ECLI:NL:GHDHA:2026:3157

ECLI:NL:GHDHA:2026:3157

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 03-11-2026
Zaaknummer 22-001133-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling diefstal van een fatbike (artikel 310 Sr). Partiele vrijspraak “medeplegen” en “verbreking”. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie. Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding. Toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-001133-26

Parketnummers: 09-350326-25, 09-328080-23 (TUL)

Datum uitspraak: 29 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 22 april 2026 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 2008,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 30 uren, te vervangen door 15 dagen jeugddetentie. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de rechtbank Den Haag onder parketnummer 09-328080-23 voorwaardelijk opgelegde straf een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 december 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de overlegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde onderdelen “verbreking” en “medeplegen”. Hiertoe overweegt zij – kort gezegd – dat de verdachte ontkent het slot te hebben doorgeslepen en dat, als al bewezenverklaard kan worden dat de medeverdachte het slot van de fatbike heeft doorgeslepen, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een nauwe en bewuste samenwerking bij die diefstal met verbreking.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de verbreking als het medeplegen uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt.

Het hof overweegt als volgt.

De aangever heeft verklaard dat hij omstreeks 01:20 uur vanuit zijn woning buiten een slijpend geluid hoorde en, toen hij uit het raam keek, vonken bij zijn fiets, een fatbike, zag. Tevens zag hij twee personen bij zijn fatbike staan. Hij heeft toen uit het raam geschreeuwd, waarna de twee personen met de fatbike wegrenden. Vervolgens is hij er nog achteraan gerend, maar aan het einde van de straat waren zij al weg.

De verdachte heeft verklaard dat hij de fatbike tegen een paal zag staan toen hij in zijn eentje vanaf de sportschool onderweg naar huis was. Hij heeft de fatbike toen meegenomen, omdat die volgens hem niet op slot stond.

Hoewel de verklaring van de aangever aanwijzingen bevat dat het slot van de fatbike is doorgeslepen en dat daarbij twee personen betrokken waren, van wie de verdachte er één zou kunnen zijn geweest, kan dit op grond van het dossier niet voldoende wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Daarbij betrekt het hof dat het door de aangever opgegeven signalement relatief algemeen van aard is en onvoldoende onderscheidend is om de verdachte als één van de bij de diefstal door middel van verbreking betrokken personen te identificeren, mede gelet op het tijdsverloop tussen het zien van de twee personen ten tijde van het doorslijpen van het slot en het aantreffen van de verdachte kort daarna met de fatbike. Hierdoor kan niet (voldoende) worden uitgesloten dat de aangever twee andere personen heeft waargenomen dan de verdachte en dat die personen, omdat de aangever vanuit zijn raam naar hen schreeuwde en achter ze aan rende, de fatbike uiteindelijk hebben achter gelaten en de verdachte de fatbike vervolgens tegen een paal heeft aangetroffen.

Het hof spreekt de verdachte daarom partieel vrij van het tenlastegelegde medeplegen en de verbreking.

Het hof is daarentegen van oordeel dat de diefstal wel wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden. Het hof stelt vast dat de verdachte heeft erkend de fatbike te hebben meegenomen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte zich de fatbike heeft toe-geëigend, nu hij deze heeft meegenomen en daarop is gaan fietsen zonder dat hij daartoe toestemming van de rechthebbende had gekregen. Hij heeft dusdoende de fatbike immers aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken en is er als heer en meester over gaan beschikken. Dat het wederrechtelijk oogmerk tot toe-eigening daarbij zou hebben ontbroken, is gesteld nog gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan de diefstal dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 24 december 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstal van een fatbike. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van een ander. Fietsendiefstal betreft een hinderlijk feit, dat doorgaans schade en overlast met zich mee brengt.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 2 oktober 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 13 april 2026. Hieruit volgt – kort en zakelijk weergegeven – dat de risicofactoren met name worden gezien op de domeinen gezin, houding, vaardigheden en agressie. De verdachte lijkt niet goed te kunnen overzien wat voor gevolgen zijn gedrag heeft. Hij lijkt de diefstal goed te praten, omdat hij zelf ook eerder slachtoffer is geworden van diefstal. De Raad adviseert om de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zijn vordering gematigd tot een bedrag van

€ 500,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering, omdat de vordering niet onderbouwd is.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof oordeelt als volgt.

De benadeelde partij heeft de gevorderde materiële schade niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat de benadeelde partij heeft aangegeven dat hij schade aan zijn fatbike had, omdat “de dader de fiets in het water heeft gegooid”. Dit blijkt echter niet uit het dossier. Omdat de benadeelde partij zijn vordering ook niet nader heeft toegelicht, kan niet worden vastgesteld dat deze gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De vordering is naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, welke kosten het hof begroot op nihil.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 23 mei 2025 onder parketnummer 09-328080-23 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest (totaal 6 uren) en met bevel dat die werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, verminderd met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten, verminderd met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zodat een werkstraf van 14 uren resteert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [het slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 23 mei 2025, parketnummer 09-328080-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, verminderd met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (zes uren).

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. M.C. Bruining en mr. J.A.M. Jansen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand