ECLI:NL:GHDHA:2026:3153

ECLI:NL:GHDHA:2026:3153

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer 22-000255-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Toepassing adolescentenstrafrecht. Veroordeling diefstal met geweld en eendaadse samenloop van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een woning, het beschadigen van de woning en bedreiging van de bewoners en overige aanwezigen in de woning. Nadere bewijsoverweging over een alternatief scenario. Overschrijding redelijke termijn. Het hof veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 170 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een meldplicht, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 uren jeugddetentie. Gedeeltelijke toewijzing vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-000255-26

Parketnummers: 10-154686-24 (DV I),

10-115864-24 (DV II),

10-054503-23 (TUL)

Datum uitspraak: 29 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2026 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I (met parketnummer: 10-154686-24) tenlastegelegde en het bij dagvaarding II (met parketnummer: 10-115864-24) onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde - met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) - veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een bijzondere voorwaarde, te weten: een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 11 mei 2023 door de rechtbank Rotterdam voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Dagvaarding I:

hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten Zuidplein (winkelcentrum Zuidplein), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (mobiele) telefoon (Iphone) en/of een (schakel)ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- zich (dreigend) op te dringen aan die [slachtoffer 1] en/of

- aan die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden toe te voegen "Geef gewoon je telefoon" en/of "Wat is je probleem" en/of "Als je met ons gaat chillen en de andere jongens laat dan krijg je je telefoon terug" en/of "Zo wat een mooie kankerketting heb jij" en/of "hoeveel kankerkaraat is tie?", althans woorden van gelijke (dreigend) strekking en/of aard en/of

- die (mobiele)telefoon (Iphone) (met kracht) uit hand(en) van die [slachtoffer 1] te rukken/trekken, althans af te pakken en/of

- die (schakel)ketting van de nek van die [slachtoffer 1] los te maken en (vervolgens) (met kracht) (van die nek) af te rukken/trekken, althans af te pakken;

Dagvaarding II:

1.hij, op of omstreeks 25 januari 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meerdere stuk(ken) zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een of meerdere explosieven, aan/op/voor de (voor)deur van een woning gelegen aan de [adres] te bevestigen/plakken/plaatsen en aan te steken, waardoor die/dat stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of nabijgelegen woningen en/of de inboedel/huisraad van voornoemde woning en/of de inboedel/huisraad van die nabijgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een van de zich in voornoemde woning en/of nabijgelegen woningen bevindende pers(o)n(en) en/of voorbijgangers, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor een ander of anderen,

te duchten was;

2.hij, op of omstreeks 25 januari 2024, te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.hij, op of omstreeks 25 januari 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard [slachtoffer 2] en/of de (overige) bewoners/aanwezigen van/in de woning aan de [adres] , heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere stukken zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een of meerdere explosieven aan/op/voor de (voor)deur van die voornoemde woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dat/die stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met aanvulling van gronden en behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij, en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake het bij dagvaarding I en het bij dagvaarding II tenlastegelegde met toepassing van 77c Sr zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, en tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van een bijzondere voorwaarde, te weten: een meldplicht bij de reclassering.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-154686-24 (Dagvaarding I) en het in de zaak met parketnummer 10-115864-24 onder 1, 2 en 3 (Dagvaarding II) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Dagvaarding I:

hij op of omstreeks 1 oktober 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten Zuidplein (winkelcentrum Zuidplein), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (mobiele) telefoon (Iphone) en/of een (schakel)ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- zich (dreigend) op te dringen aan die [slachtoffer 1] en/of

- aan die [slachtoffer 1] (dreigend) de woorden toe te voegen: "Geef gewoon je telefoon" en/of "Wat is je probleem" en/of "Als je met ons gaat chillen en de andere jongens laat dan krijg je je telefoon terug" en/of "Zo wat een mooie kankerketting heb jij" en/of "hoeveel kankerkaraat is tie?", althans woorden van gelijke (dreigend) strekking en/of aard en/of

- die (mobiele) telefoon (Iphone) (met kracht) uit de hand(en) van die [slachtoffer 1] te rukken/trekken, althans af te pakken en/of

- die (schakel)ketting van de nek van die [slachtoffer 1] los te maken en (vervolgens) (met kracht) (van die nek) af te rukken/trekken, althans af te pakken;

Dagvaarding II:

1.hij, op of omstreeks 25 januari 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meerdere stuk(ken) zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een of meerdere explosieven, aan/op/voor de (voor)deur van een woning, gelegen aan de [adres] te bevestigen/plakken/plaatsen en aan te steken, waardoor die/dat stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of nabijgelegen woningen en/of de inboedel/huisraad van voornoemde woning en/of de inboedel/huisraad van die nabijgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een van de zich in voornoemde woning en/of nabijgelegen woningen bevindende pers(o)n(en) en/of voorbijgangers, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor een ander of anderen,

te duchten was;

2.hij, op of omstreeks 25 januari 2024, te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.hij, op of omstreeks 25 januari 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, [slachtoffer 2] en/of de (overige) bewoners/aanwezigen van/in de woning aan de [adres] , heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerdere stukken zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een of meerdere explosieven aan/op/voor de (voor)deur van die voornoemde woning te plaatsen en aan te steken, waardoor dat/die stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Dagvaarding II - nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat – kort samengevat – niet vastgesteld kan worden dat het de verdachte is geweest die het explosief aan/op/voor de woning van de [adres] in Spijkenisse heeft geplaatst, zodat de verdachte integraal vrijgesproken moet worden. Het enkele feit dat de verdachte ten tijde van de ontploffing aanwezig was in de buurt van die woning is onvoldoende redengevend om tot een bewezenverklaring te komen. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat hij kort voor de ontploffing een Playstation had teruggebracht aan een vriend die in die omgeving zou wonen, kan niet als onwaarschijnlijk of ongeloofwaardig terzijde worden geschoven, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt dat er op 25 januari 2024 omstreeks 00:28:13 uur een ontploffing heeft plaatsgevonden bij de woning aan de [adres] te Spijkenisse. Beoordeeld dient te worden of de verdachte betrokken is geweest bij het teweegbrengen van de ontploffing bij voornoemd adres.

Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte op 25 januari 2024 rond 00:18 uur met een rode plastic tas vanaf het metrostation Heemraadlaan in Spijkenisse in de richting van de [locatie] loopt. De verdachte is op de camerabeelden te volgen tot aan zo’n 50 meter afstand van de plaats delict. De verdachte verdwijnt om 00:18:25 uur uit beeld. De verdachte komt om 00:28:10 uur weer rennend in beeld uit de richting van de [locatie] , maar ditmaal zonder plastic tas. Drie seconden later, om 00:28:13 uur, is een grote rode gloed in de lucht te zien, kennelijk afkomstig van de explosie die op dat moment plaatsvond bij de [adres] . Te zien is dat de verdachte ondertussen terugloopt in de richting van metrostation Heemraadlaan.

De verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de ontploffing en heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er in de rode plastic tas die hij die nacht bij zich had, een Playstation zat, die hij voor 1 dag mocht lenen van een vriend. Hij had de Playstation niet gebruikt en daarom ook niet uit de rode plastic tas gehaald. De vriend had de Playstation bij de verdachte thuis in de rode plastic tas gedaan. Die nacht heeft hij de Playstation teruggebracht. Hij heeft verklaard dat hij de tas met daarin de Playstation voor de deur van de woning van die vriend heeft neergezet en heeft aangebeld en vervolgens - zonder die vriend te hebben gezien - is weggelopen. De woning waar de ontploffing heeft plaatsgevonden is niet de woning van de vriend. Desgevraagd waarom hij rennend op de beelden is te zien, heeft de verdachte verklaard dat hij is gaan rennen van schrik nadat hij een knal hoorde. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij stond te wachten op een vriend, dat die vriend niet kwam opdagen, en dat hij de tas met daarin spullen toen aan iemand anders heeft afgegeven.

De verklaring van de verdachte is hiermee weinig concreet en ook in hoger beroep op geen enkele manier verifieerbaar gebleken. Zowel bij de rechtbank als in hoger beroep zijn geen nadere gegevens, zoals een naam of adres of anderszins gegevens van deze vriend of die ander aan wie hij de Playstation zou hebben gegeven, door de verdediging aangereikt die het door en namens de verdachte gestelde alternatieve scenario ook maar enigszins controleerbaar of aannemelijk maken. Dit weegt te meer omdat niet duidelijk is geworden, waarom de verdachte die gegevens niet heeft kunnen geven. Zo is het onduidelijk waarom de verdachte de eigenaar van de Playstation in dit verhaal zou belasten als hij zijn naam en adres zou noemen.

De verklaring van de verdachte valt verder moeilijk te rijmen met hetgeen is waargenomen op de zich in het dossier bevindende camerabeelden. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij pas is gaan rennen op het moment dat en omdat hij een knal hoorde, maar op de camerabeelden is te zien dat de verdachte al rent nog voordat de explosie heeft plaatsgevonden. De explosie volgt immers drie seconden nadat de verdachte al rennend en zonder tas in zijn hand weer in beeld is gekomen. De plek waar de verdachte uit beeld verdwijnt en weer in beeld komt, is blijkens het dossier op 50 meter afstand van de [adres] verwijderd. Het wegrennen door de verdachte kan daarmee geen reactie op de door hem gehoorde knal zijn geweest.

De overige door de raadsvrouw geschetste alternatieve scenario’s, behoeven naar het oordeel van het hof geen bespreking, omdat ze niet door de verdachte zelf zijn aangevoerd.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – komt het hof tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die het vuurwerk heeft geplaatst en de ontploffing daarvan teweeg heeft gebracht.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezenverklaard kunnen worden. Nu de door de verdachte uitgevoerde handelingen tot verschillende normschendingen leiden, is sprake van een eendaadse samenloop van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

Het in de zaak met parketnummer 10-154686-24 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl dit feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 10-115864-24 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een straatroof. Daarbij is de telefoon van het slachtoffer uit zijn hand getrokken en is de ketting van zijn nek losgemaakt en gepakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de veiligheid en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdachte zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing. De woning is daardoor beschadigd geraakt. Het plegen van aanslagen met explosieven is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en is in het bijzonder bedreigend voor de bewoners van de woning waar een explosief wordt neergelegd en de direct omwonenden van die woning. Dit weegt extra zwaar omdat de explosies doorgaans plaatsvinden in de nachtelijke uren als de bewoners en omwonenden liggen te slapen en zich veilig in hun woning wanen. Ook nu was dat het geval. De verdachte heeft met zijn handelen aan deze gevoelens van onveiligheid een bijdrage geleverd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de slachtoffers van dit soort feiten vaak psychische gevolgen ondervinden van een dergelijk feit. Dat dat ook bij het slachtoffer in deze zaak het geval was, blijkt uit de door haar ingediende vordering tot vergoeding van die schade en de daarbij gegeven onderbouwing.

Het hof heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 2 oktober 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte adviezen van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). Uit het meest recente reclasseringsadvies van 9 april 2025 volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat zich problemen voordoen op het gebied van een stabiele dagbesteding en inkomen. Daarnaast worden mogelijke risico’s gezien in de sociale en cognitieve vaardigheden van de verdachte, mede gelet op een verstandelijke beperking die eerder bij hem werd gediagnosticeerd en die volgens de reclassering risico verhogend werkt. De familie van de verdachte wordt als beschermende factor aangemerkt. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte in het kader van een andere strafzaak de door de reclassering geadviseerde CoVa-training inmiddels succesvol heeft afgerond. De verdachte heeft aangegeven dat hij hiervan heeft geleerd om in het vervolg minder impulsief te handelen. Voorts is gebleken dat de verdachte momenteel werkzaam is, nog contact onderhoud met een coach en voornemens is om zijn kappersopleiding te hervatten. Hij woont op dit moment bij zijn ouders en dat gaat goed. Zijn begeleidster bij de reclassering heeft aan zijn advocaat ook aangegeven dat zij tevreden is over hoe het nu met de verdachte gaat.

Adolescentenstrafrecht

De verdachte was 19 jaar toen hij de bewezenverklaarde feiten pleegde. In beginsel moet hij daarom volgens het meerderjarigenstrafrecht worden berecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter in dit geval evenwel toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat in de onderhavige zaak gelet op de persoonlijkheid van de verdachte het jeugdstrafrecht toegepast dient te worden. Daarbij heeft het hof acht geslagen op het ter terechtzitting in eerste aanleg gegeven advies van de reclassering, waarin wordt geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Ter onderbouwing is hiervoor aangevoerd dat de verdachte thuis woont en actief deelneemt aan het gezinsleven. Voorts doet de verdachte zich soms wat jonger voor dan hij op grond van zijn uiterlijk zou doen vermoeden. De reclassering ziet daarom mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding van de verdachte. Ook weegt het hof hierbij mee dat eerder een verstandelijke beperking bij de verdachte gediagnosticeerd is.

Redelijke termijn

Het hof constateert met de rechtbank dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden, omdat de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 18 juni 2024 (dagvaarding I) en op 4 april 2024 (dagvaarding II) en het eindvonnis op 22 januari 2026 is gewezen. De redelijke termijn is in dagvaarding I met ruim 3 maanden overschreden en in dagvaarding II met ruim 5 maanden. Gelet hierop zal het hof de genoemde overschrijding verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn naast een taakstraf een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie van 180 dagen zou hebben opgelegd, zal nu naast de taakstraf, vanwege de schending van de redelijke termijn, 10 dagen minder aan jeugddetentie worden opgelegd.

Conclusie

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Het hof zal aan de voorwaardelijke straf een bijzondere voorwaarde verbinden, te weten een meldplicht bij de reclassering. Het voorwaardelijke deel van de straf strekt ertoe de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade van € 3.000,00, immateriële schade van € 10.000,00 en affectieschade van eveneens € 10.000,00 als gevolg van het aan de verdachte bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van in totaal € 23.000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de gevorderde affectieschade en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering ten aanzien van het overige.

De vordering van de benadeelde partij is gelet op de bepleite vrijspraak namens de verdachte betwist.

Materiële schade

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de benadeelde partij de gevorderde materiële schade op geen enkele wijze met stukken heeft onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, aangezien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de benadeelde partij ten tijde van het feit in de woning aanwezig was, waar zij lag te slapen. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding.

Het hof stelt de immateriële schadevergoeding vast naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengelden-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De schade van de benadeelde partij valt naar het oordeel van het hof in categorie 19, persoonsaantastingen bij bedreigende situaties, en meer in het bijzonder in categorie 19.3 ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing’, sub categorie ‘meest ernstig’. Het betreft immers een ontploffing in de woning van de benadeelde, terwijl de benadeelde op dat moment in de woning lag te slapen, welke ontploffing ervoor heeft gezorgd dat de woning tijdelijk onbewoonbaar was. Hiervoor wordt als richtlijn een vergoeding van € 5.000,- tot € 8.000,- gegeven. In dit geval acht het hof een schadevergoeding van € 5.000,- billijk, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Affectieschade

De benadeelde partij heeft ook een vergoeding van affectieschade gevorderd.

Op grond van artikel 6:107 lid 1 aanhef en onder b en artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek kunnen bepaalde naasten of nabestaanden van een door een strafbaar feit zeer ernstig en blijvend gewond geraakt of overleden slachtoffer aanspraak maken op een bedrag ter vergoeding van hun immateriële schade, ook wel 'affectieschade' genoemd.

Voor toewijzing van de gevorderde affectieschade bestaat naar het oordeel van het hof, gelet op het bovenstaande, geen wettelijke grondslag, alleen al omdat er – uiteraard gelukkig – niemand is overleden of zeer ernstig en blijvend gewond is geraakt. De vordering ten aanzien van de affectieschade wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .

Het hof zal de vervangende gijzeling bepalen op nul (0) dagen. Het hof houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om in deze zaak van die afspraken af te wijken.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2023 onder parketnummer 10-054503-23 is de verdachte (onder meer) veroordeeld tot 14 dagen jeugddetentie, met bevel dat die jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Met de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte tenuitvoerlegging van de opgelegde straf thans niet meer opportuun is.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 285, 312 en 352 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-154686-24 (dagvaarding I) en het in de zaak met parketnummer 10-115864-24 onder 1, 2 en 3 (dagvaarding II) tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-154686-24 en het in de zaak met parketnummer 10-115864-24 onder 1, 2 en 3 en bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 170 (honderdzeventig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 70 (zeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 in Rotterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-115864-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade voor een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de gevorderde immateriële en de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-115864-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 januari 2024.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Rotterdam van 17 juni 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2023, parketnummer 10-054503-23, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 14 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. M.C. Bruining en mr. J.A.M. Jansen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand