ECLI:NL:GHDHA:2026:30

ECLI:NL:GHDHA:2026:30

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 200.339.191/01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Leidingschade. Netbeheerder stelt partij aansprakerlijk wier handelsnaam is vermeld als melder van voorgenomen graafwerkzaamheden onder de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) (thans WIBON). Volgens de aangesproken partij heeft niet zijzelf maar een van haar groepsmaatschappijen die (mede) dezelfde handelsnaam voerde, graafwerkzaamheden verricht. Die groepsmaatschappij was destijds bovendien gevestigd op het in de melding opgegeven adres, de aangesproken partij niet. Het hof oordeelt onvoldoende onderbouwd dat de aangesproken partij de schade heeft veroorzaakt of anderszins voor de graafwerkzaamheden verantwoordelijk was. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank, die de vordering van de netbeheerder had afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.339.191/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/619067 / HA ZA 21-904

Arrest van 27 januari 2026

in de zaak van

Liander N.V.,

gevestigd in Arnhem,

appellante,

advocaat: mr. F.J. van Velsen, kantoorhoudend in Haarlem,

tegen

Volker Wessels Telecom B.V.,

gevestigd in Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.J.H. Rutten, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna Liander en VWT.

1. De zaak in het kort

Liander stelt in deze procedure VWT aansprakelijk voor graafschade. Het hof wijst de vordering af, omdat Liander niet voldoende heeft onderbouwd dat VWT bij de door haar bedoelde graafwerkzaamheden betrokken is geweest of daarvoor verantwoordelijk was.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

3. Feitelijke achtergrond

Liander is en was in de voor deze zaak relevante periode regionaal netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 in onder meer Voorhout, gemeente Teylingen.

VWT behoort tot het Volker Wessels bouwconcern en is de moedervennootschap van meerdere dochtervennootschappen die telecominfrastructuur ontwerpen, bouwen en onderhouden. VWT was in de voor deze zaak relevante periode enig aandeelhouder en enig bestuurder van het toenmalige Volker Wessels Telecom Infratechniek Noordwest B.V. (KvK 08043501) (hierna: VWTINW) en Volker Wessels Telecom Infra B.V. (KvK 32091494) (hierna: VWTInfra).

Op 12 juni 2012 is met het account van het toenmalige VWTInfra een graafmelding gedaan voor graafwerkzaamheden voor het leggen van telecomkabels nabij de [adres 1] met als startdatum 13 juni 2012, met vermelding van “VolkerWessels Telecom” aan de [adres 2] ([betrokkene 1] en diens contactgegevens) als aanvrager, en vermelding van diezelfde “VolkerWessels Telecom”, met dezelfde adresgegevens ([betrokkene 2] en diens contactgegevens), als opdrachtgever.

Op 17 juli 2012 is bij mechanische graafwerkzaamheden nabij de [adres 3] schade toegebracht aan een netonderdeel van Liander, te weten een ondergrondse olietoevoerleiding met kathodische bescherming van een 50 kV oliedruk hoogspanningskabel. De daardoor gelekte kabelolie heeft grondwater en bodem ter plaatse verontreinigd.

Per 31 december 2012 is het toenmalige VWTINW door juridische splitsing opgegaan in twee verkrijgende vennootschappen, waaronder het toenmalige VWTInfra. Deze heeft per 1 januari 2013 haar statutaire naam gewijzigd in Volker Wessels Telecom Infratechniek B.V. (hierna, vanaf die datum: VWTI).

Liander en/of Liandon BV hebben de (gevolg)schade van het op 17 juli 2012 veroorzaakte lek doen inventariseren en herstellen. Liander heeft VWT voor deze schade aansprakelijk gesteld.

4. Procedure bij de rechtbank; vordering in hoger beroep

Liander heeft VWT gedagvaard en gevorderd haar te veroordelen tot betaling van € 141.661,-, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft Liander niet ontvankelijk verklaard in haar vordering, met veroordeling van Liander in de kosten.

In hoger beroep vordert Liander vernietiging van het vonnis van de rechtbank en alsnog toewijzing van haar vordering uit de eerste aanleg, met veroordeling van VWT in de kosten van beide instanties. VWT concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Liander in de kosten van het hoger beroep.

5. Beoordeling in hoger beroep

Bij voorgenomen graafwerkzaamheden (‘grondroeren’) is de grondroerder – degene onder wiens verantwoordelijkheid of leiding de graafwerkzaamheden zullen worden verricht – verplicht om zijn voornemen te melden bij het kadaster. Het geautomatiseerd systeem van het kadaster waarin deze melding – ook wel aanvraag genoemd – binnenkomt zorgt er vervolgens voor dat informatie over ondergrondse netten in het beoogde graafgebied aan de melder c.q. aanvrager beschikbaar wordt gesteld. De grondroerder kan en moet dan op zorgvuldige wijze rekening (laten) houden met deze informatie bij het verrichten van de voorgenomen graafwerkzaamheden, ten einde schade aan ondergrondse netwerken zoveel als mogelijk te voorkomen. Tegenwoordig is dit geregeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse en bovengrondse netten en netwerken (WIBON). Destijds gold in essentie eenzelfde regeling in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION).

Als een grondroerder zijn zorgplicht onder de WI(B)ON niet naleeft en bij de graafwerkzaamheden treedt ten gevolge van deze nalatigheid schade op aan een ondergronds net, dan kan in beginsel worden aangenomen dat de grondroerder voor de schade aansprakelijk is.

Liander legt aan haar vordering samengevat de stelling ten grondslag dat (i) de graafmelding van 12 juni 2012 (hiervoor, 3.3) door of namens VWT is gedaan, (ii) zij aldus moet worden aangemerkt als grondroerder voor het desbetreffende werk, (iii) zij uit het geautomatiseerd systeem van het kadaster informatie inzake de hoogspanningsleiding van Liander heeft toegezonden gekregen, (iv) zij van deze informatie echter geen kennis heeft genomen voorafgaand aan het verrichten van de graafwerkzaamheden, (v) deze onzorgvuldigheid de beschadiging aan het netwerk van Liander heeft veroorzaakt, en daarom (vi) zij tegenover Liander aansprakelijk is voor de schade.

Haar stelling (i) dat de graafmelding door of namens VWT is gedaan, of geacht moet worden te zijn gedaan, baseert Liander op het gegeven dat “VolkerWessels Telecom” – de naam die in de graafmelding is vermeld als aanvrager (en opdrachtgever) – de in het handelsregister geregistreerde handelsnaam van VWT is. Ook wijst zij erop dat de hoedanigheid van grondroerder past bij de bedrijfsactiviteiten die VWT blijkens het handelsregister uitvoert: het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels (SBI 4222). En voor zover de aanduiding van de aanvrager in de KLIC-melding niet duidelijk of eenduidig mocht worden geoordeeld, komt dit voor risico van VWT – aldus Liander.

VWT betwist dat de graafmelding door of namens haar is gedaan, en ook overigens dat zij op enigerlei wijze – feitelijk als uitvoerder of op andere wijze – bij de graafwerkzaamheden in kwestie betrokken is geweest, of daarvoor verantwoordelijk is. Zij stelt dat de melding is gedaan ten behoeve van het toenmalige VWTINW. Die heeft volgens VWT ook de graafwerkzaamheden uitgevoerd conform de melding (overigens, volgens VWT, zonder de gestelde schade te veroorzaken). Het desbetreffende bedrijfsonderdeel is bij de splitsing van 31 december 2012 overgegaan naar VWTI, aldus VWT. De handelsnaam “VolkerWessels Telecom” wordt en werd volgens VWT destijds door haar hele concern gebruikt, waaronder VWTINW. De benaming “VolkerWessels Telecom” is volgens VWT wat dit betreft dus niet onderscheidend. Daarbij komt, aldus VWT, dat het opgegeven adres [adres 2] destijds het feitelijke en ook in het handelsregister geregistreerde bedrijfsadres van VWTINW was, niet van VWT.

Naar het oordeel van het hof mocht en mag Liander op grond van de graafmelding niet aannemen dat met de daarin vermelde aanvrager “VolkerWessels Telecom” en de daarbij vermelde verdere gegevens, VWT werd aangeduid, om de volgende redenen:

Er is geen enkel (ander) feitelijk en door Liander aangevoerd aanknopingspunt dat VWT rechtstreeks of anderszins bij de graafwerkzaamheden betrokken was of daarvoor verantwoordelijk was en/of dat Liander dat mocht veronderstellen.

Voor Liander (en andere derden) moest duidelijk zijn dat als aanvrager (“VolkerWessels Telecom”) niet een statutaire naam van een besloten vennootschap werd genoemd, vanwege het ontbreken van de toevoeging B.V. of besloten vennootschap, maar een – kennelijke – handelsnaam. Weliswaar voerde VWT in die tijd als (in het handelsregister geregistreerde) handelsnaam “VolkerWessels Telecom”, en waren er voor zover uit het dossier blijkt ook geen andere groepsvennootschappen die exact die naam in het handelsregister als handelsnaam hadden geregistreerd, maar dat sloot niet uit dat ook andere (gelieerde) ondernemingen die (alsdan niet geregistreerde) handelsnaam voerden. Niet voldoende gemotiveerd weersproken is dat dit ook werkelijk zo was, te weten dat groepsmaatschappijen ook die naam voerden. Dat geldt in elk geval ook voor het toenmalige VWTINW. De aanduiding “VolkerWessels Telecom” impliceerde dus niet noodzakelijk dat VWT werd aangeduid.

Onweersproken is dat VWT haar bedrijfsadres destijds niet had op de [adres 2], en ook nooit heeft gehad. Volgens de overgelegde historische gegevens uit het handelsregister had het toenmalige VWTINW dat adres destijds wél als bedrijfsadres geregistreerd. Datzelfde geldt overigens voor het toenmalige VWTInfra (thans VWTI), maar het gaat er hier niet om welke van deze twee vennootschappen de aanvrager was, maar of VWT dat was. Het hof acht overigens voldoende aannemelijk dat VWTINW haar bedrijfsadres niet alleen volgens het handelsregister maar ook feitelijk op de [adres 2] had, gelet op de foto uit 2014 van de panden op die adressen, waarop het logo van VolkerWessels Telecom is te zien. De foto uit 2009 van [adres 2] die Liander heeft overgelegd, waarop dat logo niet is te zien, doet aan deze bevinding geen afbreuk: volgens de overgelegde historische gegevens uit het handelsregister was VWTINW eerst per 22 maart 2010 op dat adres ingeschreven, tot – na de splitsing en verkrijging door thans VWTI – 31 augustus 2015. Het toenmalige VWTInfra, later VWTI, was zelf sinds 1 februari 2010 op dat adres ingeschreven.

VWTINW had, evenals VWT, als geregistreerde bedrijfsactiviteit het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels (SBI 4222).

Voor zover sprake was van een (voor Liander) onvoldoende duidelijke KLIC-melding c.q. identificatie van de aanvrager, was de feitelijk melder (in het voorliggende geval VWTInfra, de houdster van het account waarmee de melding is gedaan) hierop aan te spreken, en zou deze eventueel aansprakelijk kunnen zijn als schade zou worden geleden door de onduidelijke vermelding. Er is geen grond een (rechts)persoon als aansprakelijk grondroerder aan te merken op de enkele grond dat zijn naam met bepaalde gegevens van de opgegeven aanvrager kan worden geassocieerd, zonder dat hij in die hoedanigheid kan worden geïdentificeerd.

Liander heeft nog aangevoerd dat VolkerWessels Telecom-vennootschappen bij andere graafmeldingen steeds specifieke bedrijfsbenamingen hebben gebruikt. Daaruit is af te leiden, zo begrijpt het hof Liander, dat daarbij steeds zorgvuldigheid werd betracht, dat niet generiek steeds “VolkerWessels Telecom” als generieke handelsnaam werd gebezigd, en dat dus waar “VolkerWessels Telecom” als bedrijfsnaam werd gebezigd, (zorgvuldig) werd gedoeld op de enige vennootschap van het concern die specifiek die handelsnaam had geregistreerd: VWT. Ook deze stellingname brengt het hof niet tot een ander oordeel. Uit het door Liander overgelegde overzicht is niet af te leiden dat met de vermelding “VolkerWessels Telecom” als melder of opdrachtgever steeds VWT werd aangeduid, en evenmin dat dit in het voorliggende geval zo was.

Liander stelt nog dat zij er op grond van latere door of namens VWT gedane mededelingen in redelijkheid op heeft mogen vertrouwen dat VWT de grondroerder in kwestie was, en dat VWT de nu door haar gestelde onjuistheid van die veronderstelling niet aan haar mag tegenwerpen (artikel 3:36 BW). Volgens Liander was in de eerste correspondentie tussen haar expert LiBerty en KAM-coördinator [expert] uitsluitend sprake van VWT. Liander stelde daarop VWT aansprakelijk en gebruikte daarvoor naam en adres zoals opgegeven in de graafmelding, en op deze aansprakelijkstelling werd feilloos gereageerd door VWT – aldus Liander.

Het hof volgt Lander niet in deze stellingname omdat deze de feitelijke gang van zaken miskent. In de correspondentie die zich aanvankelijk over deze kwestie had ontwikkeld tussen LiBerty en [expert] was de identiteit van de grondroerder/graafmelder niet specifiek voorwerp van onderzoek/navraag. In zijn e-mail van 7 januari 2013 schreef [expert] kort gezegd dat “VolkerWessels Telecom” de schade niet had veroorzaakt; in zijn daaropvolgende e-mail van 1 februari 2013 is het logo c.q. de (handels)naam VolkerWessels Telecom te zien en hij ondertekent, evenals in zijn eerdere e-mail, met VolkerWessels Telecom | Infratechniek (op dat moment de in het handelsregister geregistreerde handelsnaam van VWTI). Over de identiteit van “VolkerWessels Telecom” wordt noch van de zijde van [expert] noch van die van LiBerty gesproken. Hierop volgde ongeveer twee jaar later (6 februari 2015) een brief van bedrijfsjurist [bedrijfsjurist] van Liandon namens Liander aan “VolkerWessels Telecom” t.a.v. [expert] op een postbusadres (niet het in de graafmelding vermelde adres) met een aansprakelijkstelling. Een bedrijfsjurist van “VolkerWessels Telecom” antwoordde enkele dagen later, op briefpapier dat VWT vermeldt, en verzoekt, zonder aansprakelijkheid te erkennen, onder meer om toezending van de door [bedrijfsjurist] bedoelde graafmelding. Uit deze gang van zaken, in het bijzonder ook de omstandigheid dat eenmalig op briefpapier van VWT om informatie is gevraagd betreffende een aansprakelijkstelling van “VolkerWessels Telelecom”, kon Liander niet in redelijkheid afleiden, en mocht zij er niet in redelijkheid op vertrouwen, dat VWT de aanvrager c.q. grondroerder was die, of ten behoeve van wie, de graafmelding had respectievelijk was gedaan. Daarbij merkt het hof nog op dat artikel 3:36 BW uitsluitend degene beschermt die heeft gehandeld op grond van het gestelde redelijke vertrouwen, en Liander daarover niet duidelijk stelling heeft genomen. In de stellingen van Liander (in hoger beroep) is in elk geval niet te lezen dat zij door (haar gerechtvaardigd vertrouwen op) de eerdere mededelingen/gedragingen van VWT – waaruit zij meende te mogen afleiden dat deze de aansprakelijk te stellen partij was – een rechtsvordering op VWTI heeft laten verjaren (voordat VWTI zich met haar brief van 23 november 2017 als grondroerder van het op 12 juni 2012 aangemelde werk had bekendgemaakt, en de onjuistheid van de veronderstelling van Liander duidelijk werd). Een dergelijke stellingname zou Liander overigens ook niet kunnen baten. Weliswaar heeft VWTI in haar brief van 23 november 2017 het standpunt ingenomen dat een rechtsvordering op haar in verband met de gestelde graafschade intussen was verjaard, maar dat standpunt was onjuist. Liander wist dat bovendien, althans kon dat weten, in de eerste plaats omdat zij niet eerder dan begin december 2012 (d.w.z. minder dan vijf jaar voor de bedoelde brief van VWTI) überhaupt bekend was geworden met de schade (en de verjaringstermijn van vijf jaar niet eerder kon aanvangen), en daarnaast omdat zij ervan mocht uitgaan dat zij met haar brief van 6 februari 2015 aan “VolkerWessels Telecom” (hiervoor, 5.8) de verjaring reeds had gestuit.

Voor het geval dat mocht worden geoordeeld dat VWTINW destijds de aanvrager ter zake van de graafmelding was – en deze voorwaarden is met het voorgaande vervuld –, voert Liander tot slot aan dat VWT op grond van artikel 6:171 BW aansprakelijk is omdat VWTINW als haar hulppersoon de graafwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van VWT (dat VWTINW bij deze graafwerkzaamheden haar tussenpersoon zou zijn) heeft Liander dit standpunt echter onvoldoende onderbouwd.

De conclusie is dat het hoger beroep van Liander niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Liander als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van VWT op:

griffierecht € 5.661,-

salaris advocaat € 5.358,- (1,5 punten × appeltarief V)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 11.197,-

6. Beslissing

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. G.J.M. Verburg en mr. S.H.M.A Dumoulin en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?