Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002924-25
Parketnummer: 10-322334-23
Datum uitspraak: 24 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2010,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. Voorts is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
primairhij in of omstreeks de periode van 16 september 2022 tot en met 3 december 2022 te Rotterdam door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het voorbijgaan aan de (verbale) protesten van [het slachtoffer] en/of - het (meermalen) op de knieën op de grond duwen van die [het slachtoffer] en/of - het dreigend toevoegen van de woorden: "Als je het niet doet, dan ga ik je blazen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, die [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer] , te weten het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [het slachtoffer] en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [het slachtoffer] ;
subsidiairhij in of omstreeks de periode van 16 september 2022 tot en met 3 december 2022 te Rotterdam, met [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer] , te weten het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [het slachtoffer] en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [het slachtoffer] .
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken voor het primair tenlastegelegde. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het subsidiair tenlastegelegde zal worden bewezen verklaard en dat de verdachte zal worden schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee (deels) niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Nu dit ook is gevorderd door de advocaat-generaal en is bepleit door de raadsman, zal dit niet nader worden gemotiveerd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode van 16 september 2022 tot en met 3 december 2022 te Rotterdam, met [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer] , te weten het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [het slachtoffer] en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [het slachtoffer] .
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich – overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde, nu dat – kort gezegd – niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake was van een affectieve relatie en van gelijkwaardigheid tussen de verdachte en [het slachtoffer] en dat de seksuele handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden. Dientengevolge passen de handelingen binnen de sociaal-ethische norm, als gevolg waarvan het ontuchtig karakter ontbreekt.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 27 januari 2023 heeft [de moeder] namens [het slachtoffer] (verder: [het slachtoffer] ) aangifte gedaan van het gedwongen plegen van seksuele handelingen door haar destijds twaalfjarige dochter [het slachtoffer] in de tenlastegelegde periode. Uit de verklaringen van [het slachtoffer] en de verdachte volgt dat zij toendertijd drie keer seksueel contact met elkaar hebben gehad dat telkens bestond uit orale seks, namelijk het pijpen van de verdachte door [het slachtoffer] . Beiden waren destijds twaalf jaar oud.
Het hof stelt in dit kader voorop dat uit de jurisprudentie en de wetsgeschiedenis blijkt dat de bepaling van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat ten tijde van het tenlastegelegde gold, strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen, die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. De strafbepaling beschermt daarmee ook tegen de verleiding die (mede) vanuit de jeugdige zelf kan uitgaan. Dit betekent dat seksuele handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam buiten echt met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, in zijn algemeenheid als ontuchtig moeten worden aangemerkt. Opzet of schuld is daarbij niet vereist.
Het is vaste jurisprudentie dat onder omstandigheden aan seksuele handelingen met een minderjarige tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter kan ontbreken, bijvoorbeeld indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Daarbij geldt als maatstaf of de desbetreffende seksuele handelingen algemeen als sociaal-ethisch zijn aanvaard, bijvoorbeeld als er sprake is van een “seksueel getint stoeipartijtje van jeugdigen”.
In de onderhavige zaak dient de vraag beantwoord te worden of er omstandigheden waren, waardoor het ontuchtige karakter aan de door de verdachte gepleegde handelingen is komen te ontvallen. Naar het oordeel van het hof is dat, ondanks het geringe leeftijdsverschil, niet het geval. Daarbij heeft het hof onder meer gelet op de, gezien de zeer jonge leeftijd van de verdachte en [het slachtoffer] , vergaande seksuele handelingen. Uit het dossier komt daarbij naar voren dat [het slachtoffer] niet alleen pas twaalf jaar was, maar ook jong in haar doen en laten en zij het moeilijk vond om nee te zeggen.
Voorts blijkt uit de inhoud van het procesdossier dat het initiatief tot het verrichten van de seksuele handelingen uitging van de verdachte en dat hij de tweede afspraak in oktober/november 2022 en de derde afspraak begin december 2022 met [het slachtoffer] heeft gemaakt met het enkele doel zich buiten te laten pijpen. De verdachte heeft over de tweede keer pijpen bij de politie verklaard dat het in een bosje buiten was en dat dit best wel kort was. Hij verklaart: “Deze avond zou ze mij alleen pijpen en dan naar huis gaan”. Over de derde keer heeft hij verklaard dat het hetzelfde ging als de tweede keer, ook dezelfde locatie en dat hij toen weer het initiatief had genomen om de afspraak te maken. Het op deze manier seks hebben met een meisje van twaalf jaar oud geeft, mede gelet op de verklaring van [het slachtoffer] over het aandringen van de verdachte op de handelingen, naar het oordeel van het hof blijk van een zekere ongelijkwaardigheid.
Het hof is verder van oordeel dat niet is gebleken van een affectieve relatie tussen de verdachte en [het slachtoffer] . De verklaring van de verdachte dat hiervan wel sprake was, blijkt niet uit het dossier en wordt weersproken door de inhoud van de verklaring van [het slachtoffer] .
Het hof is van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, in het onderhavige geval geen sprake was van een gezamenlijk experimenteren met seks, hetgeen artikel 245 Sr (oud) gelet op de wetgeschiedenis niet beoogde te verbieden, maar enkel van bevredigen van zijn, verdachtes seksuele behoeften.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet van omstandigheden is gebleken die maken dat het ontuchtige karakter aan de seksuele handelingen is komen te ontvallen. Het hof acht het subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Geen straf of maatregel
Bij het beantwoorden van de vraag of en zo ja, welke straf of maatregel dient te worden opgelegd, is gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij zijn in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met [het slachtoffer] . Zij heeft hem driemaal gepijpt, eenmaal thuis en de overige keren buiten in de bosjes. De verdachte en [het slachtoffer] waren ten tijde van de feiten beiden 12 jaar oud. De verdachte heeft daarbij de grenzen van een seksuele verkenningstocht tussen jongeren overschreden en zijn eigen seksuele verlangens laten prevaleren boven de lichamelijke en psychische integriteit van [het slachtoffer] .
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Daarnaast is gebleken dat de verdachte na dit feit ook niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 25 februari 2026. Hieruit volgt dat de Raad aangeeft dat de verdachte zich positief ontwikkelt. Er zijn veel beschermende factoren, vooral in zijn structurele dagbesteding en het positieve netwerk vanuit zijn sportcarrière. Er zijn geen tot nauwelijks risicofactoren en geen vaardigheidstekorten bij de verdachte naar voren gekomen. Hierdoor schat de Raad de kans op herhaling in als laag.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verteld dat het goed gaat op school en tussen hem en zijn ouders. Hij heeft een bijbaan en in zijn vrije tijd houdt hij zich bezig met voetballen. Ook volgens zijn ouders laat de verdachte goed gedrag zien. De strafzaak heeft veel impact op hem gehad.
Afweging ten aanzien van de straf of maatregel
Gelet op het bovenstaande, alsook gelet op de ouderdom van de feiten, is er naar het oordeel van het hof geen sprake meer van enige pedagogische meerwaarde bij het opleggen van een straf, zodat het hof het met toepassing van artikel 9a Sr raadzaam acht om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, behoudens het hiernavolgende.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [de moeder] , de moeder van het minderjarige slachtoffer [het slachtoffer] , zich namens de benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte primair dan wel subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 97.362,00 (bestaande uit € 10.000,00 immateriële schade en € 87.362,00 materiële schade).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 97.362,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering voor zover betreffende de gevorderde materiële schadevergoeding en tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij ter zake de immateriële schade tot een bedrag van € 6.000,00.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Materiële schadevergoeding
De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 21.600,00 voor één jaar studievertraging en een bedrag van € 65.762,00 betreffende schoolkosten voor een particuliere opleiding. Met betrekking tot deze kostenposten is het hof van oordeel dat – om vast te kunnen stellen in hoeverre deze schadeposten rechtstreeks samenhangen met het bewezenverklaarde – een nadere onderbouwing nodig is. Nu het hof niet zonder nader onderzoek kan vaststellen of het gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt, is het hof van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Het hof zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Immateriële schadevergoeding
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gaat hier immers om ontuchtige handelingen met seksueel binnendringen bij een twaalfjarig meisje. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding.
De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 3.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de zogenaamde “Rotterdamse schaal” (categorie 15.2 onder c) en op hetgeen in vergelijkbare zaken aan slachtoffers van dit soort feiten aan vergoedingen worden toegekend. Het hof ziet geen aanleiding om het subsidiaire standpunt van de verdediging dat het in eerste aanleg toegewezen bedrag aan immateriële schade zou moeten worden gematigd, te volgen.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Omdat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, wordt de vordering – ingevolge het bepaalde in artikel 51g, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering – geacht te zijn gericht tegen zijn ouder(s) met gezag.
Kosten
Gelet op het voorgaande dient/dienen de ouder(s) met gezag van de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, en veroordeelt de ouder(s) met gezag over de minderjarige verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de ouder(s) met gezag over de minderjarige verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 november 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. J.B. Wijnholt, als voorzitter, en mr. L.A. Pit en mr. N.M. Boersma, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 september 2026.