GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer wrakingszaak : 200.364.590/02Zaaknummer hoofdzaak : 200.364.590/01
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 28 oktober 2026
inzake het mondeling verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak van:
[verzoeker],
wonend in [woonplaats],
verzoeker,
advocaat: mr. M.A.M. Lem, kantoorhoudend in Breda.
Het geding
1. In de hoofdzaak onder genoemd zaaknummer tussen verzoeker en EY Advisory Netherlands LLP als verweerster (hierna: verweerster in de hoofdzaak) heeft op 1 oktober 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is tijdens de zitting namens verzoeker een schriftelijk verzoek, dat ter zitting is voorgedragen, tot wraking gedaan van de raadsheren mr. J.W. Frieling, voorzitter, en mr. B.R. ter Haar, lid (hierna: de raadsheren).
2. De raadsheren hebben de wrakingskamer laten weten niet de berusten in de wraking.
3. De wrakingskamer heeft naast voornoemd proces-verbaal van de mondelinge behandeling en het schriftelijke wrakingsverzoek, kennisgenomen van de e-mailcorrespondentie tussen het hof en partijen van 8, 15 en 28 september 2026.
Het wrakingsverzoek
4. Als gronden voor het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangevoerd dat sprake is van:
(1) schijn voor vooringenomenheid, nu de raadsheren op 15 maart 2022 een kort geding arrest hebben gewezen tussen dezelfde partijen;
(2) ondoorzichtige zaakstoedeling, omdat de raadsheren op deze zaak zijn ingedeeld en het hof heeft geweigerd de door verzoeker ingediende schriftelijke vragen over de objectieve zaaktoedeling in het licht van Europese regelgeving, volledig te beantwoorden;
(3) “ “Actuele weigering procesrecht”, omdat de raadheren hebben geweigerd vooraf te beslissen over de niet-ontvankelijkheid van verweerster in de hoofdzaak.
Beoordeling van het wrakingsverzoek
5. Op grond van artikel 37 Rv en artikel 1 lid 5 van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag, wordt een wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
6. Bij e-mail van 8 september 2026, verstuurd om 7:26 uur, heeft het hof het volgende aan partijen laten weten:
“[...] Het hof is voornemens ter zitting van 1 oktober 2026 eerst het incidenteel verzoek te bespreken met partijen en aansluitend het verzoek in de hoofdzaak. Daarna zal het hof zich beraden over de te nemen beslissing(en). [...]”.
Bij e-mail van diezelfde datum, verstuurd om 7:31 uur, heeft het hof aan partijen medegedeeld:
“[...] De combinatie van het hof zal bestaan uit de raadsheren Frieling, Ruizeveld en Ter Haar. [...]”.
Naar aanleiding van vragen van mr. Lem over de zaakstoedeling heeft het hof partijen bij e-mail van 15 september 2026 bericht:
“[…] De teamvoorzitter heeft deze zaak aangemerkt als een vervolgzaak die toedeling op maat vergt. Onder vervolgzaken worden zaken verstaan tussen dezelfde partijen waarin samenhangende feiten of belangen aan de orde zijn. Omdat deze combinatie al bekend is met een deel van het onderliggende feitencomplex kwam het daarom efficiënt voor dat deze raadsheren dit herroepingsverzoek behandelen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze raadsheren niet betrokken waren bij de uitspraak die ter herroeping voor ligt […].”
Diezelfde dag heeft mr. Lem aanvullende vragen over de zaakstoedeling gesteld. Het hof heeft partijen naar aanleiding daarvan bij e-mail van 28 september 2026 bericht:
“In antwoord op uw e-mail van 15 september 2026 laat het Hof u weten in uw (vervolg)vragen geen aanleiding te zien tot een nadere toelichting op de toedeling van deze zaak aan de betrokken raadsheren.”
7. De door verzoeker aangedragen omstandigheden voor wrakingsgronden (1) en (2) hebben in de kern genomen beide betrekking op de omstandigheid dat de raadsheren op de hoofdzaak zijn ingedeeld terwijl zij arrest hebben gewezen in een eerdere zaak tussen dezelfde partijen. Deze omstandigheid was verzoeker reeds bekend op 8 september 2026, toen het hof partijen op de hoogte heeft gesteld van de combinatie. Verzoeker heeft daarin destijds geen aanleiding gezien om de raadsheren te wraken. Het wrakingsverzoek is pas gedaan tijdens de mondelinge behandeling op 1 oktober 2026. Dat is te laat. Het tijdsverloop is naar het oordeel van de wrakingskamer zodanig, dat niet gezegd kan worden dat het wrakingsverzoek is gedaan “zodra” de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden, dan wel redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn, zoals artikel 37 Rv vereist.
8. Hetzelfde geldt voor wrakingsgrond (3). Deze grond heeft betrekking op de omstandigheid dat de raadsheren niet voorafgaand aan de behandeling van het verzoek in de hoofdzaak, hebben beslist op het beroep van verzoeker op niet-ontvankelijkheid. Verzoeker was reeds op 8 september 2026 op de hoogte van deze omstandigheid. Toen is hem immers bericht dat eerst het incidenteel verzoek en aansluitend het verzoek in de hoofdzaak met partijen zou worden besproken, en dat het hof zich daarna zou beraden over de te nemen beslissing(en)van het incidenteel verzoek. Verzoeker heeft echter pas op de zitting van 1 oktober 2026 een wrakingsverzoek ingediend. Dat is te laat.
9. Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is ten aanzien van de wrakingsgronden (1) tot en met (3).
10. Voor zover wrakingsgrond (2) aldus moet worden begrepen dat deze mede betrekking heeft op de e-mail van het hof van 28 september 2026 (de mededeling dat het hof geen aanleiding ziet een nadere toelichting te geven op de wijze van toedeling) overweegt de wrakingskamer dat de toedeling van de rechtszaken plaatsvindt onder eindverantwoordelijkheid van het gerechtsbestuur (zie de Code zaakstoedeling, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) en niet van de raadsheren. Reeds hierom kan deze grond niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. Overigens is er geen sprake geweest van een weigering om schriftelijke vragen over de toedeling te beantwoorden. Het hof heeft verzoeker immers bij e-mail van 15 september 2026 volledig in kennis gesteld over de wijze waarop de toedeling van de hoofdzaak heeft plaatsgevonden.
11. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verzoeker niet-ontvankelijk is, althans het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. De wrakingskamer ziet af van een behandeling van het verzoek ter zitting op de voet van artikel 4 lid 2 aanhef en onder a van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
Beslissing
De wrakingskamer van het hof:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk ten aanzien van wrakingsgronden (1), (2) en (3);
- wijst af het wrakingsverzoek ten aanzien van wrakingsgrond (2) voor zover dat betrekking heeft op de e-mail van het hof van 28 september 2026;
- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de advocaten van verzoeker respectievelijk verweerster in de hoofdzaak, alsmede aan de raadsheren.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.E. Honée, J. Candido en W.S. Korteling, en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.