Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001436-23
Parketnummer: 10-146507-21
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Portugees West-Afrika) op [geboortedatum 1] 1975,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [het slachtoffer] , met een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vordering benadeelde partij zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 november 2013 tot en met 21 november 2015 te Rotterdam, (meermalen) (telkens) met [het slachtoffer] ,
geboren op [geboortedatum 2] 1999, zijnde de dochter van hem, verdachte, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer] , te weten het (meermalen)
- Brengen/houden van zijn vinger(s) en/of tong tussen haar schaamlippen en/of
- Strelen en/of betasten van haar borsten en/of billen en/of schaamstreek en/of schaamlippen en/of (overige) lichaam en/of
- Zuigen en/of likken aan en/of knijpen in haar borsten en/of
- Likken aan/van haar schaamstreek en/of schaamlippen en/of (overige) lichaam en/of
- Kussen van haar mond en/of hals;
2.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 november 2013 tot en met 31 augustus 2016 te Rotterdam, (meermalen) (telkens) ontucht heeft gepleegd
met zijn minderjarig kind, te weten [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1999, bestaande die ontucht hierin dat hij (meermalen)
- zijn vinger(s) en/of tong tussen haar schaamlippen heeft gebracht en/of gehouden en/of
- haar borsten en/of billen en/of schaamstreek en/of schaamlippen en/of (overige) lichaam heeft gestreeld en/of betast van en/of
- aan/in haar borsten heeft gezogen en/of gelikt en/of geknepen en/of
- aan haar schaamstreek en/of schaamlippen en/of (overige) lichaam heeft gelikt en/of
- haar mond en/of hals heeft gekust;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering benadeelde partij zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De verklaringen van de aangeefster, worden namelijk niet ondersteund door ander bewijs, aldus de verdediging.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop.
Zedenzaken worden vaak gekenmerkt door het gegeven dat bij een ontkennende verdachte zoals hier aan de orde, naast de verklaring van de aangever of aangeefster weinig of geen ander bewijs voorhanden is. Het gaat daarbij namelijk veelal om zaken waarin de feiten zich in het verborgene afspelen en waarbij het in de kern dus gaat om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte, zoals ook in deze zaak geldt. De belastende verklaring van aangeefster [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ) staat immers tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte.
Bij de beoordeling van het bewijs in dat soort zaken moet het hof de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer beoordelen, bekijken of er ander bewijs in het dossier zit dat die verklaring ondersteunt (daarover hieronder meer), en beoordelen of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn.
Met betrekking tot de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de beschuldiging, geldt het volgende. Volgens de wet kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van alleen de aangeefster) worden bewezen. Ook niet als het hof deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling staat in de wet om er voor te zorgen dat een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Volgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat de handelingen die op de beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan de aangeefster. Het kunnen daarom geen bewijsmiddelen zijn die bestaan uit ‘de auditu’-verklaringen (‘van horen zeggen’). Bijvoorbeeld een getuige die verklaart dat hij de aangeefster iets tegen iemand anders heeft horen zeggen of dat de aangeefster iets aan de getuige heeft verteld. Een dergelijke ‘de auditu’- verklaring is onder omstandigheden wel aan te merken als onderbouwing voor de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, maar het is geen steunbewijs zoals de wet bedoelt. Voor steunbewijs geldt ook, dat het op een voor de beschuldiging relevante wijze in verband moet staan met de verklaring van aangeefster. Van steunbewijs kan wel sprake zijn als de getuigenverklaring een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de handelingen waar de verdachte van wordt beschuldigd of ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of (vlak) daarna.
Het hof overweegt als volgt.
Aangeefster heeft verklaard dat zij in de periode van haar 15e en 16e levensjaar door haar vader (zijnde de verdachte) is misbruikt. Zij heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen ’s nachts gebeurden, als de rest van het gezin sliep, in de slaapkamer van aangeefster waar zij met haar jongere zusje [naam zusje] in een stapelbed sliep. Hier staat tegenover de verklaring van de verdachte, die zowel bij de politie, als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het aan hem tenlastegelegde stellig heeft ontkend.
Ten aanzien van het steunbewijs overweegt het hof het volgende.
In het dossier bevinden zich naast de verklaringen van aangeefster verschillende getuigenverklaringen. Het hof is van oordeel dat de getuigenverklaringen in dit dossier weliswaar zijn aan te merken als onderbouwing voor de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster, maar niet kunnen gelden als steunbewijs. De verklaringen zijn immers uiteindelijk allemaal afkomstig uit één bron, te weten aangeefster. Dit geldt eveneens voor de politieregistraties van de meldingen van [het slachtoffer] (aangeefster) over het misbruik.
Daarnaast is het hof van oordeel dat er zich in dossier geen verklaringen bevinden waarin over zelfstandige, eigen waarnemingen over het misbruik dat zou hebben plaatsgevonden, waargenomen gedragsveranderingen of emoties bij aangeefster gedurende of na de tenlastegelegde periode, wordt verklaard.
Het hiervoor overwogene leidt derhalve tot de conclusie dat het bewijsminimum in deze zaak niet gehaald is. Naar het oordeel van het hof is daarom niet wettig bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [het slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, als voorzitter, mr. J.W. van den Hurk en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 oktober 2026.