Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002168-24
Parketnummer: 10-214634-22
Datum uitspraak: 2 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1992,
thans gedetineerd in P.I. [naam P.I.].
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 december 2022 - tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2021 tot en met 28 mei 2021 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door
- meermalen (met kracht) met een houten plank, althans een hard voorwerp, te slaan/te stoten op/tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- meermalen (met kracht) met een hard voorwerp te slaan/te stoten op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- meermalen te steken met een steekvoorwerp, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- meermalen (met kracht) met zijn vuist(en)/hand(en) te slaan/te stompen op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of op/tegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- ( met kracht) de hals en/of mond dicht te drukken en/of dicht gedrukt te houden, althans samendrukkend geweld op de hals en/of mond, althans het lichaam, van die [slachtoffer] toe te passen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof zich niet (geheel) verenigt met de bewezenverklaring.
Bewijsoverwegingen
Namens de verdachte heeft de raadsman - op de gronden zoals verwoord in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen - zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het aan hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Het hof stelt - met de rechtbank - op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen het volgende vast.
Algemene feiten en omstandigheden
Op vrijdag 28 mei 2021 omstreeks 17.30 uur werd in de slaapkamer van zijn woning aan de
[adres delict] in Capelle aan den IJssel het levenloze lichaam aangetroffen van de 55-jarige
[slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]). Bij het pathologisch onderzoek zijn bij [slachtoffer] talrijke letsels waargenomen. Er werd onder meer een schedelbreuk en verbrijzeling van meerdere aangezichtsbeenderen geconstateerd, alsmede letsel bij de mond en op een wang van [slachtoffer]. Deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan door
meervoudige (hevige) stomp botsende krachtinwerking. Enkele letsels ter hoogte van de
behaarde hoofdhuid zijn suggestief voor toebrenging middels een voorwerp. De patholoog
concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door samendrukkende
krachtinwerking op de hals en/of de mond. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.
In de woonkamer, hal en slaapkamer van de woning zijn (veel) bloedsporen aangetroffen. In
de nabijheid van het hoofd van [slachtoffer] lag een houten plank met daarop bloedsporen.
Over zijn hoofd lag een kussensloop. Het raam van de slaapkamer waar [slachtoffer] is aangetroffen, stond een stukje open. Er waren geen sporen van braak of verbreking. Bij de doorzoeking werden geen sleutels van de woning aangetroffen. Ook de telefoon en de iPad van [slachtoffer] zijn niet teruggevonden.
Op woensdag 26 mei 2021 heeft een overbuurvrouw van [slachtoffer], getuige [getuige 1], kort na 19.30 uur vanuit haar woning foto’s gemaakt van een persoon die voor de woning van [slachtoffer] stond. De verdachte heeft zichzelf hierop herkend. Hij droeg op dat moment een blauw/paarskleurige winterjas, een camelkleurige broek en witte schoenen. Verder had hij een zwarte sporttas met wit opschrift bij zich. Deze overbuurvrouw had om 19.10 uur voor het laatst Whatsapp-contact met [slachtoffer]. Om 19.36 uur verstuurde zij nog twee berichten die wel werden afgeleverd, maar niet zijn gelezen.
In de telefoon van de verdachte is een videobestand aangetroffen dat op 26 mei 2021 om
uur in de woning aan de [adres delict] is opgenomen. Op die beelden is de verdachte
samen met [slachtoffer] te zien. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij [slachtoffer] die avond heeft ontmoet en met hem is meegegaan naar zijn woning. In de woning hebben zij samen gerookt en heeft de verdachte enige tijd op de bank geslapen. Hij ging weg toen het licht was.
De iPhone van [slachtoffer] maakte op donderdag 27 mei 2021 om 09.12 uur voor het laatst
verbinding met het wifinetwerk.
Op donderdag 27 mei 2021 om 09.23 uur is de verdachte te zien op beelden van een
bewakingscamera aan de Vuurdans, een straat grenzend aan de Kringdans. De verdachte
droeg op dat moment een beige jas met capuchon en een blauwe spijkerbroek. Verder droeg
hij een lichtkleurige baseballpet en donkerblauwe sneakers van het merk Tommy Hilfiger
met witte veters en witte zolen. De verdachte droeg een zwarte Nike sporttas over zijn
schouder, had werkhandschoenen aan en had een sleutelbos in zijn linkerhand.
Ter beoordeling van de vraag of het de verdachte is geweest die [slachtoffer] met geweld om het leven heeft gebracht overweegt het hof – grotendeels met de rechtbank - het volgende.
Schoensporen
In de woning van [slachtoffer] zijn verschillende schoensporen aangetroffen. Na uitsluiting van de schoenafdrukken van hulpverleners, politiemedewerkers en getuigen resteren twee relevante soorten schoensporen: een schoenspoor van een zoolprofiel met gebogen lijnen en een schoenspoor van een zoolprofiel met golvende lijnen. Voor beide profielen geldt dat de meeste schoenafdrukken met of in bloed zijn gezet. Een schoenafdrukspoor gezet met bloed houdt in dat het schoenafdrukspoor is ontstaan doordat met een bebloede zool van een schoen een stempeling met bloed op een ondergrond is gemaakt. Een schoenafdrukspoor in bloed houdt in dat met de zool van een schoen een beweging is gemaakt in of door een bestaand bloedspoor dat nog nat is. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek vermeldt dat meerdere bloedspatten nog vochtig waren op het moment dat het patroon werd veroorzaakt. Het hof leidt hieruit af dat de persoon/personen die deze schoenafdruksporen heeft/hebben veroorzaakt, tijdens of kort na de geweldplegingen in de woning moet(en) zijn geweest.
Omdat de verdachte op basis van DNA-onderzoek pas ruim een jaar later is aangehouden, waren de schoenen die hij droeg bij zijn bezoek aan de woning van het slachtoffer niet beschikbaar voor een vergelijkend onderzoek. Op de hiervoor benoemde beeldopnames van de overbuurvrouw respectievelijk de bewakingscamera, is te zien dat de verdachte bij aankomst op 26 mei 2021 en bij vertrek uit de woning op 27 mei 2021 andere schoenen droeg.
Op de afbeeldingen afkomstig van de bewakingscamera is te zien dat de verdachte bij zijn vertrek blauwe schoenen droeg. De verdachte heeft deze blauwe schoenen herkend als schoenen van het merk Tommy Hilfiger. Een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft op basis van de beelden van de blauwe schoenen geconcludeerd dat de uiterlijke kenmerken hiervan inderdaad passen bij schoenen van het merk Tommy Hilfiger, te weten het type Essential Cupsole Sneaker. De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de in de woning aangetroffen schoensporen met het golfjespatroon afkomstig zijn van de blauwe schoenen op de ontvangen beelden, dan van willekeurig andere schoenen uit het straatbeeld in Nederland.
Op een videobestand op de telefoon van de verdachte, waarschijnlijk gemaakt in april 2021, draagt de verdachte witte sportschoenen die lijken op schoenen van het merk Adidas, type Yeezy Boost 350. Onder de aanname dat de witte schoenen op de afbeelding afkomstig van de eerdergenoemde overbuurvrouw de zogeheten V2 versie betreffen van de Adidas Yeezy Boost 350, zijn de bevindingen van het onderzoek veel waarschijnlijker wanneer de in de woning aangetroffen schoensporen met het gebogen zoolprofiel afkomstig zijn van de witte schoenen op de ontvangen beelden, dan wanneer deze afkomstig zijn van willekeurig andere schoenen uit het straatbeeld in Nederland. De deskundige heeft ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht dat bij het onderzoek ook imitatiemodellen zijn meegenomen.
Het hof stelt vast dat deze verschillende schoenen die de verdachte bij zijn aankomst en bij zijn vertrek uit de woning van het slachtoffer vermoedelijk heeft gedragen, passen bij de schoenafdruksporen die in de woning zijn aangetroffen. Deze schoenafdrukken moeten, zoals hiervoor is overwogen, tijdens of kort na de geweldplegingen zijn gezet.
DNA-sporen
Naast schoenafdruksporen zijn er in de woning op meerdere plaatsen DNA-sporen aangetroffen. In de bemonsteringen van
- vier van de tien vingernagels van het slachtoffer;
- de rits, de ritsrunner en de knoop van de spijkerbroek die het slachtoffer droeg;
- een bebloede plank die nabij het slachtoffer werd aangetroffen;
- een kussensloop die over het hoofd van het slachtoffer lag en
- een bordenstandaard op de salontafel in de woonkamer
zijn mengprofielen aangetroffen.
Na verder DNA-onderzoek aan de plank is uiteindelijk een enkel DNA-profiel afgeleid op basis waarvan de verdachte kon worden geïdentificeerd en in Zwitserland werd aangehouden. Het DNA van de verdachte is vervolgens vergeleken met de hierboven genoemde aangetroffen mengprofielen. Gebleken is dat het DNA-mengprofiel uit deze bemonsteringen een miljard keer waarschijnlijker is wanneer de verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is.
De verdediging heeft aangevoerd dat de resultaten van het DNA-onderzoek zijn te verklaren door contaminatie, dan wel door secundaire overdracht van het DNA van de verdachte en daarmee niet kunnen worden aangemerkt als dadersporen. Doordat de verdachte samen met het slachtoffer op de avond van 26 mei 2021 meerdere joints heeft gerookt, bestaat de mogelijkheid dat speeksel van de verdachte onder de vingernagels van het slachtoffer terecht is gekomen.
Met de rechtbank overweegt het hof hierover het volgende. Na de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in eerste aanleg op 11 september 2023 heeft de rechtbank opdracht gegeven tot aanvullend onderzoek, onder andere naar de aard en de hoeveelheid van het aangetroffen DNA-materiaal onder de vingernagels van het slachtoffer. Uit dit aanvullend onderzoek blijkt dat alle bemonsteringen bloed bevatten. Wanneer sprake is van een mengprofiel kan geen uitspraak worden gedaan over de aard van het celmateriaal dat een mogelijke donor kan hebben bijgedragen aan de bemonstering. De mogelijke aanwezigheid van andere typen celmateriaal in deze bemonsteringen kon niet worden onderzocht. Het uitgevoerde DNA-onderzoek betreft een onderzoek op bronniveau. In reactie op de door de rechtbank gestelde vragen hebben de NFI-deskundigen toegelicht dat een onderzoek op activiteitenniveau en berekening daarbij van de kans op contaminatie of secundaire overdracht van DNA-sporen slechts mogelijk is op basis van een vergelijking van een of meer feitelijke scenario’s met meerdere, elkaar uitsluitende hypotheses. Een dergelijk toetsingskader ontbreekt in deze zaak. Ook in hoger beroep heeft de verdediging geen concreet op deze zaak betrekking hebbend alternatief scenario naar voren gebracht dat op alle aangetroffen DNA-sporen ziet. Uit de verklaringen van de DNA-deskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg leidt het hof voorts af dat uit de aangetroffen hoeveelheid DNA in een mengprofiel op bronniveau geen conclusies kunnen worden getrokken. Ook hiervoor geldt dat een nader onderzoek op activiteitenniveau noodzakelijk zou zijn.
Het hof realiseert zich – net als de rechtbank – in het licht van het voorgaande dat zonder concreet (delict-)scenario, de resultaten van het DNA-onderzoek met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd en niet zelfstandig tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Dat betekent niet dat het feit dat op meerdere en verschillende plaatsen DNA van de verdachte is aangetroffen, bij de beoordeling van het bewijs geen rol zou mogen spelen. Het hof stelt in dit verband vast dat in het bijzonder de DNA-sporen onder de vingernagels, op de houten plank en op de kussensloop die over het hoofd van het slachtoffer is gelegd, aanwijzingen kunnen vormen voor mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gewelddadige dood van het slachtoffer.
Post-mortem interval (PMI)
Het slachtoffer is op vrijdag 28 mei 2021 omstreeks 17.30 uur dood aangetroffen in zijn woning. Om een indicatie te krijgen van het tijdstip van overlijden werden temperatuurmetingen gedaan en werden de lijkstijfheid en wegdrukbaarheid van lijkvlekken beoordeeld. Op basis van het onderzoek van de schouwarts en van de forensisch patholoog werd een post-mortem interval (hierna: PMI) berekend van 44 tot 66 uur. Deze overlijdensduur is via het nomogram van Henssge met een 95% betrouwbaarheidsinterval geschat. Omdat het lichaam op het moment van aantreffen sterk was afgekoeld (de lichaamstemperatuur was nagenoeg hetzelfde als de omgevingstemperatuur) betreft het een ruwe schatting. De patholoog heeft naar aanleiding van de toelichting hierbij in zijn rapport, ter zitting in eerste aanleg verklaard dat op de interval van 44 tot 66 uur nog een correctie van twintig procent moet worden toegepast. Daarmee kan het tijdstip van overlijden van het slachtoffer afgerond worden geschat op minimaal 35 tot maximaal 79 uur, te rekenen vanaf het moment waarop de schouw werd uitgevoerd, dat wil zeggen vanaf 29 mei 2021 om 01.00 uur ’s nachts. Hij heeft verder verklaard dat dit interval niet nader kan worden gepreciseerd op basis van de bevindingen omtrent de lijkstijfheid en de wegdrukbaarheid van de lijkvlekken. Op basis van het forensisch onderzoek concludeert het hof dat het slachtoffer is overleden tussen dinsdag 25 mei 2021, 18.00 uur en donderdag 27 mei 2021, 14.00 uur.
Het hof stelt op basis van de videobeelden op de telefoon van de verdachte vast dat [slachtoffer] op woensdag 26 mei 2021 om 21.33 uur nog in leven was. Dat betekent dat het interval moet worden teruggebracht tot ongeveer 16,5 uur. De verdachte was gedurende een groot deel van dit interval, namelijk bijna twaalf uren, in de woning van het slachtoffer aanwezig.
Getuigenverklaringen
De verdediging heeft gewezen op getuigen die hebben verklaard dat zij [slachtoffer] na het vertrek van de verdachte uit zijn woning nog in leven hebben gezien. Tevens is gewezen op de verklaring van een buurman van het slachtoffer dat hij op vrijdagochtend 28 mei 2021 uit de woning van het slachtoffer geluiden heeft gehoord.
De getuigen zijn bij de rechter-commissaris aanvullend gehoord. Enkele getuigen hebben bij de rechter-commissaris hun eerdere verklaring met betrekking tot het tijdstip van hun waarnemingen genuanceerd, in de zin dat zij zelf aangeven zich op dit punt (mogelijk) te hebben vergist. Het hof stelt op basis van de bevindingen omtrent het tijdstip van overlijden vast dat de waarnemingen van de door de verdediging aangehaalde getuigen niet kunnen kloppen, aangezien het slachtoffer op dat moment al was overleden. Mogelijk heeft hun herinnering betrekking op een ander tijdstip, dan wel op een onjuiste herkenning van een ander persoon. Ook de geluiden uit de woning van het slachtoffer die door de buurman op vrijdagochtend zijn waargenomen, kunnen om dezelfde reden niet zijn veroorzaakt door [slachtoffer].
De verklaring van de getuige [getuige 2] inhoudende dat zij [slachtoffer] op donderdag 27 mei 2021 omstreeks 12.45 uur voor het laatst heeft gezien, valt als enige nog net binnen het berekende interval over het tijdstip van overlijden. In het aanvullend verhoor door de rechter-commissaris heeft deze getuige volhard in haar verklaring, ter onderbouwing waarvan zij een bankafschrijving heeft overgelegd van een betaling die zij later die dag heeft gedaan. Zij heeft verklaard dat het overlijden van [slachtoffer] veel indruk op haar heeft gemaakt en dat zij daardoor zeker weet dat zij hem die dag heeft gezien.
Het hof overweegt dat meerdere getuigen die goed bevriend waren met het slachtoffer en dagelijks contact met hem hadden, hem niet meer hebben gezien of gehoord na woensdagavond 26 mei 2021, rond 19.30 uur. Opvallend is daarbij dat het slachtoffer ook niet heeft gereageerd op de Whatsapp-berichten van getuige [getuige 1] waarin zij hem vraagt voorzichtig te zijn en haar zorgen uit. [getuige 1] heeft het slachtoffer die avond en de daarop volgende dag meermalen gebeld, maar een reactie bleef uit. Ook is het slachtoffer op donderdag 27 mei 2021 niet op de verjaardag van een vriendin langs gekomen, wat hij jaarlijks deed en waar hij op woensdag 26 mei 2021 nog expliciet aan was herinnerd tijdens een etentje bij getuige [getuige 1]. Daarnaast volgt uit het onderzoek dat de telefoon van het slachtoffer na 09.12 uur op donderdag 27 mei 2021 geen gebruik meer heeft gemaakt van het wifinetwerk, hetgeen wel in de lijn der verwachting had gelegen als getuige [getuige 2] het slachtoffer daadwerkelijk die dag om 12.45 uur voor zijn woning zou hebben gezien. Dit alles roept vragen op ten aanzien van de verklaring van de getuige [getuige 2]. Technisch gezien is haar verklaring niet onverenigbaar met de bevindingen bij het pathologisch onderzoek. Nu deze verklaring echter op zichzelf staat, acht het hof (ook) deze getuigenverklaring onvoldoende aannemelijk. Daarbij merkt het hof nog op dat [getuige 2] pas tijdens het tweede politieverhoor op 15 juni 2021 haar waarneming van het slachtoffer heeft gekoppeld aan de betaling die zij op 27 mei 2021 heeft gedaan.
Interpretatie van het (sporen)onderzoek
Het hof acht met de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen daarbij, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] in zijn woning met geweld om het leven heeft gebracht. Het hof benadrukt dat de hiervoor besproken bewijsmiddelen in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd en dat de bewijswaarde daarvan ook op die wijze moet worden beoordeeld. Concreet betekent dit dat niet ieder bewijsmiddel rechtstreeks de verdachte aanwijst als degene die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, maar dat de combinatie van bewijsmiddelen naar het oordeel van het hof leidt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
De verdachte is vanaf woensdagavond 26 mei 2021 tot de volgende ochtend (iets voor 09.23 uur) van 27 mei 2021 samen met [slachtoffer] in diens woning geweest. Zijn aanwezigheid valt binnen het geschatte interval van overlijden van het slachtoffer. Er zijn twee verschillende soorten relevante schoensporen aangetroffen, waaronder sporen die in en met bloed zijn gezet. Deze schoensporen passen bij de schoenen die de verdachte op woensdagavond en bij de (andere) schoenen die hij op donderdagochtend op de beelden droeg. Deze combinatie van schoensporen, met de resultaten van de aangetroffen DNA-sporen onder de vingernagels van het slachtoffer, de plank die nabij zijn hoofd lag en de kussensloop die op zijn gezicht lag, de bevindingen bij het pathologisch onderzoek en de besproken getuigenverklaringen met betrekking tot het tijdstip van overlijden, acht het hof redengevend om het daderschap van de verdachte vast te stellen. Ten aanzien van zijn overtuiging benoemt het hof hierbij verder nog dat de verdachte kort na zijn vertrek uit de woning op beelden in geheel andere kleding te zien is met sleutels in zijn gehandschoende hand en dat de telefoon van het slachtoffer rond ditzelfde tijdstip voor het laatst verbinding heeft gemaakt met het wifinetwerk. De telefoon, iPad en huissleutels zijn, zoals vermeld, niet in de woning aangetroffen.
Uit het dossier en hetgeen overigens ter terechtzitting naar voren is gebracht, zijn geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen voor betrokkenheid van een andere dader/daders. Zo zijn in de woning geen braaksporen aangetroffen en zijn er ook geen DNA-sporen van (een) ander(en) dan de verdachte aangetroffen op het slachtoffer of op de voorwerpen waarop wél belastend DNA-materiaal van de verdachte is gevonden. Verder is niet gebleken dat binnen het PMI naast de verdachte en [slachtoffer] andere personen in de woning zijn geweest. Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, binnen de conclusies uit het forensisch onderzoek alternatieve delictscenario’s denkbaar zijn waarbij andere daders kunnen zijn betrokken, staat er daarom niet aan in de weg dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het dodelijke letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht.
Conclusie
Het hof verwerpt de verweren. De ten laste gelegde doodslag kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2021 tot en met 28 27 mei 2021 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door
- meermalen (met kracht) met een houten plank, althans een hard voorwerp, te slaan/te stoten op/tegen het hoofd en/of in het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- meermalen (met kracht) met een hard voorwerp te slaan/te stoten op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- meermalen te steken met een steekvoorwerp, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- meermalen (met kracht) met zijn vuist(en)/hand(en) te slaan/te stompen op/tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of op/tegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
- (met kracht) de hals en/of mond dicht te drukken en/of dicht gedrukt te houden, althans samendrukkend geweld op de hals en/of mond, althans het lichaam, van die [slachtoffer] toe te passen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, een buitengewoon ernstig feit waardoor de rechtsorde zeer is geschokt. Een avond die ogenschijnlijk gezellig begon in de woning van het slachtoffer is op enig moment om een onbekend gebleven reden geëindigd in een explosie van geweld. De verdachte heeft excessief geweld jegens het slachtoffer toegepast dat onder meer heeft geleid tot meerdere breuken in het aangezicht, een schedelfractuur en een gebroken rib. Vervolgens heeft de verdachte met kracht samendrukkend geweld op de hals en/of mond van het slachtoffer uitgeoefend, hetgeen heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.
De verdachte heeft op gruwelijke wijze het slachtoffer van het leven beroofd. Hij heeft hiermee de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook is gebleken uit de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen van de moeder en de zus van het slachtoffer. Vanzelfsprekend brengt het handelen van de verdachte tevens onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij degenen die er kennis van hebben gekregen. Te meer nu lange tijd onduidelijk is gebleven wie verantwoordelijk was voor de gewelddadige dood van het slachtoffer.
Over het waarom van deze daad tasten met name de nabestaanden en andere betrokkenen nog steeds in het duister. De verdachte ontkent – ondanks het bewijs tegen hem – stellig dit delict te hebben gepleegd en heeft geen enkele openheid van zaken gegeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat hierdoor het verwerkingsproces bij nabestaanden wordt bemoeilijkt.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 3 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict. De verdachte heeft in Zwitserland en Frankrijk registraties voor onder meer veroordelingen voor vermogensdelicten en voor handel in verdovende middelen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
De vervolging van de verdachte is op 9 september 2022 aangevangen met zijn inverzekeringstelling. Door de rechtbank is op 21 juni 2024 vonnis gewezen. De redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg is hiermee met ongeveer vijf en een halve maand overschreden. Nu door de verdediging op 21 juni 2024 hoger beroep is ingesteld en het hof op 2 maart 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn voor deze behandeling eveneens overschreden. Deze overschrijding in hoger beroep bedraagt ongeveer vier en een halve maand. Het hof heeft ook de gehele duur van de procedure in ogenschouw genomen.
Het hof zal de geconstateerde overschrijdingen van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en zes maanden zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 62.567,68, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 62.567,68, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Affectieschade
De benadeelde partij heeft € 17.500,00 aan affectieschade gevorderd. Het hof stelt vast dat
de benadeelde partij als moeder van het slachtoffer op grond van artikel 6:108, lid 4, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek aanspraak kan maken op de vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en het hof zal dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Shockschade
De benadeelde partij heeft € 40.000,00 aan shockschade gevorderd. Dit betreft schade die
geleden kan worden door het waarnemen van een strafbaar feit of de gevolgen daarvan. Wat
betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade
sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Bij de benadeelde partij moet een hevige emotionele schok teweeggebracht zijn door het
waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen
ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat
zal zich, zo heeft de Hoge Raad overwogen, met name kunnen voordoen als de benadeelde
partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het
tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is vereist dat het
bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen
slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, al hoeft geen sprake te zijn van een expliciete diagnose. Hiermee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat de emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Shockschade is dus een specifieke vorm van schade. Toegepast op deze zaak stelt het hof het volgende vast.
Drie dagen nadat het slachtoffer in zijn woning was aangetroffen, heeft de benadeelde partij
het lichaam van haar zoon in het ziekenhuis moeten identificeren. Daar werd zij
geconfronteerd met zijn ernstige verwondingen. Buiten kijf staat dat deze confrontatie een
hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht. Het hof kan – net als de rechtbank – uit de overgelegde medische gegevens echter niet opmaken dat sprake is van zodanig geestelijk letsel als gevolg van deze confrontatie dat aanspraak kan worden gemaakt op shockschade. Hetgeen door de advocaat van de benadeelde partij met betrekking tot de (psychische) klachten van de benadeelde partij, zoals vermeld in het door haar huisarts opgemaakte verslag van 17 augustus 2023, naar voren is gebracht, acht het hof onvoldoende voor de vaststelling dat sprake is van dergelijk geestelijk letsel. Een nadere onderbouwing en verdere behandeling van de vordering alvorens mogelijk tot een toewijzing van (een deel van) de shokschadevordering kan worden overgaan, zou naar het oordeel van het hof – mede gelet op het belang van een tijdige berechting – een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Medische verschotten
Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de gevorderde shockschade, komen de kosten voor het opstellen van het verslag door de huisarts ad
€ 67,68 niet voor vergoeding in aanmerking op die grond. Verder is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat dit rechtstreekse schade zou betreffen. Het hof zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Nader te onderbouwen schade
In eerste aanleg heeft de benadeelde partij een bedrag van € 5.000,00 gevorderd aan nader te onderbouwen schade voor het geval de zaak in hoger beroep zal worden behandeld. Het betreft schade die nog niet bekend is en die mogelijk in de toekomst zal ontstaan. Ter terechtzitting in hoger beroep is deze schadepost niet nader (met stukken) onderbouwd. Het hof zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering dan ook - overeenkomstig het verzoek van de advocaat van de benadeelde partij - niet-ontvankelijk verklaren.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 27 mei 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. J.L.D. Timmermans, als voorzitter, mr. H.C. Wiersinga en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2026.