De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2026 gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit dient te geschieden; die termijnen zijn van openbare orde (vlg. HR 28 maart 1995, NJ 1995/500). Het hof stelt vast dat de verdachte in eerste aanleg is verschenen ter terechtzitting van 27 mei 2025 en dat vervolgens op 10 juni 2025 door de rechtbank vonnis is gewezen. Ingevolge artikel 408, eerste lid onder b, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moest het hoger beroep binnen veertien dagen na deze datum, te weten uiterlijk op 24 juni 2025, worden ingesteld. Nu eerst op 15 juli 2025 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, is dit hoger beroep - hetgeen ook niet wordt betwist door de verdediging - te laat ingesteld.
Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan uitsluitend dan niet hieraan worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587).
Artikel 449 Sv verschaft aan de verdachte de bevoegdheid zelf hoger beroep in te stellen, terwijl artikel 450 Sv de verdachte daarnaast de keuze laat het rechtsmiddel in te stellen door tussenkomst van een gemachtigd raadsman of vertegenwoordiger.
De verdachte heeft zijn wens om hoger beroep in te stellen aan zijn voormalig raadsvrouw – en niet (zelfstandig) aan de griffie van de rechtbank Den Haag – kenbaar gemaakt. Dat de raadsvrouw vervolgens niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld, komt onder deze omstandigheden volgens vaste jurisprudentie van het Hoge Raad voor rekening en risico van de verdachte (vgl. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, alsmede HR 7 oktober 2025, ECLI:HR:2025:1457). Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat de verdachte voor het instellen van hoger beroep volledig afhankelijk was van zijn raadsvrouw. Hetgeen de raadsman in dit verband in hoger beroep heeft aangevoerd maakt dat alles niet anders, hoe invoelbaar het ook is dat de verdachte ervan uit is gegaan dat zijn raadsvrouw tijdig hoger beroep in zou stellen, omdat hij haar die opdracht had verstrekt. Daarbij merkt het hof in het bijzonder en ten overvloede nog op dat ook de rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en rechtseenheid een aanzienlijke rol spelen bij de beantwoording van de vraag of en in welke gevallen sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding. Tot slot merkt het hof op dat ook het beroep van de raadsman op het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering niet leidt tot een ander oordeel. Niet alleen is de bepaling waar de raadsman op doelt nog niet in werking getreden, ook valt nog te bezien of die nieuwe bepaling in de toekomst daadwerkelijk zal leiden tot verandering van de thans geldende rechtspraak.
Het hof komt tot de slotsom dat – anders dan de raadsman heeft betoogd – geen sprake is van een termijnoverschrijding die verontschuldigbaar is.
Nu blijkens het voorgaande het hoger beroep namens de verdachte te laat is ingesteld, dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, mr. E.A. Poppe-Gielesen en mr. N.S.M. Lubbe, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.