Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-000815-25
Parketnummers: 10-292014-24, 10-034932-24 (GEV) en 10-082215-21 (TUL)
Datum uitspraak: 24 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2004,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het bij parketnummer 10-292014-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken. Verder is de verdachte ter zake van het bij parketnummer 10-292014-24 onder 3 en het bij parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld. Ook is een beslissing genomen op de vordering tenuitvoerlegging. Het bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 10-292014-24:
1.hij op of omstreeks 9 september 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk, meermalen, althans eenmaal (telkens), een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 157 Wetboek van Strafrecht oplevert) opzettelijk, voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten - vijf literflessen gevuld met benzine, althans een brandbare stof en/of - een plastic tas en/of - één of meerdere mobiele telefoons en/of - een scooter (kennelijk) bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 10 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gepoogd om één of meer (tot op heden) onbekend gebleven perso(o)n(en) door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van een (tot op heden) onbekend gebleven persoon (strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), immers heeft verdachte met dat opzet: - één of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen (via/middels de applicatie Snapchat) benaderd om dit strafbare feit te plegen en/of te laten plegen en/of - (daarbij) een geldbedrag van 60.000,00 euro, in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon en/of - (daarbij) een geldbedrag van 3.500,00 als vooruitbetaling in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon;
3.hij op of omstreeks 24 augustus 2024, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de de Wet wapens en munitie, te weten een (kogel)geweer van het merk Ruger, model: Precision, kaliber: .308 Winchester, voorhanden heeft gehad;
Zaak met parketnummer 10-034932-24 (gevoegd):
1.hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijfsnaam 1] in de Rotterdamse haven;
2.hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijfsnaam 1] in de Rotterdamse haven, door middel van braak en/of inklimming.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij parketnummer 10-292014-24 onder 1, 2 en 3 en het bij parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 78 maanden met aftrek van voorarrest.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-292014-24 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 10-292014-24:
1.hij op of omstreeks 9 september 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk, meermalen, althans eenmaal (telkens), een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 157 Wetboek van Strafrecht oplevert) opzettelijk, voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of een vervoermiddelen, te weten
- vijf literflessen gevuld met benzine, althans een brandbare stof en/of
- een plastic tas en/of
- één of meerdere mobiele telefoons en/of
- een scooter (kennelijk) bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 10 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gepoogd om één of meer (tot op heden) onbekend gebleven perso(o)n(en) door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van een (tot op heden) onbekend gebleven persoon (strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), immers heeft verdachte met dat opzet:
- één of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen (via/middels de applicatie Snapchat) benaderd om dit strafbare feit te plegen en/of te laten plegen en/of
- ( daarbij) een geldbedrag van 60.000,00 euro, in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon en/of
- ( daarbij) een geldbedrag van 3.500,00 als vooruitbetaling in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon;
3.hij op of omstreeks 24 augustus 2024, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de de Wet wapens en munitie, te weten een (kogel)geweer van het merk Ruger, model: Precision, kaliber: .308 Winchester, voorhanden heeft gehad;
Zaak met parketnummer 10-034932-24 (gevoegd):
1.hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijfsnaam 1] in de Rotterdamse haven;
2.hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijfsnaam 1] in de Rotterdamse haven, door middel van braak en/of inklimming.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Het in de zaak met parketnummer 10-292014-24 onder 3 en het in de zaak met parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Nadere bewijsoverweging (10-292014-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde)
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het bij parketnummer 10-292014-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden, zoals uiteengezet in haar schriftelijk requisitoir.
Standpunt verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte zich – overeenkomstig haar overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken moet worden van het onder 1 en 2 tenlastegelegde nu niet vastgesteld kan worden dat het de verdachte was die in september 2024 de gebruiker was van het Snapchataccount [accountnaam 1] en dus de desbetreffende berichten heeft gestuurd. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft zij voorts aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte kennis had omtrent het tanken van de medeverdachte [medeverdachte 1] dan wel dat zijn opzet gericht was op die benzine/plastic tas. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende link kan worden vastgesteld met de datum dan wel met de locatie waar de aanhouding is verricht en dat er geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking of een gezamenlijke uitvoering. Voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde heeft zij subsidiair aangevoerd dat onvoldoende uit de gevoerde Snapchatgesprekken blijkt dat iemand van het leven moet worden beroofd en dat daaruit niet afgeleid kan worden dat het opzet gericht was op het laten begaan van dit misdrijf door een ander.
Feiten en omstandigheden
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 9 september 2024 omstreeks 03:45 uur zien opsporingsambtenaren – op dat moment surveillerend te Slinge in Rotterdam - de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1] ) met een Albert Heijntas wegrennen zodra hij de opsporingsambtenaren ziet. Op de door [medeverdachte 1] gelopen route werd later deze tas aangetroffen met vijf met benzine gevulde colaflessen. Tijdens de aanhouding van deze medeverdachte zien de opsporingsambtenaren dat een persoon op een bromfiets – later blijkt dit de verdachte te zijn – zich verdacht ophield in de directe omgeving. De verdachte kon niet verklaren waarom hij daar was. Later verklaart de verdachte in zijn verhoor bij de politie op 12 september 2024 dat ‘ [medeverdachte 1] ’ bij hem op de bromfiets zat en dat deze voor de controle was afgestapt.
In de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] werd een chat aangetroffen tussen hem (onder de naam “ [accountnaam 2] ”) en [accountnaam 3] ” met accountnaam [accountnaam 1] (profielnaam [profielnaam 1] ). Door [accountnaam 3] wordt in een chatbericht op 9 september 2024 om 01:44 uur gesproken over een c6 (het hof begrijpt: cobra6) gooien. Kort daarna, om 1:50 uur, vraagt [accountnaam 2] aan [accountnaam 3] waar het precies is, waarop [accountnaam 3] antwoordt dat die cobra Noord is en die bomba Kruiskade. Voorts wordt gesproken hoeveel hij daarvoor krijgt, waarna [accountnaam 3] bedragen noemt van 5b (het hof begrijpt: 5 barkie, zijnde € 500,00) en - omdat hij er nog 1 kan fiks3 – 1 kop (hof begrijpt: € 1.000,00) . De telefoon van de verdachte die bij zijn fouillering werd aangetroffen, is onderzocht. Met deze telefoon werden op 9 september 2024 om 03:19 uur en 03:20 uur twee afbeeldingen (vermoedelijk screenshots van snapchat) vastgelegd met de namen en adressen van twee bedrijven: [bedrijfsnaam 2] ( [adres 1] , Rotterdam) en [bedrijfsnaam 3] ( [adres 2] , Rotterdam). Om 03:34 uur werden twee afbeeldingen (vermoedelijk van google) met dezelfde namen en adressen vastgelegd met de telefoon van de verdachte, welke door [accountnaam 3] om 03:42 uur naar [accountnaam 2] zijn verstuurd. Om 03:43 uur ontvangt [medeverdachte 1] twee afbeeldingen met deze adressen, die exact overeenkomen met de afbeeldingen die zijn aangetroffen in de telefoon van de verdachte. Uit openbare bronnen blijkt dat de adressen respectievelijk in Rotterdam-West en -Noord liggen. Enkele minuten daarna worden [medeverdachte 1] en de verdachte door de politie samen op straat in Rotterdam aangetroffen.
Feit 1 – gebruik van snapchataccount [accountnaam 1]
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het Snapchataccount [accountnaam 1] zelf heeft aangemaakt en dat hij er gebruik van kan maken, maar dat ook andere mensen het gebruiken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat het een gedeeld account is en dat hij er gebruik van maakte samen met anderen. Ten aanzien van het in hoger beroep gevoegde aanvullend proces-verbaal van bevindingen heeft hij verklaard dat hij op 1 september 2024 nog gebruik maakte van het account door een bericht met een foto van hemzelf te versturen, maar op 9 en 10 september 2024 gebruikte hij het account niet, aldus de verdachte.
Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte het snapchataccount [accountnaam 1] heeft aangemaakt en dat hij hier in september 2024 gebruik van maakte.
Voorts kan op grond van het dossier worden vastgesteld dat op de bij de verdachte aangetroffen telefoon de volgende gebruikersprofielen zijn aangetroffen:
Uit een politieregistratie omtrent het profiel [accountnaam 1] volgt dat het slachtoffer uit die registratie dit account koppelt aan de naam [profielnaam 1] en dat [profielnaam 1] op de [adres 3] zou wonen. Het account " [accountnaam 1] " is in de Snapchat van [medeverdachte 1] gekoppeld aan de gebruikersnaam " [accountnaam 3] ". In de desbetreffende Snapchat van [medeverdachte 1] staat de geboortedatum van de verdachte gekoppeld aan het account " [accountnaam 1] ". Uit de informatie die Snapchat omtrent het desbetreffende account ter beschikking heeft gesteld, volgt dat de volgende gegevens aan het account gekoppeld zijn: display name: [profielnaam 1] birthdate: [geboortedatum 2] /2004 email-address: [e-mailadres 1] . Het telefoonnummer dat bij de verdachte in gebruik is, is gekoppeld aan een TikTok-account met de profielnaam ‘ [profielnaam 1] ’. Verder blijkt uit een onderzoek naar een beroving, waarbij op 6 juli 2022 onder de verdachte een telefoon in beslag is genomen, dat de persoon die gebruik maakt van zowel het email-adres als het Snapchataccount de verdachte betreft.
Het hof komt, gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte in september 2024 de gebruiker was van Snapchataccount [accountnaam 1] en dat hij de hierboven aangehaalde berichten van 9 september 2024 aan [medeverdachte 1] heeft verstuurd.
De pas ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte dat ook anderen van het Snapchataccount gebruik maakten en dat niet hij maar een ander de berichten op 9 en 10 september 2024 heeft verzonden, vindt geen steun in het dossier en is op geen enkele wijze onderbouwd. Deze verklaring acht het hof dan ook niet aannemelijk.
Het hof concludeert voorts dat het de verdachte is geweest die samen met [medeverdachte 1] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd teneinde een ontploffing te veroorzaken in Rotterdam, waarbij de nauwe en bewuste samenwerking eruit bestond dat de verdachte aan [medeverdachte 1] de namen en locaties van twee bedrijven doorgaf waar een cobra en een bomba moesten worden gegooid en ze afspraken hebben gemaakt over het daarvoor te ontvangen geldbedrag. Verder nam de verdachte [medeverdachte 1] , midden in de nacht, mee achter op de bromfiets, terwijl [medeverdachte 1] meerdere flessen met benzine bij zich had. Het hof gaat er vanuit dat deze flessen benzine bedoeld waren om een ontploffing teweeg te brengen op één van de twee genoemde adressen.
Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.
Feit 2 – opzet
Het hof heeft in de bovenstaande overwegingen reeds vastgesteld dat de verdachte het Snapchataccount [accountnaam 1] heeft aangemaakt en dat hij daar de gebruiker van is, ook op 10 september 2024.
Uit onderzoek komt naar voren dat in de telefoon van de verdachte een Snapchatgesprek van 10 september 2024 met gebruiker [accountnaam 7] (profielnaam [profielnaam 2] ) is aangetroffen. Het Snapchataccount betreft het account van medeverdachte [medeverdachte 2] , die de verdachte kent. Uit dit gesprek, dat plaatsvond omstreeks 16:58 uur, volgt dat [medeverdachte 2] de opdracht uitzet om iemand te liquideren: “jo neef alles duidelijk toch”, ‘hij moet slapen anders geen pap’. Besproken werd dat er 3,5k (het hof begrijpt: € 3.500,00) borg betaald zou worden. Door de verdachte worden vervolgens om 17:09, 17:12 en 17:13 uur drie gesprekken gestart. In het eerste inhoudelijke gesprek om 17:09 uur – gestart enkele minuten na het belastende gesprek – vraagt de verdachte aan [accountnaam 9] : “wil je iemand shoetoe” en zegt hij: “veel pap”. In het tweede gesprek met [accountnaam 8] zegt de verdachte dat hij een soldaat nodig heeft om iemand te laten slapen. De opdracht zou 60k (het hof begrijpt: € 60.000,00) opleveren. De verdachte zegt vervolgens dat ‘ze’ een borg van 3,5 hebben. In het derde gesprek met [accountnaam 10] zegt de verdachte wederom dat er iemand moet slapen en dat dit 60k oplevert.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden, de verstuurde berichten omtrent het iemand laten “slapen” niet anders bedoeld kunnen zijn dan als gericht op het doden van deze persoon. Het hof beoordeelt de gesprekken in onderlinge samenhang en maakt daaruit op dat de verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte 2] , geprobeerd heeft om anderen via Snapchat te bewegen tot het doden van een onbekend gebleven persoon. Daarvoor zijn een bedrag als vooruitbetaling en een uiteindelijk bedrag als belofte in het vooruitzicht gesteld.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat ook het onder 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 10-292014-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Het in de zaak met parketnummer 10-292014-24 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging om een ander door beloften te bewegen een moord te begaan.
Het in de zaak met parketnummer 10-292014-24 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Het in de zaak met parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de voortgezette handeling van
wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. In de eerste plaats aan het medeplegen van de voorbereiding tot het teweegbrengen van een ontploffing alsook het medeplegen van een poging uitlokking tot moord. Dit zijn zeer ernstige feiten. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en het zich samen met anderen wederrechtelijk toegang verschaffen tot en verblijven op een besloten haventerrein. Ook dit zijn ernstige feiten.
De verdachte en zijn mededader waren met een tas gevuld met flessen benzine onderweg om een ontploffing te veroorzaken in een woonwijk in Rotterdam. Tot een uiteindelijke ontploffing is het niet gekomen, omdat de politie eerst de medeverdachte en vervolgens de verdachte heeft staande gehouden. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ernstig en buitengewoon gevaarzettend delict. De schade als gevolg van een ontploffing had zeer aanzienlijk kunnen zijn. Bovendien brengt een ontploffing in een woonwijk hevige onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, bij slachtoffers en omwonenden in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Voorts heeft de verdachte, samen met een ander, geprobeerd een ander onbekend gebleven persoon van het leven te laten beroven door anderen via Snapchat hiertoe te bewegen. De bijdrage van de verdachte, als tussenpersoon, is een belangrijke schakel geweest in het mogelijk verwezenlijken van de dood van deze persoon en de verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij geen enkel respect heeft voor andermans leven. Dat het uiteindelijk gebleven is bij een poging tot uitlokking, is vanwege omstandigheden die niet aan de verdachte te danken zijn. Voorts rekent het hof de verdachte aan dat hij naast dit feit ook beschikking had over een vuurwapen, hetgeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt. Het zich met anderen wederrechtelijk toegang verschaffen tot en verblijven op een besloten haventerrein is een feit dat veel hinder en schade veroorzaakt bij havenbedrijven. Dit gebeurt veelal met het doel om voorwerpen van waarde of drugs uit containers te halen en is daarmee een onmisbare schakel in de keten rond de invoer en verdere verspreiding van drugs of het verhandelen van die voorwerpen. Bovendien komt uit deze feiten tezamen een zeer zorgelijk beeld naar voren van betrokkenheid in het criminele circuit.
Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De verdachte liep bovendien in een proeftijd van een eerdere deels voorwaardelijk opgelegde straf.
Persoon van de verdachte
Voorts heeft het hof acht geslagen op de ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages. Uit de meest recente rapportage, de afsluitrapportage van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de Jeugdbescherming) d.d. 12 februari 2026, volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat de jeugdreclasseerder in het gedrag en in de vaardigheden van de verdachte een positief ontwikkelde verdachte ziet. Over het algemeen ziet de Jeugdbescherming thans meer beschermende factoren dan risicofactoren, hoewel de verdachte de afgelopen jaren veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Deze gebeurtenissen hebben (langdurig) negatief effect gehad op zijn functioneren en op zijn identiteit.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat het inmiddels beter met hem gaat. Hij is werkzaam als bezorger en daarnaast volgt hij een opleiding.
Het hof is – alles afwegende en gelet op de ernst van de feiten – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Bevel gevangenneming
Voorts zal het hof de gevangenneming van de verdachte gelasten, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.
Vordering tot tenuitvoerlegging (10-082215-21)
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2023 onder parketnummer 10-082215-21 is de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 17 dagen, met bevel dat die straf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond en het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
De verdachte is inmiddels ouder dan achttien jaar. Het hof ziet geen aanleiding te oordelen dat de tenuitvoerlegging dient plaats te vinden in de vorm van jeugddetentie. Deze jeugddetentie zal daarom als gevangenisstraf ten uitvoer worden gelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 46, 46a, 47, 56, 57, 63, 138aa, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-292014-24 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-292014-24 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 (zesenzestig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 februari 2023 met parketnummer 10-082215-21, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 17 dagen, een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen.
Beveelt de gevangenneming van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, en mr. L.A. Pit en mr. J.B. Wijnholt, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 september 2026.