Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-000696-26
Parketnummer: 10-242664-25
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2026 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden van – kort gezegd – een contactverbod en een locatieverbod – alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Vordering van de advocaat-generaal
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in de periode van 7 februari 2025 tot en met 8 februari 2025 te Rotterdam met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het tongzoenen van die [het slachtoffer] en
- het betasten van de borsten van die [het slachtoffer] en
- het met ontbloot lichaam en/of ontbloot geslachtsdeel liggen op die [het slachtoffer] en vervolgens heen en weer te bewegen en
- het betasten van de vagina van die [het slachtoffer] met zijn, verdachtes, penis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tongzoenen van het slachtoffer zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 7 februari 2025 tot en met 8 februari 2025 te Rotterdam met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [het slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het tongzoenen van die [het slachtoffer] en
- het betasten van de borsten van die [het slachtoffer] en
- het met ontbloot lichaam en/of ontbloot geslachtsdeel liggen op die [het slachtoffer] en vervolgens heen en weer te bewegen en
- het betasten van de vagina van die [het slachtoffer] met zijn, verdachtes, penis.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De verdachte heeft – kort samengevat – verklaard dat het klopt dat hij zijn (achter)nichtje [het slachtoffer] heeft gezoend en getongzoend, en dat het klopt dat hij op haar is gaan liggen. De andere dingen die hij volgens [het slachtoffer] heeft gedaan – het betasten van de borsten van [het slachtoffer] , het met ontbloot geslachtsdeel op [het slachtoffer] liggen en heen en weer bewegen, en het betasten van haar vagina met zijn penis – kan hij zich niet meer herinneren. Hij had die avond heel veel geblowd. [het slachtoffer] ging volgens de verdachte mee in het zoenen en het tongzoenen.
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de versies van de verdachte en [het slachtoffer] over wat er precies is gebeurd die nacht, uiteen lopen, dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van [het slachtoffer] en dat [het slachtoffer] het gebeurde achteraf heel anders heeft beleefd dan hoe het daadwerkelijk was, namelijk dat de handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden.
Het oordeel van het hof
Artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) stelt in beginsel alle seksuele handelingen, gepleegd met jeugdigen beneden de leeftijd van zestien jaar strafbaar, ter bescherming van deze jeugdigen. Onder omstandigheden kan bij deze seksuele handelingen het ontuchtige karakter en daarmee de wederrechtelijkheid ontbreken. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat van ontuchtige handelingen sprake is wanneer seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De ontuchtigheid van het handelen kan bijvoorbeeld ontbreken als sprake is van vrijwillig seksueel contact tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. De vraag of de handelingen ontuchtig zijn, dient steeds te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. Hoewel daarvoor in het algemeen geen scherpe afgrenzing kan worden gegeven, dient in elk geval wel sprake te zijn van een zekere gelijkwaardigheid.
Het hof stelt voorop dat [het slachtoffer] 13 jaar was toen de seksuele handelingen tussen haar en de verdachte plaatsvonden. De verdachte was op dat moment 18 jaar. Zij scheelden dus 5 jaar in leeftijd. Zeker voor een meisje van 13 is dat geen gering leeftijdsverschil. Daaruit volgt dat, ook als [het slachtoffer] vrijwillig zou hebben meegedaan aan de seksuele handelingen – wat naar het oordeel van het hof overigens niet het geval is geweest – sprake is van ontuchtige en daarmee strafbare seksuele handelingen.
De vraag die dan vervolgens moet worden beantwoord, is de vraag of de verdachte [het slachtoffer] “slechts” getongzoend en gezoend heeft, en “slechts” op haar is gaan liggen, of dat ook de andere handelingen waarover [het slachtoffer] heeft verklaard hebben plaatsgevonden.
Bij zedenzaken - waarin het vaak enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van de aangever of aangeefster betreft – komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door de aangever of aangeefster verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter geen betrekking te hebben op iedere tenlastegelegde gedraging. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangever of aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de aangever/aangeefster en dat dit in beginsel niet afkomstig mag zijn van dezelfde bron. Daar komt bij dat tussen die verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Bij de beantwoording van de vraag wat er nu precies is gebeurd, stelt het hof voorop dat de verdachte, anders dan de raadsvrouw lijkt te suggereren, niet zo zeer ondubbelzinnig ontkent dat de andere handelingen hebben plaatsgevonden, maar dat hij zich op het standpunt stelt dat hij door het vele blowen die avond zich van die andere handelingen niets meer kan herinneren. Dat is iets anders dan dat ze niet zijn gebeurd en daarmee is de verklaring van de verdachte al een stukje steunbewijs, helemaal omdat hij het tongzoenen, het zoenen en het op [het slachtoffer] gaan liggen in elk geval bekent, zij het dat de verdachte zegt dat hij zijn kleren toen aan had.
Verder trekt de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaring van [het slachtoffer] ook niet zo zeer in twijfel, maar stelt de verdediging zich op het standpunt dat [het slachtoffer] de dingen achteraf heel anders heeft beleefd. Voorzover dat toch een discussiepunt zou zijn, merkt het hof op dat het hof in elk geval geen enkele reden ziet om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [het slachtoffer] te twijfelen. Ze verklaart – zeker op hoofdlijnen – consistent en maakt de dingen ook niet groter dan ze zijn. Zo verklaart ze bij de politie heel duidelijk: “Ik voelde zijn piemel tegen mijn vagina, erop. Niet erin of tussen mijn schaamlippen, gewoon erop.”.
De verklaring van [het slachtoffer] vindt, behalve in de verklaring van de verdachte, ook steun in andere bewijsmiddelen. Zo heeft ze direct nadat het gebeurd was, een bericht gestuurd naar een nichtje van haar tegen wie ze in het verleden ook al had verteld dat de verdachte aan haar had gezeten op een manier die ze niet fijn vond. Dat nichtje sliep op dat moment, maar was de enige persoon aan wie ze eerder dingen over de verdachte had verteld en die ze op dit punt kennelijk vertrouwde. Ook haar verdere reactie direct nadat het gebeurd was, waarover haar moeder heeft verklaard, is steunbewijs voor haar verklaring. Aanvankelijk was ze erg boos toen ze thuiskwam en heeft ze zich een week lang teruggetrokken op haar kamer en met niemand gesproken over wat er was gebeurd. Pas daarna heeft ze alles aan haar moeder verteld, waarbij ze heel erg begon te huilen.
Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verklaring van [het slachtoffer] betrouwbaar is en voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen, die bovendien niet allemaal uit één bron komen, zodat het feit wettig en overtuigend bewezen is.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met zijn destijds 13 jarige (achter)nichtje. Dit is een ernstig feit. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het jonge slachtoffer. Het slachtoffer sliep in de slaapkamer van de woning van haar oma, een plek waar zij zich veilig waande. Ook het feit dat de ontuchtige handelingen met haar werden gepleegd door haar oudere neef, bij wie zij zich als familielid juist veilig zou moeten kunnen voelen en op wie ze zou moeten kunnen vertrouwen, maakt het extra kwalijk. Dat het bewezenverklaarde ook daadwerkelijk een zeer negatieve impact heeft gehad op het slachtoffer blijkt uit haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Het is daarnaast ook algemeen bekend dat seksueel misbruik psychische schade kan opleveren en dat dit kan voortduren, ook vele jaren nadien.
Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies over de verdachte d.d. 11 februari 2026, waaruit volgt dat het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Op de praktische leefgebieden bestaan geen (delictgerelateerde) problemen. Er is lopende hulpverlening met aandacht voor de seksuele ontwikkeling van de verdachte. De verdachte woont bij zijn moeder en broers en zij zijn steunend voor hem. Na de aangifte door het slachtoffer kreeg de verdachte last van angst en paniekgevoelens. Hij voelde zich depressief en zag het leven niet meer zitten. Er volgde een intensief behandeltraject waardoor hij momenteel weer emotionele stabiliteit ervaart. Hij volgt een mbo-opleiding en er is geen sprake van schuldenproblematiek. Ondanks dat cannabisgebruik mogelijk wel delictgerelateerd is geweest, zijn er geen aanwijzingen voor middelenmisbruik op het moment van het opstellen van de rapportage. De reclassering ziet echter wel aanwijzingen dat cannabisgebruik een invloed heeft gehad op de besluitvorming en impulscontrole van de verdachte. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat de kans op recidive laag wordt ingeschat en omdat er hulpverlening is die ook aandacht heeft voor de seksuele ontwikkeling van de verdachte, waaraan de verdachte goed meewerkt en heeft meegewerkt.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij klaar is met het eerste jaar van zijn (sport)opleiding, maar dat zijn droom is om in de zorg te werken. De verdachte wil zijn opleiding afmaken en daarna toch werk in de zorg vinden. Hij is inmiddels gestopt met blowen en gaat wekelijks naar therapie, waartoe hij zelf initiatief heeft genomen. Dit laatste weegt het hof in het voordeel van de verdachte mee.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan in eerste aanleg ziet het hof, met de advocaat-generaal, geen aanleiding meer om een locatie- en contactverbod op te leggen.
Schadevergoedingsmaatregel [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich niet gevoegd en geen vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde. De raadsvrouw van [het slachtoffer] heeft echter ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om gebruik te maken van zijn ambtshalve bevoegdheid ex artikel 36f Sr om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .
De raadsvrouw heeft in dit verband aangevoerd dat in eerste instantie is afgezien van voeging als benadeelde partij in het strafproces en het indienen van een vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte en het slachtoffer familie van elkaar zijn en het slachtoffer de door het strafbare feit verstoorde familiebanden met het indienen van een vordering niet nóg verder onder druk wilde zetten. Omdat de verdachte in hoger beroep is gegaan, voelt het voor het slachtoffer en haar familie echter alsof de verdachte zijn verantwoordelijkheid voor het gebeurde afwijst. Daarbij komt dat het slachtoffer nog steeds veel last heeft van hetgeen haar is overkomen. Zij stelt nog dagelijks de gevolgen daarvan te ondervinden. Haar vertrouwen in mensen en vooral in mannen is aangetast, zij heeft aanmerkelijk minder plezier in het leven en voelt zich vaak onveilig, aldus de raadsvrouw. De gevolgen zijn, gelet op de leeftijd van het slachtoffer ten tijde van het feit en de aard van het bewezenverklaarde, voor haar ingrijpend geweest, zo stelt zij. Daarom heeft zij verzocht een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen ter vergoeding van de immateriële schade van [het slachtoffer] .
De raadsvrouw heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, hoofdstuk 15.3 onder b. Mede gelet daarop heeft zij het hof verzocht een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer aan de verdachte op te leggen voor een bedrag van € 3.500,00.
De advocaat-generaal heeft aangegeven dat zij een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer niet op zijn plaats vindt. Ook de raadsvrouw van de verdachte heeft aangegeven zich te verzetten tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Waar de rechtbank aanleiding zag om naast de taakstraf ook nog een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, vindt het hof het, gelet op alle omstandigheden van deze zaak, belangrijker dat de verdachte een vergoeding aan zijn nichtje betaalt voor de psychische schade die zij als gevolg van zijn handelen heeft geleden, omdat dat door haar, zo begrijpt het hof de toelichting van haar advocaat, zal worden gezien als een soort genoegdoening en een vorm van het aanvaarden van zijn verantwoordelijkheid voor wat er is gebeurd.
Het hof is daarbij van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde normschending door de verdachte meebrengen dat de door het slachtoffer gestelde nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen maatregel heeft het hof gekeken naar wat doorgaans in vergelijkbare zaken aan immateriële schadevergoeding wordt toegekend en naar de Rotterdamse Schaal. Het hof zal de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel daarom vaststellen op een bedrag van € 3.500,00. Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd om dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] , vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 februari 2025.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 4 (vier) maanden hechtenis.
Schadevergoedingsmaatregel [het slachtoffer]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 februari 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, mr. J.A.M. Jansen en mr. E.J. Spaans, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 oktober 2026.