Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001599-24
Parketnummers: 09-021824-23 en 09-080446-23
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 april 2024, in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te Oekraïne op [geboortedatum] 1999,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-021824-23 onder feit 1 en 2 tenlastegelegde en het bij dagvaarding met parketnummer 09-080446-23 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 09-021824-23 (dagvaarding I):
1.hij op of omstreeks 20 januari 2023 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Koningskade en/of Raamweg (ter hoogte van de kruising met de Javastraat), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- te rijden met een snelheid gelegen tussen de 107 en 132 km/u terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 50 km/u gold, althans te rijden met een voor de situatie (veel) te hoge snelheid,
- te rijden onder invloed van een hoeveelheid alcohol die hoger is gelegen dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol (1.18 mg/ml),
- niet tijdig af te remmen en/of tot stilstand te komen en/of tijdig uit te wijken en/of
- ( vervolgens) in botsing te komen met een ander voertuig
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood, en/of een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten vier gebroken ribben, en/of longkneuzingen met een deels ingeklapte long, en/of een kleine scheur in de nier, en/of een geringe bloeding onder het schedeldak, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.hij op of omstreeks 20 januari 2023 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig, (Skoda Octavia met kenteken [kenteken 1] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.18 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;
Zaak met parketnummer 09-080446-23 (dagvaarding II):
hij op of omstreeks 17 augustus 2022 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig, (Skoda Octavia met kenteken [kenteken 1] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 500 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd ten aanzien van de bewezenverklaring, met aanvulling van gronden en dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen auto verbeurd zal worden verklaard.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet volledig verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-021824-23 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 09-080446-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 09-021824-23 (dagvaarding I):
1.hij op of omstreeks 20 januari 2023 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Koningskade en/of Raamweg (ter hoogte van de kruising met de Javastraat), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- te rijden met een snelheid gelegen tussen de van 107 en 132 km/u terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 50 km/u gold,, althans te rijden met een voor de situatie (veel) te hoge snelheid,
- te rijden onder invloed van een hoeveelheid alcohol die hoger is gelegen dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol (1.18 mg/ml),
- niet tijdig af te remmen en/of tot stilstand te komen en/of tijdig uit te wijken en/of
- (vervolgens) in botsing te komen met een ander voertuig
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood, en/of een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten vier gebroken ribben, en/of longkneuzingen met een deels ingeklapte long, en/of een kleine scheur in de nier, en/of een geringe bloeding onder het schedeldak, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.hij op of omstreeks 20 januari 2023 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig, Skoda Octavia met kenteken [kenteken 1] , dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1.18 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;
Zaak met parketnummer 09-080446-23 (dagvaarding II):
hij op of omstreeks 17 augustus 2022 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig, Skoda Octavia met kenteken [kenteken 1] , dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 500 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna te vermelden bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
Nadere bewijsoverwegingen
Dagvaarding I
De voormalige raadsman heeft zich in zijn appelschriftuur op het standpunt gesteld dat de gedragingen van de verdachte geen schuld opleveren in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW) dient in het onderhavige geval te worden vastgesteld dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel, dat heeft geleid tot tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden, heeft opgelopen. Er dient derhalve een causaal verband te bestaan tussen het handelen van de verdachte en het ontstaan van het verkeersongeval.
Voorts moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worde gemaakt. Het begrip ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW kent verschillende gradaties. Deze lopen uiteen van aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid, waarbij roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld geldt.
Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld, om het toepassingsbereik daarvan te verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd, te weten dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Wanneer het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW, bestaat de schuld uit roekeloosheid.
Feiten en omstandigheden
Op 20 januari 2023 heeft in de avond een verkeersongeval plaatsgevonden op het kruispunt van de Raamweg/Koningskade met de Wassenaarseweg/Javastraat in Den Haag. De verdachte reed in zijn personenauto, een grijze Skoda met Slowaaks kenteken [kenteken 1] , over de Raamweg vanuit de richting Scheveningen en in de richting van het Malieveld. Bij het passeren van de verkeerslichten op het kruispunt, straalde het verkeerslicht voor hem groen licht uit.
[slachtoffer 2] reed als bestuurder met haar bijrijder [slachtoffer 1] in een rode Toyota Aygo met kenteken [kenteken 2] in tegengestelde richting over de Koningskade, vanuit de richting van de Zuid-Hollandlaan in de richting van de Wassenaarseweg. [slachtoffer 2] is op het genoemde kruispunt met haar voertuig linksaf geslagen in de richting de Javastraat. Op het kruisingsvlak is het vervolgens tot een confrontatie tussen beide auto’s gekomen, waarbij de verdachte met zijn auto tegen de auto van [slachtoffer 2] is gebotst. Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer 1] overleden en heeft [slachtoffer 2] fors lichamelijk letsel opgelopen.
Uit het verkorte proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse van 17 maart 2023 blijkt dat uit de analyse van de faselog van het kruispunt kan worden afgeleid dat de bestuurder van de Skoda een gemiddelde indicatieve snelheid reed van 84 tot 113 kilometer per uur, vanaf de activatie van de verweglus tot en met de activatie van de lange detectielus. Vervolgens heeft de bestuurder van de Skoda met een gemiddelde indicatieve snelheid van 107 tot 132 kilometer per uur de afstand tussen het activeren van de lange detectielus en de kopdetectielussen afgelegd. Uit het aanvullend proces-verbaal van 31 december 2023 blijkt dat niet kan worden vastgesteld of de Skoda vlak vóór het kruispunt heeft versneld, vertraagd of met een constante snelheid heeft gereden. Wel is vastgesteld dat de verdachte vlak voor de stopstreep met een minimale snelheid van 107 kilometer per uur heeft gereden. Het hof zal dan ook uitgaan van een snelheid van 107 kilometer per uur op het moment van de botsing.
De verdachte verkeerde daarnaast onder invloed van 1,18 milligram alcohol per milliliter bloed.
Zwaar lichamelijk letsel
De vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel dient te worden beantwoord aan de hand van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Uit het verslag van de forensisch arts van 10 februari 2023 blijkt dat [slachtoffer 2] de volgende letsels had: vier gebroken ribben rechts, longkneuzingen met deels ingeklapte long, seatbeltsign (bloeduitstorting met soms schaafwonden ter plaatse van waar autogordel gedragen werd), een kleine scheur in de nier rechts, schaafwonden aan de rechter hand, een forse bloeduitstorting aan het rechter bovenbeen en een geringe bloeding onder het schedeldak. [slachtoffer 2] is ter observatie een aantal dagen opgenomen geweest op de Intensive Care afdeling. In haar verhoor op 26 januari 2023 heeft [slachtoffer 2] verklaard dat het herstel langere tijd zal duren.
Gelet op de aard en ernst van dit letsel kwalificeert het hof - evenals de rechtbank - het opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel.
Causaliteit
Op grond van het volgende stelt het hof vast dat tussen de gedragingen van de verdachte en het ontstaan van het ongeval een causaal verband bestaat.
De verdachte heeft de geldende maximumsnelheid ter plaatse van 50 kilometer per uur fors overschreden. Hij is immers met ten minste 107 kilometer per uur over de kopdetectielus bij het verkeerslicht op het kruispunt gereden. Daarnaast was de verdachte onder invloed van ruim twee maal de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol. De verdachte heeft niet tijdig kunnen remmen of uitwijken en is met de Toyota Aygo van [slachtoffer 2] in botsing gekomen, op het moment dat deze op de rijbaan van de verdachte terechtkwam. Uit het vermijdbaarheidsonderzoek blijkt dat het ongeval niet had plaatsgevonden als de verdachte zich aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid had gehouden.
Anders dan de voormalige raadsman van de verdachte in de appelschriftuur heeft gesteld, leest het hof in het in eerste aanleg door de verdediging ingebrachte rapport van Baan Hofman niet dat het alcoholgebruik van de verdachte zijn reactiesnelheid niet heeft beïnvloed. Bovendien is algemeen bekend dat alcohol het inschattings- en reactievermogen vermindert en vaak ook leidt tot een overschatting van de eigen vaardigheden.
Verder is door de voormalige raadsman naar voren gebracht dat er mogelijk sprake was van overstraling door koplampen van tegemoetkomende auto’s, waardoor de verdachte het voertuig van [slachtoffer 2] niet tijdig heeft kunnen zien.
Het hof overweegt dat dit berust op een aanname en geen feitelijke vaststelling betreft. Bovendien geldt dat indien het zicht van de verdachte al (enigszins) verminderd zou zijn geweest, de verdachte zijn snelheid daarop had moeten aanpassen.
De mate van schuld
Naar het oordeel van het hof kan de verdachte van het verkeersongeval een schuldverwijt worden gemaakt. De vraag is in welke mate hij daaraan schuld had, waarbij roekeloosheid de zwaarste schuldvorm is. Daarvan is - zoals gezegd - in elk geval sprake als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Het hof dient daartoe te beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel, of het leven van anderen.
a. Schending van de verkeersregels
Het hof heeft reeds vastgesteld dat de verdachte de maximumsnelheid met ten minste 57 kilometer per uur heeft overschreden. Deze gedraging wordt in artikel 5a eerste lid onder g WVW uitdrukkelijk genoemd als voorbeeld van gevaarzettend verkeersgedrag.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8 derde lid WVW, zoals bedoeld in artikel 5a tweede lid WVW. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte meerdere verkeersregels als bedoeld in laatstgenoemd artikel heeft geschonden.
In ernstige mate
De maximumsnelheid betreft een voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregel, die de verdachte in aanzienlijke mate heeft overschreden. De verdachte reed immers ten minste 107 kilometer per uur, waar maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan.
Daarbij reed de verdachte onder invloed van alcohol. Het hof heeft reeds overwogen dat het algemeen bekend is dat alcohol het inschattings- en reactievermogen vermindert en vaak ook leidt tot een overschatting van de eigen vaardigheden. Ook deze verkeersregel is daarmee van cruciaal belang om de veiligheid in het verkeer te kunnen waarborgen.
De verdachte heeft aldus meerdere voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels geschonden. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De afzonderlijke overtredingen versterken elkaar immers en hebben, in onderlinge samenhang bezien, het risico op een verkeersongeval aanzienlijk vergroot.
Opzettelijk
Het opzet van de verdachte moet gericht zijn geweest zowel op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Hierbij dienen de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze zijn verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Hieruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen, in onderlinge samenhang bezien en naar hun uiterlijke verschijningsvorm, waren gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.
Het hof is van oordeel dat het rijden met een zo veel te hoge snelheid binnen de bebouwde kom niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte ook opzet had op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Daarbij betrekt het hof niet alleen deze ernstige snelheidsovertreding, maar ook het rijden onder invloed van alcohol.
Op 20 januari 2023 om 22.50 uur is bloed bij de verdachte afgenomen om te worden onderzocht op de aanwezigheid van alcohol. Er is 1,18 mg/ml alcohol in het bloed aangetroffen. Dit is fors boven de hoeveelheid alcohol die is toegestaan.
Nu het bloed van de verdachte is afgenomen ruim twee uur na het plaatsvinden van het ongeval, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had genuttigd, terwijl hij vervolgens is gaan autorijden.
Het hof is van oordeel dat de hierboven vermelde gedragingen, gelet op de
omstandigheden waaronder die zijn begaan, niet anders dan opzettelijk kunnen worden
gedaan en dat deze - zeker in samenhang bezien - naar hun uiterlijke verschijningsvorm
gericht waren op een ernstige schending van de verkeersregels.
Gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
In algemene zin acht het hof het voorzienbaar dat het schenden van de hiervoor beschreven verkeersregels een zeer gevaarlijke verkeerssituatie in het leven kan roepen. Het hof acht het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door onder invloed van alcohol veel te hard te rijden, binnen de bebouwde kom, terwijl het donker is en zich veel verkeer op de weg bevindt. Het betreft een druk kruispunt, waar verschillende soorten verkeersdeelnemers gebruik van maken. Dat het gevaar niet alleen voorzienbaar was, maar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, blijkt uit het feit dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] fors letsel heeft opgelopen.
Conclusie
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, namelijk roekeloosheid.
Het onder 1 primair tenlastegelegde zal dan ook bewezen worden verklaard.
Medeschuld
[slachtoffer 2] is met haar voertuig linksaf geslagen richting de Javastraat, terwijl dat op de betreffende kruising niet was toegestaan. Als gevolg daarvan kwam haar voertuig op het kruisingsvlak terecht. Deze verkeersfout doet echter niet af aan de hiervoor vastgestelde schuld van de verdachte. De verdachte had, net als iedere verkeersdeelnemer, bedacht moeten zijn op verkeersfouten die door andere weggebruikers gemaakt kunnen worden. Door echter met een veel te hoge snelheid en onder invloed van alcohol te rijden, heeft de verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om tijdig te kunnen anticiperen op eventuele verkeersfouten van anderen. Zoals gezegd is ook gebleken dat de aanrijding - ondanks de verkeersfout van [slachtoffer 2] - niet had plaatsgevonden als de verdachte zich had gehouden aan de ter plaatse geldende maximale snelheid van 50 kilometer per uur.
Dagvaarding II
Het hof stelt vast dat de verdachte op 17 augustus 2022 een personenauto, te weten een Skoda, heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed van alcohol was. De ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte dat zijn bijrijder de auto heeft bestuurd, acht het hof onaannemelijk. Hierbij weegt het hof mee dat de politie constant zicht heeft gehad op de auto tot aan het moment waarop de auto werd geparkeerd. Op dat moment trof de politie de verdachte aan als bestuurder van de auto. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de bestuurder is geweest van het voertuig.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 09-021824-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet
en
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (1,18 milligram).
Het in de zaak met parketnummer 09-080446-23 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (500 microgram).
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft op twee verschillende momenten onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol als bestuurder van een auto deelgenomen aan het verkeer, waarmee hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht.
De verdachte heeft daarbij op 20 januari 2023 met zijn roekeloze rijgedrag onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid van hemzelf en zijn medeweggebruikers. De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid als bestuurder ernstig veronachtzaamd, met fatale gevolgen voor de slachtoffers.
De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW. [slachtoffer 1] is ten gevolge van het verkeersongeval overleden. [slachtoffer 2] heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen en kampt, zoals ook blijkt uit haar slachtofferverklaring, nog altijd met de gevolgen van die noodlottige dag. Uit de slachtofferverklaringen van de moeder, vader en zus van [slachtoffer 1] blijkt het immense verdriet, leed en gemis door het verlies van hun zoon en broer, waar zij nog iedere dag mee moeten leven. Ook 3,5 jaar na dato zijn het verlies en het gemis niet minder geworden. De ouders van [slachtoffer 1] zullen nooit meer met hun zoon kunnen spreken en hem zien opgroeien tot de man van wie zij zoveel hadden verwacht en zijn zus moet verder opgroeien zonder haar grote broer, met wie zij zoveel samen deed.
Wat de toch al zeer ingrijpende gevolgen van het ongeval voor de slachtoffers en nabestaanden extra wrang maakt, is het volgende.
De verdachte heeft zowel bij zijn verhoor door de politie als tijdens de terechtzitting in eerste aanleg ontkent dat hij meer had gedronken dan één blikje bier, hetgeen gelet op het vastgestelde alcoholgehalte en het moment waarop dit is vastgesteld, te weten enkele uren na het ongeval, volstrekt onaannemelijk is.
Voorts is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst per 28 juli 2023. In mei 2024 heeft de verdachte zich echter onttrokken aan het toezicht van de reclassering en is vertrokken met onbekende bestemming. Sindsdien heeft hij zich onbereikbaar en onvindbaar gehouden voor zijn raadsman, politie en justitie.
Deze handelwijze geeft blijk van gebrek bij de verdachte aan het nemen van enige verantwoordelijkheid ten aanzien van zijn rijgedrag in relatie tot zijn drankgebruik en laat tevens zien dat de verdachte zich niets gelegen laat liggen aan rechterlijke autoriteiten.
Daar komt nog bij dat hij met zijn gedrag aantoont geen enkel respect te hebben voor de gevoelens van de slachtoffers en nabestaanden, waardoor de rechtsgang voor hen zeer onbevredigend is. De rouw en verwerking van de gebeurtenissen en de dood van [slachtoffer 1] wordt immens bemoeilijkt door dit gedrag van de verdachte en de frustratie omtrent zijn thans onbekende verblijfplaats, zoals ook naar voren is gekomen in de voorgedragen slachtofferverklaringen.
Het hof rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
Het hof kan zich dan ook niet verenigen met de conclusie van de reclassering (zoals neergelegd in het reclasseringsadvies van 24 juli 2024) dat er sprake is van een laag recidiverisico.
De verdachte is - tegen beter weten in - de mate van zijn alcoholgebruik blijven ontkennen. Ook weegt het hof mee dat de verdachte op 17 augustus 2022 onder invloed van alcohol heeft gereden en daarvoor door de politie is aangehouden en vervolgens op 20 januari 2023 opnieuw onder invloed van alcohol is gaan rijden. De verdachte gold dan ook als een gewaarschuwd mens ten aanzien van alcoholgebruik in het verkeer. Daar komt bij dat tijdens een urinecontrole bij de reclassering is gebleken dat de verdachte - in weerwil van het hem in het kader van de schorsingsvoorwaarden opgelegde verbod - alcohol had genuttigd.
Dit alles maakt dat van een laag recidiverisico naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake is.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Evenals de rechtbank is het hof zich ervan bewust dat met name voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] geen enkele straf in verhouding staat tot de gevolgen van het ongeval en het voor hen veroorzaakte leed.
Maar zonder daaraan ook maar iets af te willen doen dient het hof zich te houden aan het juridische uitgangspunt dat een aan de verdachte op te leggen straf in gevallen zoals dit, in verhouding dient te staan tot de mate van verwijtbaarheid van zijn verkeersgedrag en niet in overwegende mate mag worden ingegeven door de ernst van de gevolgen daarvan. Bovendien dient het hof bij de strafbepaling oog te hebben voor de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.
Gezien de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de gevolgen daarvan en de hiervoor genoemde omstandigheden, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur en een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid. Die strafoplegging dient ter vergelding van het aangedane leed, maar ook ter generale en speciale preventie. Duidelijk moet zijn – voor zowel de verdachte als de samenleving als geheel – dat dergelijk roekeloos verkeersgedrag volstrekt onacceptabel is en aanzienlijke gevolgen heeft.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Het hof komt - met de advocaat-generaal - tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de rechtbank in eerste aanleg, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden.
In het belang van de verkeersveiligheid zal het hof daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van vijf jaren.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof zal bovendien de gevangenneming van de verdachte gelasten, gelet op het evidente vluchtgevaar en de door het hof opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte heeft zich tijdens zijn schorsing immers onttrokken aan het reclasseringstoezicht en zich sindsdien onbereikbaar en onvindbaar gehouden voor zijn raadsman, politie en justitie.
Beslag
Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is onder 1 (1 STK Personenauto [kenteken 1] (Omschrijving: [omschrijving] Grijs, merk: Skoda)) op de lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het in de zaak met parketnummer 09-021824-23 onder 1 bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-021824-23 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 09-080446-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-021824-23 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 09-080446-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-021824-23 onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. 1 STK Personenauto [kenteken 1] (Omschrijving: [omschrijving] Grijs, merk: Skoda).
Beveelt de gevangenneming van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, als voorzitter, en mr. A.E. Harteveld en mr. J.C. van den Bos, leden,
in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 oktober 2026.