer groen licht had ten
gevolge waarvan een aldaar bevindende voertuigen / weggebruikers moesten
uitwijken/ plots moesten remmen om een aanrijding met het voertuig van hem,
verdachte, te voorkomen en/of
- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte,
bestuurde voertuig af te remmen en/of tot stilstand te brengen waardoor hij,
verdachte, via het trottoir in aanrijding/botsing is gekomen met een geparkeerde
voertuig (met kenteken [kenteken 4] ) en/of (vervolgens) de gevel van een winkelpand,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was en hij aldus opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden;
3
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan een en/of meerdere
wegen in de gemeente Rotterdam, op of omstreeks 13 november 2025
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander, te weten:
- [slachtoffer 1] letsel en/of schade was toegebracht en/of
naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten:
- [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (personenauto met
kenteken [kenteken 2] ) en/of
- [slachtoffer 5] (personenauto met kenteken [kenteken 3] ) en/of
letsel en/of schade was toegebracht;
4
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als
degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto met
kenteken [kenteken 1] te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de
Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel
van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van
Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een
bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
5
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Rotterdam als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken 1] ) heeft gereden op een of
meerdere wegen in de gemeente Rotterdam, zonder dat aan hem door de daartoe
bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994
een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat
motorrijtuig behoorde.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Nadere bewijsoverweging
Met de rechtbank overweegt het hof als volgt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 13 november 2025 een als gestolen
geregistreerde personenauto heeft bestuurd. Nadat de politie een ANPR-hit met betrekking
tot deze auto had ontvangen, hebben zij omstreeks 09:50 uur geprobeerd het voertuig tot
stilstand te dwingen door voor en achter die gestolen auto een politievoertuig te
positioneren. De verdachte heeft het stopteken van de politie echter genegeerd en is met de
auto gevlucht, waarna een achtervolging is gestart, waarbij verschillende politie-eenheden
betrokken zijn geweest. Gedurende deze wilde achtervolging heeft de verdachte
verschillende ernstige verkeersovertredingen begaan, waaronder het meermalen rijden met
(te) hoge snelheid, het rijden (met een (te) hoge snelheid) op de verkeerde weghelft,
waardoor andere voertuigen moesten uitwijken of remmen, het rijden over een fietspad en
een voetpad. De verdachte was niet in het bezit van een rijbewijs en was tijdens deze
dollemansrit naar eigen zeggen bovendien onder invloed van crack en alcohol.
Omstreeks 09:55 uur heeft politieachtervolging de Schiedamseweg bereikt en is de
verdachte in de richting van de Lage Erfbrug gereden. Toen de verdachte deze brug was
opgereden, is een onopvallend politievoertuig in tegengestelde richting de verdachte
tegemoet gereden in een poging hem daar klem te rijden. Dit politievoertuig heeft de
frontflitsers aangezet, waarna de verdachte heeft afgeremd, naar links heeft gestuurd en hij
over de verhoogde trambaan schuin de rijbaan voor de tegenliggers is opgereden. Daarmee
heeft de verdachte het politievoertuig ontweken en is tegen de richting in verder gereden.
Het onopvallende politievoertuig is vervolgens in dezelfde richting als de verdachte gereden
om hem nogmaals tot stoppen te dwingen. De verdachte heeft ook deze blokkade echter
ontweken door op de brug in de richting van de slagboomkast tussen het voetpad en de
rijbaan te sturen en waarna hij het voetpad van de Lage Erfbrug is opgereden.
Op dat moment liep daar het slachtoffer, de heer [slachtoffer 1] . De verdachte heeft hem daar met
zijn auto van achteren geschept, waardoor hij op de motorkap terecht is gekomen. De
verdachte is desondanks gewoon doorgereden, heeft het slachtoffer enkele meters op de
motorkap meegevoerd, waarna hij van de auto af is gevallen. Op de camerabeelden is te zien
dat de verdachte gedurende deze manoeuvre met een aanzienlijke snelheid heeft gereden en
zelfs nog gas bijgeeft op het moment dat de heer [slachtoffer 1] met de auto wordt meegesleurd.
Ook de verbalisant die het onopvallende politievoertuig bestuurde heeft verklaard dat het
voertuig van de verdachte op het moment van de aanrijding, maar ook nog daarna bleef
accelereren. Op de camerabeelden is verder te zien dat wanneer de heer [slachtoffer 1] uiteindelijk
van de motorkap valt, de verdachte met de voorwielen van het voertuig rakelings langs de
heer [slachtoffer 1] rijdt, die op dat moment net aan de zijkant van het voertuig op de grond terecht
komt. De verdachte heeft na de aanrijding zonder te stoppen zijn weg via het fietspad
vervolgd, waarna de achtervolging is voortgezet.
Het hof ziet zich bij het onder 1 tenlastegelegde feit voor de vraag gesteld of het
handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag op de
voetganger. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte vol opzet heeft gehad
op het doden van de heer [slachtoffer 1] . Dit neemt echter niet weg dat de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat de heer [slachtoffer 1] door het rijgedrag van de verdachte had kunnen overlijden en dat de verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. In dat geval is dan sprake van opzet in voorwaardelijke zin die eveneens tot die kwalificatie leidt.
In dit geval blijkt uit het dossier dat de verdachte met een auto met aanzienlijke snelheid op het voetpad een kwetsbare en nietsvermoedende voetganger van achteren heeft aangereden, daarna is blijven doorrijden met die auto, ook toen de voetganger nog op de motorkap lag, enkele meters verderop van de motorkap werd geslingerd en rakelings langs het linker voorwiel van de auto op de grond terecht was gekomen. Het hof is van oordeel dat dergelijk rijgedrag de aanmerkelijke kans op de dood van die voetganger heeft meegebracht.
Er bestond immers al een reële kans dat door de aanrijding zelf vitale organen van de
voetganger zouden worden beschadigd of dat bij hem ernstig hoofdletsel zou ontstaan, maar
die kans is nog eens groter geworden doordat de verdachte met onverminderde snelheid is
blijven doorrijden, ook toen het slachtoffer van de motorkap afviel en hij, zeker gezien de
beperkte ruimte op de brug. zonder meer onder de auto terecht had kunnen komen. Dit alles
had tot de dood van de voetganger kunnen leiden. Het hof heeft bij zijn oordeel tevens betrokken dat de verdachte met zijn auto een voetpad op een brug is opgereden, waar voor voetgangers nauwelijks ruimte was om uit te wijken, ook indien zij de auto hadden zien aankomen.
Dit risico is ook voor de verdachte duidelijk geweest. Hij heeft bovendien in zijn rijgedrag
voor, tijdens en na de aanrijding met het slachtoffer laten zien dat voor hem het ontkomen
aan de politie voorop stond en de veiligheid van overige verkeersdeelnemers daaraan ondergeschikt was. Hij heeft onophoudelijk geprobeerd aan de politie te ontkomen en heeft
daarbij levensgevaarlijk rijgedrag niet geschuwd. Zo is hij tegen het verkeer in en over voet
en fietspaden gereden en heeft hij daarbij meerdere auto's geraakt. Gelet op dit rijgedrag van
de verdachte moet worden geoordeeld dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer op de koop toegenomen heeft en die kans willens en wetens heeft aanvaard. Het hof acht daarmee de onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a en b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, zeer gevaarlijk rijgedrag en het verlaten van de plaatsen van de ongevallen die hij tijdens deze dollemansrit heeft veroorzaakt. In het kader van een politieachtervolging heeft hij onder meer herhaaldelijk met zeer hoge snelheid en op de verkeerde weghelft gereden. Daarbij heeft hij zich niet beperkt tot de rijbaan, maar is hij ook over een fietspad, de trambaan en een voetpad gereden. De risico’s van dat rijgedrag hebben zich, naast het veroorzaken van blikschade, gemanifesteerd in de vorm van het overhoop rijden van een voetganger, een extra kwetsbare verkeersdeelnemer, nota bene op het trottoir. Het slachtoffer werd geraakt, werd enkele meters op de motorkap van het voertuig meegevoerd en is toen van de auto af gevallen. Het slachtoffer heeft toen ontzettend veel geluk gehad dat hij niet ook nog onder de auto terecht is gekomen. Gezien de impact van de aanrijding is het een wonder dat het fysieke letsel bij het slachtoffer relatief beperkt is gebleven.
De verdachte heeft zich verder geen moment om het slachtoffer bekommerd, is niet gestopt
en heeft met hoge snelheid via het fietspad zijn weg vervolgd. De achtervolging kwam pas
tot een eind toen de verdachte enige tijd later tegen een gevel van een winkelpand tot stilstand kwam. De verdachte verkeerde tijdens deze rit onder invloed van crack en alcohol waarvoor hij geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen door te weigeren mee te werken aan een bloedonderzoek en was niet in het
bezit van een rijbewijs.
Vooral het scheppen van de voetganger rekent het hof de verdachte zwaar aan. Zoals blijkt uit de toelichting op de schadeclaim van het slachtoffer heeft het ongeval diepe sporen bij hem achtergelaten. Hij ondervindt daarvan nog altijd psychische klachten. De verdachte kan ook hiervoor verantwoordelijk gehouden worden. Meer algemeen geldt dat verwijt voor zijn kamikaze achtige verkeersgedrag in een druk stadscentrum als dat van Rotterdam, waar zich zoals te doen gebruikelijk veel, waaronder kwetsbare, verkeersdeelnemers bevinden. Tijdens de achtervolging heeft de verdachte zich door niets of niemand laten tegenhouden en moesten andere verkeersdeelnemers telkens voor hem wijken. Met zijn volstrekt onverantwoordelijke rijgedrag heeft hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. Meerdere tegenliggers konden slechts ternauwernood een botsing met de verdachte voorkomen. Andere verkeersdeelnemers hadden minder geluk en zijn wel met de verdachte in aanraking gekomen, waarbij aanzienlijke materiële schade aan voertuigen is ontstaan. Dit verkeersgedrag getuigt van geen enkel respect voor het lijf, leven of eigendom van anderen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.
In het rapport van Reclassering Nederland van 15 januari 2026 staat het volgende. De
verdachte heeft een uitgebreid justitieel verleden met een diversiteit aan delicten. Door het
mislukken van eerdere behandelpogingen en reclasseringstrajecten wordt nu getwijfeld aan
de haalbaarheid van behandeling in een ambulant kader. Op dit moment is er echter geen
ander kader voorhanden waarbinnen het recidiverisico verlaagd kan worden. De
belangrijkste risicofactoren betreffen het middelengebruik, de impulsiviteit van de verdachte
en er is bij hem sprake van een zekere lak aan regels en wetten. Deze combinatie maakt dal
de verdachte in staat is tot zeer gevaarlijk gedrag. De reclassering acht een behandeling
mede gericht op verslavingsproblematiek van belang. In het lopende toezicht is de verdachte
al aangemeld bij forensisch polikliniek De Waag. Het middelengebruik stond toen niet op de
voorgrond. Bij de huidige stand van zaken zal de verdachte worden aangemeld bij
forensisch polikliniek Fivoor. Daar is meer expertise op het gebied van verslaving,
eventueel in combinatie met psychische problematiek voorhanden. Bij een veroordeling
wordt een nieuw toezicht nodig geacht. Daarom wordt een (deels) voorwaardelijke straf
geadviseerd met de volgende bijzondere voorwaarden:
Daarnaast wordt geadviseerd om de voorwaardelijke straf opgelegd bij parketnummer
10-181313-24 niet volledig ten uitvoer te leggen omdat die straf ook een contact- en
locatieverbod met de ex-vriendin van de verdachte moet waarborgen.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten zal een gevangenisstraf worden opgelegd. Het
opleggen van een ander soort straf is niet passend. Daarnaast wordt een ontzegging van de
bevoegdheid motorijtuigen te besturen passend en geboden geacht. Bij het bepalen van de
strafsoort en de duur daarvan houdt het hof rekening met straffen die in soortgelijke
zaken zijn opgelegd.
De rechtbank heeft aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 36 maanden (waarvan een gedeelte voorwaardelijk). Die strafoplegging was hoger dan hetgeen door de officier van justitie was geëist. Dat was zeker niet onbegrijpelijk, vooral gelet op de ernst van de feiten.
Tijdens de behandeling in hoger beroep zijn persoonlijke omstandigheden naar voren gekomen die voor het hof aanleiding vormen tot een lagere strafoplegging te komen.
De verdachte heeft voor het eerst duidelijk, concreet en volledig inzicht getoond in het ronduit verwerpelijke karakter van zijn handelen.
Ook heeft hij ervan blijk gegeven in te zien dat zijn indertijd zeer ernstige harddrugs- en drankverslaving, nu wegens detentie in remissie, nooit meer mag herleven. Die verslavingen waren ongeveer twee jaar voor het bewezenverklaarde ontstaan wegens het niet op een andere manier kunnen dealen met zeer heftige gebeurtenissen in zijn persoonlijke leven. Vervolgens zijn die verslavingen volstrekt uit de hand gelopen en allesoverheersend geworden. Al het bewezenverklaarde is vervlochten met die verslavingen. De verdachte heeft nadrukkelijk aangegeven dat hij zijn leven opnieuw vorm wil geven, een leven zonder verslavingen, en dat hij daarbij hulp nodig heeft en deze zonder meer en zonder voorbehoud wil aanvaarden.
Tegen deze achtergrond ziet het hof aanleiding de verdachte in deze, voor het eerst, intrinsieke motivatie te steunen.in die zin dat met de nodige behandeling(en) op een aanvaardbare korte(re) termijn een begin kan worden gemaakt. Dat moet in de strafoplegging tot uitdrukking komen.
Al met al legt het hof aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden
met aftrek van het voorarrest. Van deze gevangenisstraf worden 8 maanden voorwaardelijk
opgelegd met een proeftijd voor de duur van 3 jaren.
Dit komt geheel overeen met de eis van de advocaat-generaal.
Het hof verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Die bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Het hof zal daarnaast als bijzondere voorwaarde de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname opnemen. Deze bijzondere voorwaarde is uitdrukkelijk ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde gesteld. De verdachte heeft hiermee ingestemd. Het hof acht deze voorwaarde passend en zinvol, om zo de mogelijkheid te creëren dat de verdachte bij een (stevige) terugval snel gesloten kan worden opgenomen. Dit alles om te voorkomen dat de verdachte anders als gevolg van zijn problematiek verder afglijdt en daarmee alles kwijtraakt.
Naast de oplegging van een gevangenisstraf zal voor de bewezenverklaarde misdrijven een
onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor de duur van
12 maanden.
Voor het rijden zonder geldig rijbewijs (feit 5, zijnde een overtreding) wordt daarnaast, mede gelet op het feit dat sprake is van recidive, ook een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd, te weten een ontzegging voor de duur van zes maanden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde feit 1, tot een bedrag van € 5.000,- en € 2.000,- aan nader te onderbouwen schade.
In hoger beroep is de vordering aan de orde tot het bedrag van € 5.000,-, nu de advocaat van de benadeelde partij de vordering ter terechtzitting in hoger beroep met € 2.000,- heeft verminderd (zijnde de schadepost “nader te onderbouwen schade”).
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.500,- , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 3.500,-. immateriële schade is geleden. De benadeelde partij heeft namelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast en heeft daarmee recht op schadevergoeding (artikel 6:106. aanhef en onder b BW). Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 3.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en de ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij zal in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] .
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde feit 2, tot een bedrag van € 9.679,66. Daarnaast wordt een bedrag van € 150,00 aan proceskosten gevorderd (taxatiekosten schade).
In hoger beroep heeft de benadeelde partij door middel van het ingevulde wensenformulier te kennen gegeven de vordering met een bedrag van € 7.195,- te verminderen. Dit bedrag is een ontvangen vergoeding door de verzekeraar van het gestolen voertuig.
Het hof begrijpt dat de vordering nu beperkt is tot een bedrag van € 2.484,66.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot het bedrag van € 2.484,66, te vermeerderen te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal tevens de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten van € 150,- toewijzen.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.484,66 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] .
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 5]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde feit 2 en 3, tot een bedrag van € 1.120,13.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot het bedrag van € 1.120,13, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.-.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.120,13 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] .
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Vorderingen
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg een drietal vorderingen ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten. Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 april 2025 onder parketnummer 10-181313-24 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 211 dagen met een proeftijd van 3 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 november 2023 onder parketnummer 10-194227-23 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen met aftrek en een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2025 onder parketnummer 10-077454-25 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de
vorderingen tot tenuitvoerlegging onder de parketnummers 10-194227-23 en 10-077454-25
moeten worden toegewezen. De vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 10-
181313-24 dient gedeeltelijk (te weten: een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden) te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 10-
181313-24 niet volledig ten uitvoer te leggen. Ten aanzien van de andere vorderingen tot
tenuitvoerlegging heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
De bewezen feiten zijn steeds tijdens de genoemde proeftijden gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan de vonnissen steeds verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zal plegen.
Daarom worden de vorderingen onder de parketnummers 10-194227-23 en 10-077454-25
toegewezen en beslist het hof tot de (gehele) tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk
opgelegde gedeelte van die straffen.
De vordering onder parketnummer 10-181313-24 zal overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en het advies van de reclassering gedeeltelijk worden toegewezen, te weten de tenuitvoerlegging van twee maanden gevangenisstraf van de opgelegde voorwaardelijke straf wordt gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 62 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 7, 107, 163, 176, 177, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 impliciet primair, 2 primair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 10-305548-25 onder 1 impliciet primair, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 in Rotterdam. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- de verdachte zich gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen door forensisch polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er ruimte is bij de zorgverlener. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, impulsiviteit en psychische problematiek;
- bij terugval in middelengebruik, overmatige middelengebruik en/of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. De verdachte dienst zich dan te laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, voor de duur van maximaal twee maanden, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
- de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst 1 (harddrugs) in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan urinecontroles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan urinecontroles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 13 november 2025.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.484,66 (tweeduizend vierhonderdvierentachtig euro en zesenzestig cent) ter zake van materiële schade.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 150,00 (honderdvijftig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.484,66 (tweeduizend vierhonderdvierentachtig euro en zesenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 november 2025.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.120,13 (duizend honderdtwintig euro en dertien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.120,13 (duizend honderdtwintig euro en dertien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 november 2025.
Beveelt de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 8 april 2025, parketnummer 10-181313-24, voorwaardelijk opgelegde een gevangenisstraf voor de duur van 211 dagen met een proeftijd van 3 jaren, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 november 2023, parketnummer 10-194227-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) dagen.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2025, parketnummer 10-077454-25, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, als voorzitter, mr. Chr.A. Baardman, mr. R. van der Hoeven, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2026.
mr. T. Kherad is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.