ECLI:NL:GHDHA:2026:2945

ECLI:NL:GHDHA:2026:2945

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 22-000363-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2025:1516

Samenvatting

Veroordeling voor (onder meer) het medeplegen van een poging uitlokking tot moord. Verweer omtrent vormverzuim (Landeck; onherstelbaar vormverzuim; enkele constatering). Nadere bewijsoverweging over onder meer het gebruik van een Snapchataccount door de verdachte.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-000363-25

Parketnummer: 10-308875-24

Datum uitspraak: 24 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedatum] 2006,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 10 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gepoogd om (via) [medeverdachte] en/of (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van een (tot op heden) onbekend gebleven persoon (strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), immers heeft verdachte met dat opzet:

- die [medeverdachte] en/of (via die [medeverdachte] ) één of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen (via/middels de applicatie Snapchat) benaderd om dit strafbare feit te plegen en/of te laten plegen en/of

- ( daarbij) een geldbedrag van 60.000,00 euro, in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon en/of

- ( daarbij) een geldbedrag van 3.500,00 euro als vooruitbetaling in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon;

2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 april 2024 tot en met 02 oktober 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) wapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie II, onder 2 van de de Wet wapens en munitie, te weten een ingekort automatisch geweer, model:

AK-47, kaliber. 7.62 x 39 mm en/of een ander automatisch vuurwapen, zijnde (een) vuurwapen(s) geschikt om automatisch te vuren en/of

een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de de Wet wapens en munitie, te weten een (kogel)geweer van het merk Ruger, model: Precision, kaliber: .308 Winchester en/of

(voor deze vuurwapens geschikte) munitie (onbekende hoeveelheid kogelpatronen van het diverse kalibers) in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden met aftrek van voorarrest.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerd verweer omtrent vormverzuim

Verweren

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting van de uit de inbeslaggenomen telefoons verkregen informatie. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het vormverzuim tot strafvermindering zou moeten leiden. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat door de rechter-commissaris geen machtiging is afgegeven voor het uitgebreide onderzoek aan de beide telefoons van de verdachte en dat gelet op de aard en omvang van het onderzoek sprake is van een ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Voorts heeft zij ten aanzien van de iPhone 12 aangevoerd dat daar nog bij komt dat deze is uitgelezen in een onderzoek waarin haar cliënt slachtoffer was en dat deze gegevens vervolgens langdurig zijn bewaard en later in een andere strafzaak tegen hem als verdachte zijn gebruikt.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu beide telefoons van de verdachte zonder machtiging van de rechter-commissaris zijn onderzocht, ten aanzien van die onderzoeken sprake is van een vormverzuim, maar dat kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Ten aanzien van de verdere verwerking van de gegevens van de iPhone 12 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze rechtmatig vergaarde gegevens op grond van de Wet politiegegevens (verder: Wpg) en de richtlijn EU 2016/680 verder kunnen worden verwerkt zonder tussenkomst van de rechter-commissaris. Voort is namens het openbaar ministerie aangevoerd dat de Landeck jurisprudentie slechts van toepassing is op de toegang tot digitale gegevens, maar niet op de verwerking daarvan, ook niet als in een eerder stadium een machtiging van de rechter-commissaris vereist was om de gegevens rechtmatig te vergaren.

Feitelijke gang van zaken omtrent de telefoons

Op 17 mei 2024 is een iPhone 12 in beslag genomen bij de verdachte, die op dat moment geen verdachte maar slachtoffer was. Aanleiding was het onderzoek naar de toedracht van een explosie bij zijn woning aan het [adres 1] in Rotterdam. Uit het dossier volgt dat er destijds zonder toestemming van de officier van justitie een eerste ‘handmatige scan’ door de politie is uitgevoerd, waarbij foto’s van de verdachte met automatische vuurwapens op deze telefoon werden aangetroffen. Hoewel de verdachte – destijds dus slachtoffer – ter plekke zijn toegangscode heeft verstrekt, blijkt niet van zijn uitdrukkelijke toestemming om zijn telefoon te onderzoeken. Na de handmatige scan is de officier van justitie verzocht om toestemming voor het uitlezen van de telefoon, met als doel om de achtergrond van de explosie op zijn woning te onderzoeken, maar ook om de automatische vuurwapens te lokaliseren. Daarop heeft de officier van justitie de gevraagde toestemming op 17 mei 2024 verleend en is deze telefoon uitgelezen.

Op 2 oktober 2024 is bij de verdachte wegens de verdenking van een poging uitlokking moord, een iPhone X in beslag genomen (onderzoek Diakonos). De officier van justitie heeft ook toestemming gegeven voor het uitlezen van deze telefoon en dat is vervolgens ook gebeurd. Op grond van deze gegevens ontstond een verdenking van het voorhanden hebben van (automatische) vuurwapens in augustus 2024 en is onderzoek Inferno opgestart. Vervolgens is de officier van justitie gevraagd om de eerder veiliggestelde informatie uit de iPhone 12 te mogen gebruiken in onderzoek Inferno/Diakonos. Op 7 oktober 2024 heeft de officier van justitie daarvoor toestemming verleend.

Juridisch kader

Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto's, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en andere gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo'n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek in beginsel een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk, die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, gerechtvaardigd is mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk voor de waarheidsvinding.Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) overweegt in randnummer 90 van het Landeck-arrest omtrent de (straf)procedurele hoedanigheid dat in het kader van de evenredigheidstoets onder meer ‘de relatie tussen de eigenaar van de mobiele telefoon en het betrokken strafbare feit’ relevant kan zijn.

Vormverzuim

Het hof is van oordeel dat voorafgaande aan het onderzoek aan de telefoons van de verdachte viel te voorzien dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou worden gemaakt. Immers uit het dossier volgt dat beide telefoons volledig zijn uitgelezen en dat onderzoek is gedaan naar onder meer gebruikersgegevens, de (social) media – waaronder foto’s en afbeeldingen – en locatiegegevens in de inbeslaggenomen telefoons van de verdachte.

Deze toetsing is beide keren achterwege gebleven en dit levert telkens een onherstelbaar vormverzuim op.

Rechtsgevolg

Bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, welk rechtsgevolg aan de verzuimen moet worden verbonden, dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn als het uitsluiten van bepaalde resultaten van het

opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) te voorkomen. Deze situatie doet zich naar het oordeel van het hof niet voor. Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Van die situatie is in deze zaak naar het oordeel van het hof evenmin sprake. Daarbij is ook van belang dat het openbaar ministerie na het Landeck-arrest is overgestapt op een nieuwe werkwijze, waarbij het onderzoek aan smartphones en andere digitale gegevensdragers vrijwel alleen nog plaats vindt met machtiging van de rechter-commissaris.

Strafvermindering kan aan de orde zijn indien de verdachte door een vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en wanneer strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Ook een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte kan een voldoende concreet nadeel opleveren. Bij de bepaling of aan deze schending ook enig rechtsgevolg moet worden verbonden, moet het hof onder andere beoordelen of het aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending heeft ondervonden.

Overweging ten aanzien van de iPhone X

Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval in beginsel sprake van een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en levert dit een voldoende concreet nadeel op, gelet op onder meer de foto’s en internetgeschiedenis op de telefoon van verdachte die door de politie zijn onderzocht. Aan de andere kant is sprake van een verdenking van een zeer ernstig en spoedeisend strafbaar feit, namelijk een poging uitlokking liquidatie. Hierbij was bovendien sprake van een digitale component, nu de betreffende berichten via Snapchat zijn verstuurd. Zou de rechter-commissaris vooraf om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan deze iPhone van de verdachte zoals dat heeft plaatsgevonden, dan had deze die toestemming naar het oordeel van het hof zonder nadere beperkingen kunnen geven.

Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte niet in een nadeliger positie is geraakt door het vormverzuim. Daarom komt het hof tot het oordeel dat enige compensatie in de vorm van strafvermindering, gelet op het ontbreken van nadeel bij de verdachte, geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van dit vormverzuim is. Gelet op het voorgaande zal worden volstaan met de constatering van het vormverzuim.

Overweging ten aanzien van de iPhone 12

Naar het oordeel van het hof is ook in het onderhavige geval sprake van een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte gelet op het raadplegen van onder meer de foto’s en locatiegegevens op deze telefoon. Het hof is van oordeel dat het te beschermen belang aan de zijde van de eigenaar/gebruiker van het toestel bovendien in het algemeen groter is als het om een slachtoffer gaat dan als het om een verdachte gaat, omdat er normaal gesproken een zwakke relatie is met het strafbare feit waarop het onderzoek is gericht. In dit geval is van belang dat sprake was van een explosie bij een woning, waarbij de achtergrond daarvan niet duidelijk was. Het plegen van aanslagen met vuurwerkbommen is aan de orde van dag en heeft een ernstig ontwrichtende werking op het maatschappelijk leven en brengt angstgevoelens in de samenleving teweeg. Regelmatig blijkt de achtergrond een onderliggend (crimineel) geschil te zijn waarin ook het slachtoffer een rol heeft. Uit het dossier volgt dat uit de politiesystemen bleek dat de verdachte veelvuldig met de politie in aanraking was geweest. De politie zag de verdachte kort na de explosie bij zijn woning aan het [adres 1] op het balkon van die woning staan, maar dat hij vervolgens was verdwenen. Nadat zijn familie hem een aantal keer had gebeld, kwam hij na een kwartiertje terug. Hij zei dat hij het warm had en daarom was gaan lopen. Op de vraag van de politie of hij een telefoon had, antwoordde hij dat hij die niet had omdat die in beslag was genomen door de politie vanwege iets met vuurwapens. Later zei hij dat hij de telefoon van zijn vader had. Op het vergrendelscherm stond echter een foto gelijkend op hemzelf. Hierop nam de politie de telefoon in beslag. Onder deze omstandigheden en mede gelet op het feit dat sprake was van een ernstig strafbaar feit, is het hof in het kader van de noodzakelijkheids- en proportionaliteits- en subsidiariteitstoets van oordeel dat de inbreuk op de grondrechten van de verdachte – destijds slachtoffer – gerechtvaardigd was. Zou de rechter-commissaris vooraf om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan deze iPhone van de verdachte zoals dat heeft plaatsgevonden, dan had deze die toestemming naar het oordeel van het hof zonder nadere beperkingen kunnen geven.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte niet in een nadeliger positie is geraakt door het vormverzuim. Daarom komt het hof tot het oordeel dat enige compensatie in de vorm van strafvermindering, gelet op het ontbreken van nadeel bij de verdachte, geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van dit vormverzuim is. Gelet op het voorgaande zal worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.

Verwerken gegevens iPhone 12 in ander onderzoek

Gezien het standpunt van het openbaar ministerie dat de gegevens van de iPhone 12 in het ene onderzoek zonder tussenkomst van de rechter-commissaris mochten worden gebruikt in het andere onderzoek en de betwisting daarvan door de verdediging, overweegt het hof als volgt.

Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat het arrest Landeck in beginsel geen waarborgen eist voor de ‘verdere verwerking’ van reeds veiliggestelde gegevens van een digitale gegevensdrager, die onderdeel zijn van een ander opsporingsonderzoek.

Een algemeen uitgangspunt van het Wetboek van Strafvordering is dat een bevoegdheid tot het verwerven/vergaren van gegevens in beginsel de bevoegdheid impliceert om deze gegevens daarna te raadplegen, te analyseren en in een strafrechtelijk onderzoek te gebruiken.

Bij de uitoefening van die strafvorderlijke bevoegdheden zijn de bevoegde autoriteiten wel gebonden aan de voorschriften uit de wetgeving die tot doel hebben de persoonlijke levenssfeer te beschermen, in het bijzonder artikel 3 en 9 Wpg en de richtlijn 2016/680. De beginselen van evenredigheid, doelbinding en minimale gegevensverwerking beperken de bevoegdheden ten aanzien van de verwerking van gegevens. Persoonsgegevens mogen in beginsel alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor de initiële verwerking was toegestaan. De Richtlijn 2016/680 definieert “verwerking” zeer ruim: daaronder vallen onder meer opvragen, raadplegen, gebruiken, doorzenden, combineren en ter beschikking stellen van persoonsgegevens. Uit artikel 3, tweede lid, Wpg volgt de zelfstandige eis dat politiegegevens rechtmatig moeten zijn verkregen.

Het hof heeft hierboven geconcludeerd dat, zou de rechter-commissaris vooraf om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan deze iPhone van de verdachte, de rechter-commissaris die toestemming zonder nadere beperkingen zou (hebben kunnen) geven. Gelet hierop zal het hof als uitgangspunt nemen dat de officier van de justitie de data rechtmatig overgedragen heeft gekregen in de zin van artikel 3 Wpg.

Artikel 9, eerste lid, van de Wpg bepaalt dat politiegegevens gericht kunnen worden verwerkt ten behoeve van een onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval.

Artikel 9, derde lid, van de Wpg bepaalt dat de verwerking van politiegegevens, bedoeld in het eerste lid, na instemming van een daartoe bevoegde functionaris, ter beschikking worden gesteld voor verdere verwerking voor zover dat noodzakelijk is voor een ander onderzoek als bedoeld in het eerste lid (…).

Artikel 9, vierde lid, van de Wpg bepaalt dat de politiegegevens, die zijn verwerkt op grond van het eerste lid worden verwijderd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van het onderzoek of gedurende een periode van maximaal een half jaar worden verwerkt teneinde te bezien of zij aanleiding geven tot een nieuw onderzoek als bedoeld in het eerste lid (…).

Het hof is van oordeel dat de eerdergenoemde Wpg-voorschriften in acht zijn genomen. De officier van justitie heeft op 7 oktober 2024 toestemming gegeven om de politiegegevens uit het onderzoek naar de ontploffing aan het [adres 1] bij de woning van de verdachte – waarbij tevens afbeeldingen van de verdachte met automatische vuurwapens zijn aangetroffen –, zoals deze zijn verkregen uit de op 17 mei 2024 in beslag genomen iPhone 12, ter beschikking te stellen voor verdere verwerking in onderzoek Inferno/Diakonos. Nu hiermee hetzelfde doel is gediend, namelijk de opsporing van (deels) hetzelfde strafbare feit (voorhanden hebben van automatische vuurwapens), bestaat vanuit het doelbindingscriterium geen bezwaar tegen de verdere verwerking van de gegevens. Het hof overweegt voorts dat de verwerking van de gegevens – ook ten aanzien van de poging uitlokking moord –, mede gelet op de ernst van de feiten, noodzakelijk was en geen schending van het evenredigheidsbeginsel oplevert. De verwerking heeft voorts tijdig, te weten binnen de periode van een half jaar als bedoeld in art 9, derde lid, Wpg plaatsgevonden.

Conclusie

Het hof concludeert dat er sprake is van vormverzuimen ten aanzien van het onderzoek aan de iPhone 12 en de iPhone X en zal volstaan met de enkele constatering van deze vormverzuimen. Voor het overige worden de verweren verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op of omstreeks 10 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gepoogd om (via) [medeverdachte] en/of (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten:

het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van een (tot op heden) onbekend gebleven persoon (strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), immers heeft verdachte met dat opzet:

- die [medeverdachte] en/of (via die [medeverdachte] ) één of meer (tot op heden) onbekend gebleven perso(o)nen (via/middels de applicatie Snapchat) benaderd om dit strafbare feit te plegen en/of te laten plegen en/of

- ( daarbij) een geldbedrag van 60.000,00 euro, in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon en/of

- ( daarbij) een geldbedrag van 3.500,00 euro als vooruitbetaling in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon;

2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 06 april 20 augustus 2024 tot en met 02 oktober 22 augustus 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie II, onder 2 van de de Wet wapens en munitie, te weten een ingekort automatisch geweer, model:

AK-47, kaliber. 7.62 x 39 mm en/of een ander automatisch vuurwapen, zijnde (een) vuurwapen(s) geschikt om automatisch te vuren en/of

een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de de Wet wapens en munitie, te weten een (kogel)geweer van het merk Ruger, model: Precision, kaliber: .308 Winchester en/of

(voor deze vuurwapens geschikte) munitie (onbekende hoeveelheid kogelpatronen van het diverse kalibers) in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden.

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich – overeenkomstig haar overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken moet worden van het onder 1 tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat haar cliënt op 10 september 2024 daadwerkelijk de gebruiker was van het Snapchataccount [Snapchataccount 1] . Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat – als haar cliënt al de gebruiker zou zijn geweest van het account op het desbetreffende moment – daarmee nog niet bewezen is dat hij heeft geprobeerd een ander te bewegen tot het plegen van een moord en evenmin dat hij dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte dacht dat het nepwapens waren, dus andere wapens dan de aangetroffen wapens, en het voorhanden hebben van munitie niet bewezen kan worden. Ook voor het medeplegen acht de raadsvrouw geen bewijs aanwezig.

Feiten en omstandigheden

Feit 1

In de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] wordt een Snapchatgesprek aangetroffen van 10 september 2024. Aan het gesprek namen drie accounts deel, waaronder de gebruiker [Snapchataccount 1] (profielnaam [profielnaam] ). De politie heeft onderzoek gedaan naar de gebruiker van het Snapchataccount [Snapchataccount 1] en heeft van Snapchat informatie ontvangen waaruit blijkt dat het Snapchatprofiel [Snapchataccount 1] eind september 2024 is gewijzigd naar [Snapchataccount 2] en gekoppeld is aan telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Onderzoek naar dit nummer in de politiesystemen levert op dat dit nummer gebruikt wordt door de verdachte. De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg ook verklaard dat dit zijn telefoonnummer is.

Uit de onder de verdachte inbeslaggenomen iPhone 12 met telefoonnummer [telefoonnummer 2] blijkt dat deze telefoon is gekoppeld aan een Instagramprofiel met eveneens de gebruikersnaam [Snapchataccount 1] en dat daarbij het e-mailadres [e-mailadres] is gebruikt als Apple ID. De naam van dit Instagramaccount is op 30 september 2024 gewijzigd naar [accountnaam] . Verder zijn TikTokgesprekken aangetroffen uit mei 2024 op de iPhone 12 en uit juli 2024 op de iPhone X, waarin de gebruiker [accountnaam] aangeeft dat hij [voornaam verdachte] en [voornaam medeverdachte] heet en vraagt aan de gesprekspartner om zijn Snapchataccount [Snapchataccount 1] toe te voegen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de betreffende TikTokgesprekken in juli 2024 gevoerd heeft en dat hij het Snapchataccount [Snapchataccount 1] in juli 2024 nog gebruikt heeft.

Voor de eerst ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring dat het Snapchataccount [Snapchataccount 1] door iemand anders is aangemaakt en dat het een gedeeld account betrof dat ook door iemand anders gebruikt werd, bevindt zich geen enkele aanwijzing in het dossier. Enige onderbouwing van deze verklaring ontbreekt en de verdachte heeft niet willen verklaren wie dit dan geweest is. Deze verklaring wordt dan ook ongeloofwaardig geacht, temeer nu het versturen van de belastende berichten dermate gevoelig is, dat niet aannemelijk is dat deze worden verstuurd zonder dat duidelijk is van wie de berichten dan wel afkomstig zijn.

Het hof komt, gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte, ook tijdens het gesprek van 10 september 2024, de gebruiker was van het Snapchataccount [Snapchataccount 1] .

Het hof concludeert voorts dat het de verdachte is geweest die op 10 september 2024 omstreeks 16:58 uur de berichten stuurt naar de medeverdachte [medeverdachte] – die hij kent – waaruit volgt dat de verdachte de opdracht uitzet om iemand te liquideren. Onder zijn profielnaam [profielnaam] zegt hij: “jo neef alles duidelijk toch”, “hij moet slapen anders geen pap”. Besproken wordt vervolgens dat er 3,5k (het hof begrijpt: € 3.500,00) borg betaald zou worden. Door de medeverdachte worden vervolgens om 17:09, 17:12 en 17:13 uur drie gesprekken gestart. In het eerste inhoudelijke gesprek om 17:09 uur – gestart enkele minuten na het belastende gesprek – vraagt de medeverdachte aan [naam 1] : “wil je iemand shoetoe” en zegt hij: “veel pap”. In het tweede gesprek met [naam 2] zegt de medeverdachte dat hij een soldaat nodig heeft om iemand te laten slapen. De opdracht zou 60k (het hof begrijpt: € 60.000,00) opleveren. De medeverdachte zegt vervolgens dat ‘ze’ een borg van 3,5 hebben. In het derde gesprek met [naam 3] zegt de medeverdachte wederom dat er iemand moet slapen en dat dit 60k oplevert.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden, de verstuurde berichten omtrent het iemand laten “slapen” niet anders bedoeld kunnen zijn dan als gericht op het doden van deze persoon. Het hof beoordeelt de gesprekken in onderlinge samenhang en maakt daaruit op dat de verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte] , geprobeerd heeft om anderen via Snapchat te bewegen tot het doden van een onbekend gebleven persoon. Daarvoor zijn een bedrag van € 3.500,00 als vooruitbetaling en een uiteindelijk bedrag van € 60.000,00 als belofte in het vooruitzicht gesteld.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Feit 2

In de iPhone X, die in gebruik was bij de verdachte, zijn twee filmpjes aangetroffen waarop de verdachte vuurwapens vasthoudt. Bij de filmpjes staan tijdsaanduidingen die erop wijzen dat de filmpjes zijn gemaakt op 20 en 22 augustus 2024. Op basis van onderzoek naar de locaties in de veiliggestelde data van de iPhone X heeft de politie op 4 oktober 2024 een doorzoeking verricht in de schuur behorende bij de woning aan de [adres 2] te Rotterdam. Tijdens deze doorzoeking zijn daadwerkelijk echte vuurwapens aangetroffen. Deze wapens zijn vergeleken met de wapens die op de filmpjes zichtbaar zijn. Door de politie is geconcludeerd dat twee van de aangetroffen wapens, te weten een automatisch geweer AK-47 en een geweer van het merk Ruger, specifieke overeenkomsten vertonen met de wapens die de verdachte in de filmpjes vasthoudt. De verklaring van de verdachte dat de wapens in de filmpjes andere (namelijk namaak)wapens zouden betreffen dan de aangetroffen wapens, acht het hof gelet op de specifieke overeenkomsten ongeloofwaardig.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij samen met een ander naar de schuur aan de [adres 2] te Rotterdam ging en toen de wapens zag liggen. Omdat zowel de verdachte als die ander over de wapens kon beschikken, acht het hof bewezen dat hij die wapens met een ander voorhanden heeft gehad.

Voor het voorhanden hebben van munitie zal het hof de verdachte vrijspreken, nu onvoldoende vaststaat dat deze wapens geladen waren tijdens het voorhanden hebben daarvan door de verdachte op 20 en 22 augustus 2024, noch dat hij op die momenten anderszins munitie voorhanden heeft gehad.

Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet bewezen dat de verdachte op 6 april 2024 een vuurwapen van categorie II voorhanden heeft gehad, nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat dit wapen, zoals te zien op het filmpje op de iPhone 12, in de schuur is aangetroffen. Hoewel de verbalisant die het filmpje heeft bekeken heeft geverbaliseerd dat hij het wapen herkent als een AK-47, acht het hof deze enkele bevinding onvoldoende bewijs dat dit een echt wapen betrof.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard zoals hiervoor vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging om een ander door beloften te bewegen een moord te begaan.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging uitlokking tot moord en het voorhanden hebben van twee vuurwapens. Dit zijn zeer ernstige feiten. De bijdrage van de verdachte, als tussenpersoon, is een belangrijke schakel geweest in het mogelijk verwezenlijken van de dood van deze persoon en de verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij geen enkel respect heeft voor andermans leven. Dat het uiteindelijk gebleven is bij een poging tot uitlokking, is vanwege omstandigheden die niet aan de verdachte te danken zijn. Voorts rekent het hof de verdachte zwaar aan dat hij naast dit feit ook beschikking had over wapens, waaronder een automatisch vuurwapen.

Justitiële Documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van (deels soortgelijke) strafbare feiten.

De persoon van de verdachte

Voorts heeft het hof acht geslagen op de ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages. Uit de meest recente rapportage, het reclasseringsadvies ‘detentie & re-integratieplan’ d.d. 26 augustus 2025, volgt dat de reclassering risicofactoren ziet op meerdere leefgebieden. Het recidiverisico wordt dan ook ingeschat op gemiddeld tot hoog.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij, wanneer hij uit de penitentiaire inrichting komt, terug wil naar school. Ook wil hij dan weer bij zijn moeder gaan wonen.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast omdat mijnreclassering.nl dat heeft geadviseerd, overweegt het hof dat de reclassering in de rapportages d.d. 31 oktober 2024 en 6 januari 2025 heeft geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Daarbij is aangegeven dat op het gebied van handelingsvaardigheden en met betrekking tot pedagogische mogelijkheden onvoldoende indicaties bestaan voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Het hof ziet, ook op basis van het verhandelde ter terechtzitting, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de reclassering.

Gelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf is rekening gehouden met de gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof houdt voorts rekening met de jonge leeftijd van de verdachte.

Het hof is – alles afwegende en gelet op de ernst van de feiten – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vanwege de duur van de gevangenisstraf is het niet mogelijk een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen, zoals door de raadsvrouw is bepleit.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 46a, 47, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, en mr. L.A. Pit en mr. J.B. Wijnholt, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.A. Pit
  • mr. J.B. Wijnholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand