ECLI:NL:GHDHA:2026:2942

ECLI:NL:GHDHA:2026:2942

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 22-002173-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:12186

Samenvatting

Art. 6 WVW waarbij het ongeval lichamelijk letsel bij een ander tot gevolg heeft gehad. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen. Verwerping van verweren van de verdediging dat slechts sprake was van een moment van onoplettendheid, in een verkeerssituatie die geen bijzondere oplettendheid van verdachte vergde. Ten aanzien van beide minderjarige slachtoffers sprake van letsel in de zin van art. 6 WVW. Bij strafoplegging rekening gehouden met belang van de verdachte bij behoud van zijn rijbewijs. Strafoplegging: taakstraf voor de duur van 120 uren// 60 dagen hechtenis + ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-002173-25

Parketnummer: 09-347666-24

Datum uitspraak: 28 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primairhij op of omstreeks 10 mei 2024 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Thorbeckelaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

- heeft gereden met een aanzienlijke snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 km/u terwijl het zicht (enigzins) werd belemmerd en/of

- heeft gereden met een gelet op de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of - zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn motorrijtuig tijdig tot stilstand kon brengen en/of

- geen voorrang verleend aan (een) zich op de voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger(s), waardoor (een) ander(en) te weten die voetganger(s) (genaamd 1) [slachtoffer 1] en/of 2) [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten ad 1) Kneuzingen in de zenuwbanen van het hersenweefsel en/of een longontsteking en/of een hersen/schedel bloeding en/of ad 2) een Mastoïdfractuur en/of een hersenschudding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 10 mei 2024 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Thorbeckelaan, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte aldaar,

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

- heeft gereden met een aanzienlijke snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 km/u terwijl het zicht (enigzins) werd belemmerd en/of - heeft gereden met een gelet op de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn motorrijtuig tijdig tot stilstand kon brengen en/of

- geen voorrang verleend aan (een) zich op de voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger(s), waardoor (een) ander(en) te weten die voetganger(s) (genaamd 1) [slachtoffer 1] en/of 2) [slachtoffer 2] ) letsel heeft/hebben bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de strafoplegging en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis) en tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair hij op of omstreeks 10 mei 2024 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Thorbeckelaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans doordat hij aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

- heeft gereden met een aanzienlijke snelheid, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 km/u terwijl het zicht (enigzins) werd belemmerd en/of

- heeft gereden met een gelet op de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn motorrijtuig tijdig tot stilstand kon brengen en/of

- geen voorrang heeft verleend aan (een) zich op de voetgangersoversteekplaats bevindende voetganger(s), waardoor (een) ander(en) te weten die voetganger(s) (genaamd 1) [slachtoffer 1] en/of 2) [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten ad 1) Kneuzingen in de zenuwbanen van het hersenweefsel en/of zwaar lichamelijk letsel, te weten een longontsteking en/of een hersen/schedel bloeding werd toegebracht en/of ad 2) een Mastoïdfractuur en/of een hersenschudding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een Mastoïdfractuur en een hersenschudding, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging

Inleiding

Op vrijdag 10 mei 2024 omstreeks 15.00 uur heeft op de Thorbeckelaan te Den Haag een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte met zijn personenauto de kinderwagen van een moeder en een kind op een step heeft aangereden die op dat moment een zebrapad overstaken (hierna: ‘het Zebrapad’). Twee jonge kinderen zijn daarbij gewond geraakt. Er gold ter plaatse een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. De verdachte reed in de richting van de Laan van Meerdervoort.

Bespreking verweer mate van schuld

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen schuld in de zin van art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) heeft gehad aan het ongeval. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat slechts sprake is geweest van een moment van onoplettendheid. Volgens de verdediging was de verkeerssituatie ter plaatse bovendien niet zodanig dat van de verdachte bijzondere oplettendheid mocht worden verwacht. Voorts heeft de raadsman betoogd dat uit het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden, omdat de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de gegevens waarop de snelheidsanalyse van de politie is gebaseerd, niet kunnen worden gecontroleerd. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op het forensisch onderzoek aan de plaats van het ongeval. Daaruit zou volgens de raadsman blijken dat de auto van de verdachte zich al min of meer op het Zebrapad bevond op het moment dat de kinderwagen het zebrapad opreed. Daarmee kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten dat de voetgangers het Zebrapad zijn opgelopen op een moment waarop een aanrijding feitelijk niet meer kon worden voorkomen. Indien een andere mogelijke oorzaak aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen, brengt dit volgens de verdediging mee dat het aandeel van de verdachte in het ontstaan daarvan geringer moet worden geacht. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld

aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid.

Het hof merkt voor de volledigheid op dat de tenlastegelegde schuldvariant roekeloosheid hoe dan ook niet aan de orde is. Dat staat niet ter discussie, en sluit ook aan bij het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal.

Daarnaast is voor een bewezenverklaring van art. 6 WVW vereist dat ten gevolge van het

ongeval sprake is van zwaar lichamelijk letsel of zodanig letsel dat het slachtoffer daardoor

tijdelijke ziekte of verhindering van de normale bezigheden heeft ondervonden.

Het hof ziet zich daarom voor de vraag gesteld of 1) sprake is van enige, en zo ja

welke, mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeval, en of 2) de slachtoffers

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge van het ongeval zwaar lichamelijk letsel hebben

opgelopen dan wel tijdelijke ziekte of verhindering van de normale bezigheden hebben

ondervonden.

Oordeel van het hof

De Hoge Raad heeft in vaste rechtspraak het kader voor het aannemen van schuld in de zin van art. 6 WVW uiteengezet. Daarbij komt het erop aan of de verdachte tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verwacht. Het gaat daarbij om de vraag of de verdachte minder oplettend, bedachtzaam of zorgvuldig heeft gehandeld dan van een gemiddeld persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid mocht worden verwacht.

Het hof overweegt, evenals de rechtbank, dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar geldt dat de verdachte op eerdere momenten in het aanrijden van het Zebrapad met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximale snelheid van 50 km/uur over de Thorbeckelaan heeft gereden, maar dat niet kan worden vastgesteld hoe hard de verdachte precies heeft gereden ten tijde van het ongeval op het Zebrapad, en dus ook niet of hij kort voor dan wel tijdens het ongeval de maximaal toegestane snelheid heeft overschreden.

Anders dan de verdediging stelt, vraagt de verkeerssituatie ter plaatse naar het oordeel van het hof wel degelijk om speciale oplettendheid. Het betreft een doorgaande weg waarop zich meerdere zebrapaden op korte afstand van elkaar bevinden. De verdachte naderde het Zebrapad waarbij duidelijk zichtbaar een waarschuwingsbord was geplaatst. Direct vóór het Zebrapad kent de Thorbeckelaan (vanaf de linker berm) een versmalling van de rijweg. Het zicht op het trottoir naast het Zebrapad werd bovendien enigszins belemmerd door geparkeerde auto's en fietsen, waardoor de verdachte minder goed kon waarnemen of zich daar voetgangers bevonden die voornemens waren het Zebrapad over te steken. Het naderen van een zebrapad is bovendien naar zijn aard een verkeerssituatie die vraagt om extra en gerichte aandacht voor andere verkeersdeelnemers, in het bijzonder voor voetgangers. Daarbij komt dat de verdachte bekend is met de situatie ter plaatse en de weg en de daaraan verbonden verkeersrisico's kent. Tot slot is van belang dat het een (na)middag was op een doordeweekse dag, hetgeen de dan gebruikelijke drukte met zich bracht.

De verdachte heeft daarnaast aangevoerd dat hij ten tijde van het ongeval in een leenauto reed, omdat zijn eigen auto bij de garage stond. Hij was naar eigen zeggen niet gewend om in deze auto te rijden, die andere afmetingen en rijeigenschappen had dan zijn eigen auto. Ook deze omstandigheid noopte de verdachte tot extra oplettendheid en zorgvuldigheid.

Al deze omstandigheden tezamen brengen naar het oordeel van het hof mee dat van de verdachte mocht worden verwacht dat hij bij het naderen van het Zebrapad extra alert was en zijn aandacht volledig op de weg en de verkeerssituatie voor hem gericht hield. Hij had zijn blik dan ook niet, zoals hij zelf heeft verklaard, naar links mogen afwenden (doelgericht, om naar een aan de overkant gelegen viswinkel te kijken), ook niet indien dit slechts gedurende een kort moment is geweest. De onoplettendheid van de verdachte heeft ertoe geleid dat hij niet heeft waargenomen dat voetgangers voornemens waren het Zebrapad te betreden, en vervolgens evenmin heeft opgemerkt dat zij zich inmiddels (nog maar nét) op het Zebrapad bevonden.

Gelet op de hiervoor beschreven verkeerssituatie had de verdachte bovendien zijn snelheid moeten aanpassen en vaart moeten minderen. Dat geldt ook indien hij de ter plaatse geldende maximumsnelheid niet heeft overschreden; de maximumsnelheid vormt immers niet onder alle omstandigheden de snelheid die in het concrete geval geboden is.

Door zich bij het naderen van het Zebrapad (doelbewust) te laten afleiden, onvoldoende acht te slaan op de verkeerssituatie, waaronder de versmalling van de rijweg, en zijn snelheid niet aan te passen, heeft de verdachte niet de zorgvuldigheid betracht die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verwacht. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte een ongeluk heeft veroorzaakt dat aan zijn schuld te wijten is, doordat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Bespreking letselverweer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte tevens zou moeten worden

vrijgesproken van het primair tenlastegelegde omdat het letsel van beide slachtoffertjes geen

letsel is in de zin van art. 6 WVW. De verdediging voert daartoe ten aanzien van [slachtoffer 2] aan dat niets is gebleken over de aard en de ernst van zijn letsel, over eventueel medisch ingrijpen, de duur van het herstel of de ‘tijdelijkheid’ van de ziekte of verhindering en of het herstel een termijn van vier weken heeft overschreden. Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende bekend is over het letsel en onvoldoende is gebleken van de aard en noodzaak van medisch ingrijpen om dat letsel aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Meer specifiek heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een causaal verband tussen het voorval en de longontsteking niet uit het dossier valt af te leiden. Tenslotte zou ook van tijdelijke ziekte of tijdelijke verhindering van de dagelijkse bezigheden geen sprake kunnen zijn omdat uit het dossier niet blijkt of [slachtoffer 1] langer dan vier weken ziek of verhinderd is geweest.

Oordeel van het hof

Het hof stelt ten aanzien van het door [slachtoffer 2] opgelopen letsel het volgende vast.

Uit de medische gegevens in het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] ten gevolge van het ongeval een mastoïdfractuur (fractuur van het slaapbeen) en een hersenschudding heeft opgelopen. [slachtoffer 2] heeft naar aanleiding van het ongeval bovendien twee dagen in het ziekenhuis verbleven.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [slachtoffer 2] ten tijde van het ongeval nog maar vijf jaar en vijf maanden oud was en daarmee, gelet op die jonge leeftijd, extra kwetsbaar was. Uit de feiten en omstandigheden van het ongeval volgt bovendien dat [slachtoffer 2] als gevolg van de botsing met de auto van de verdachte door de lucht is geslingerd en vervolgens op een afstand van ongeveer vijf tot acht meter, tussen de stoep en het fietspad, op de grond is terechtgekomen. Hoewel uit het dossier niet kan worden vastgesteld hoe lang het herstel van [slachtoffer 2] precies heeft geduurd, is het hof van oordeel dat de aard en ernst van het opgelopen letsel, in samenhang bezien met de hiervoor genoemde omstandigheden, meebrengen dat sprake is geweest van tijdelijke ziekte dan wel verhindering in de normale bezigheden als bedoeld in art. 6 WVW. Een hersenschudding brengt naar algemene ervaringsregels een periode van herstel met zich mee, waarin rust moet worden gehouden en de gebruikelijke bezigheden niet zonder meer kunnen worden hervat. Dat [slachtoffer 2] na het ongeval enige tijd heeft moeten herstellen van zijn hersenschudding en gedurende die periode niet in staat is geweest zijn normale activiteiten te verrichten, past bij dit beeld.

De door de verdediging genoemde termijn van vier weken kan daarbij niet als vaste ondergrens worden aangemerkt voor het aannemen van tijdelijke ziekte of verhindering in de normale bezigheden. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook een kortere periode, afhankelijk van de aard en ernst van het letsel, de (verwachte) herstelduur en de overige omstandigheden van het geval, toereikend kan zijn.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het door [slachtoffer 2] opgelopen letsel heeft geleid tot tijdelijke ziekte dan wel verhindering in de normale bezigheden in de zin van art. 6 WVW.

Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer 1] overweegt het hof dat op grond van de aard en de ernst van het letsel en de noodzaak van medisch ingrijpen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het hof overweegt daartoe het volgende. Het slachtoffer is een tweejarig meisje dat ten gevolge van het ongeval vijf dagen op de intensive care heeft gelegen met een bloeding tussen haar schedel en haar brein. Daar heeft zij vanwege haar verwondingen een buisje door haar brein gekregen om de druk te meten en heeft zij aan de beademing gelegen. Door de beademing heeft zij een longontsteking ontwikkeld. Het hof ziet voldoende causaal verband tussen het ongeval, de daaropvolgende opname van het slachtoffer op de intensive care en het ontstaan van de longontsteking, om die longontsteking aan de schuld van de verdachte te wijten. Uit de medische informatie in het dossier blijkt immers dat het letsel van het slachtoffer aanleiding was om haar aan de beademing te leggen. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan het professionele beoordelingsvermogen van de behandelend artsen, en ook overigens is niet gebleken van een andere mogelijke oorzaak van de longontsteking. Na vijf dagen is het slachtoffer overgeplaatst naar de "normale" kinderafdeling, waar zij nog eens zes dagen heeft verbleven voordat zij uit het ziekenhuis werd ontslagen. Al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leiden naar het oordeel van het hof tot de kwalificatie van het letsel van [slachtoffer 1] als zwaar lichamelijk letsel.

Gelet op het voorgaande is ten aanzien van beide slachtoffers naar het oordeel van het hof sprake van letsel in de zin van art. 6 WVW.

Conclusie

Gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 6 WVW, waarbij het ongeval lichamelijk letsel bij een ander tot gevolg heeft gehad.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft met zijn auto op een zebrapad overstekende voetgangers aangereden. Daarbij had hij zijn snelheid bij het naderen van het zebrapad niet aangepast en was zijn aandacht tijdelijk niet op de weg voor hem gericht. De voetgangers betroffen een moeder met twee jonge kinderen in een kinderwagen en een kind dat naast haar op een step reed.

Als gevolg van de aanrijding is het kind op de step meters door de lucht geslingerd en op de grond terechtgekomen. Het kind heeft daarbij een slaapbeenfractuur en een hersenschudding opgelopen. Een van de andere kinderen heeft door de aanrijding onder meer een bloeding tussen de hersenen en de schedel opgelopen. De verdachte heeft deze ernstige gevolgen veroorzaakt doordat hij onvoldoende oplettend is geweest, onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeerssituatie ter plaatse en zijn snelheid niet heeft aangepast aan die verkeerssituatie. Het hof rekent hem dit zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit (een strafbeschikking voor het begaan van een snelheidsovertreding in 2022). Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.

Tevens betrekt het hof bij zijn oordeel hetgeen de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Kort gezegd heeft de verdachte aangevoerd dat hij sinds april 2024 een nieuwe relatie heeft. De dochter van zijn partner heeft een ernstige beperking. De verdachte brengt haar meerdere malen per week met de auto naar haar dagbesteding buiten zijn woonplaats en haalt haar daar ook weer op. Daarnaast brengt hij haar eenmaal per maand naar een zorgboerderij. Daarvoor is hij afhankelijk van zijn rijbewijs. Zijn partner kan de dochter niet vervoeren, omdat zij uitsluitend over een rijbewijs voor een automaat beschikt, terwijl zij alleen gebruik kunnen maken van de handgeschakelde auto van de moeder van de verdachte. De verdachte heeft daarnaast aangevoerd dat hij als glazenwasser aan de slag kan in het bedrijf van een vriend en dat hij voor de uitoefening van die werkzaamheden zijn rijbewijs nodig heeft. Volgens de verdachte zou de invordering van zijn rijbewijs dan ook aanzienlijke gevolgen hebben voor zowel zijn werkzaamheden als de hiervoor genoemde situatie.

Het hof heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat in de beschouwing

betrokken de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is bij aanmerkelijke

onvoorzichtigheid die heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel, zonder dat daarbij sprake

was van alcoholgebruik, een taakstraf van 120 uur en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden als uitgangspunt vermeld. Het hof zal, gelet op al het voorgaande, daar waar het gaat om de ontzegging in het voordeel van de verdachte afwijken van het oriëntatiepunt.

Het hof zal aan de verdachte conform het oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uur opleggen en daarbij als bijkomende straf een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen

te besturen opleggen voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het belang dat hij heeft bij het behoud van zijn rijbewijs. Tegelijkertijd acht het hof het van belang gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit een duidelijk signaal af te geven en de verdachte ervan te doordringen dat van hem mag worden verwacht dat hij zich in het verkeer extra zorgvuldig en oplettend gedraagt. Het hof zal daarom aan het voorwaardelijke deel van de straf een relatief lange proeftijd van 3 jaren verbinden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, als voorzitter, F.W. van Lottum, mr. R. van der Hoeven, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2026.

mr. T. Kherad is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand