Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001831-25
Parketnummer: 96-394846-24
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 2 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te 0000 (Land onbekend) op [geboortedatum] 1980,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
Volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de verdachte in eerste aanleg door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, te betalen in 5 termijnen van elk € 200,- per maand, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden, geheel voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is volmacht verleend tot instelling van hoger beroep tegen het bestreden vonnis middels de aan de griffie van de rechtbank Zeeland West-Brabant, locatie Breda, gerichte volmacht om hoger beroep in te stellen “tegen het vonnis van de politierechter Rechtbank Zeeland-West Brabant (locatie Breda) van 2 juni 2025, onder parketnummer 96-394846-24”.
Blijkens de akte rechtsmiddel is het hoger beroep met gebruik van deze volmacht vervolgens ingesteld ter griffie van de rechtbank Rotterdam, waarbij de rechter die het bestreden vonnis wees is aangeduid als “de politierechter in deze rechtbank, locatie Breda.”
Vervolgens zijn de stukken van het geding gezonden aan de griffier van het gerechtshof Den Haag
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 augustus 2024 te Rotterdam als degene van wie ingevolge
artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld
rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven
rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs
was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de
Waalhaven Z.Z., een motorrijtuig, (bedrijfsauto (bestelauto)), van de categorie of
categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder
heeft doen besturen;
2.
hij op of omstreeks 26 augustus 2024 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als
degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bedrijfsauto
(bestelauto) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet
1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te
verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht
te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting
gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het
onderzoek gegeven aanwijzingen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof zich onbevoegd verklaart en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof over de voortzetting van het hoger beroep.
Bevoegdheid van het gerechtshof Den Haag
Het hof overweegt als volgt:
Voor de bevoegdheid van het gerechtshof Den Haag om over de daarvoor vatbare vonnissen in strafzaken in hoger beroep te oordelen is naar luid van artikel 60, eerste lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO) bepalend of sprake is van een door een in zijn ressort gelegen rechtbank gewezen vonnis. Voor vonnissen van de rechtbank Rotterdam is dat het geval; de rechtbank Zeeland-West-Brabant is daarentegen in het ressort van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gelegen.
Vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant dienen voor de toepassing van deze bevoegdheidsregeling evenwel te worden aangemerkt als vonnissen van de rechtbank Rotterdam indien zij door de rechtbank Zeeland-West-Brabant zijn gewezen in de hoedanigheid waarin die rechtbank is aangewezen in de Regeling van de Minister van Rechtsbescherming van 5 februari 2024, nummer 5151002, de Tijdelijke aanwijzing rechtbank Zeeland-West-Brabant voor enkelvoudige strafzaken in eerste aanleg van de rechtbank Rotterdam (hierna: de Regeling). Kort gezegd is in deze Regeling de rechtbank Zeeland-West-Brabant aangewezen als rechtbank waarvan de zittingsplaatsen voor de periode van 1 maart 2024 tot 1 maart 2027 mede zijn aangemerkt als zittingsplaatsen van de rechtbank Rotterdam.
Het hof dient dan ook allereerst vast te stellen of het gerecht dat het bestreden vonnis heeft gewezen dat deed in de aan de Regeling te ontlenen hoedanigheid.
Artikel 1 van de Regeling luidt:
Voor de behandeling van enkelvoudige strafzaken die aanhangig zijn gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, wordt de rechtbank Zeeland-West-Brabant aangewezen als rechtbank waarvan de zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen tijdelijk mede worden aangemerkt als zittingsplaatsen onderscheidenlijk overige zittingsplaatsen van de rechtbank Rotterdam, als bedoeld in artikel 46a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Regeling heeft grondslag in artikel 46a, eerste lid, RO, volgens welke bepaling de Minister ten behoeve van een in de aanwijzing te bepalen categorie of categorieën van zaken een dergelijke aanwijzing kan geven indien dit noodzakelijk is als gevolg van gebrek aan voldoende zittingscapaciteit binnen het arrondissement waarin de andere rechtbank is gelegen.
In de Regeling is daaraan gevolg gegeven door de aanwijzing te geven voor de behandeling van enkelvoudige strafzaken die aanhangig zijn gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. Dat betekent naar de maatstaf van artikel 258, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dat de dagvaarding bepalend is voor de vraag of een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant moet worden aangemerkt als vonnis van de rechtbank Rotterdam.
De officier van justitie van het CVOM heeft de verdachte, wonende te [plaats] , Kroatië, op 17 maart 2025 gedagvaard om te verschijnen voor de Politierechter, Stationslaan 10 te Breda.
Naar het oordeel van het hof kan daaraan geen andere betekenis worden toegekend dan dat de verdachte is gedagvaard voor de enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, dat de zaak daarmee aanhangig is gemaakt voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant en dat de zaak derhalve niet aanhangig is gemaakt voor de rechtbank Rotterdam.
Dit brengt mee dat het bestreden vonnis niet kan worden aangemerkt als vonnis van de rechtbank Rotterdam. Het vonnis is gewezen door de rechtbank Zeeland-West-Brabant en daarmee door een rechtbank in het ressort van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, zodat niet het gerechtshof Den Haag, maar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch bevoegd is om in hoger beroep over dat vonnis, voor zover daarvoor vatbaar, te oordelen.
Het hof onderschrijft dat door deze procedurele wending de belangen van de verdachte, wie het slechts te doen is om gehoor voor zijn strafmaatverweer, in het gedrang dreigen te komen. Het hof acht zich gelet op de zaak overstijgende betekenis van deze kwestie evenwel niet vrij om ter tegemoetkoming aan de belangen van de verdachte de wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de gerechtshoven te negeren.
Daarenboven is met de dagvaardingsbeslissing door het Openbaar Ministerie inbreuk gemaakt op de wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de gerechten van eerste aanleg, die mede tot doel heeft dat de verdachte niet van de door de Wet aan hem toegekende rechter wordt afgehouden. Inderdaad voorziet art. 46a RO in een afwijking van die bevoegdheidsverdeling, maar deze wordt enkel gelegitimeerd door het bestaan van een capaciteitstekort binnen het arrondissement van de bevoegde rechtbank en zulks ter discretie van de Minister, gehoord de raad voor de rechtspraak. Dat heeft in het onderhavige geval geleid tot een Regeling die inhoudt dat de aanwijzing geldt onder de voorwaarde dat de zaak (eerst) aanhangig is gemaakt bij de rechtbank die met capaciteitstekort heeft te kampen. Daarvan is kennelijk de strekking dat de afweging of het capaciteitstekort in de concrete zaak een verwijzing naar de zonder de Regeling niet-bevoegde rechter rechtvaardigt, steeds in rechterlijke handen is. Daarmee is het optreden van het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak niet verenigbaar.
Dat het gerechtshof Den Haag onbevoegd is betekent echter niet dat het tegen een veroordelend vonnis ingesteld rechtsmiddel onbehandeld kan blijven.
Gelet daarop zal het hof zich onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar de wel bevoegde rechter, te weten het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart het gerechtshof Den Haag onbevoegd om over het bestreden vonnis te oordelen.
Verwijst de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 oktober 2026.