ECLI:NL:GHDHA:2026:333

ECLI:NL:GHDHA:2026:333

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer 2200214824
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vervolging politicus wegens opruiing. Ontvankelijkheid OM in de vervolging. Vrijspraak van opruiing. Geen schending van het verbod van willekeur of van détournement de pouvoir. Het hof spreekt de verdachte vrij van opruiing, nu de verdachte met zijn uitlatingen naar inhoud en strekking in hun onderlinge samenhang bezien direct noch indirect heeft aangespoord tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002148-24

Parketnummer: 09-283813-23

Datum uitspraak: 5 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

adres: [adres], te [woonplaats].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij, op 2 juli 2022 te Tuil, gemeente West Betuwe in het openbaar, mondeling, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag en/of tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door in een speech op een openbare bijeenkomst, onder meer het volgende te zeggen:

“Maar wat ook wel van belang is om ons even te realiseren, is dat het ook niet altijd gezond is in een democratie als er een taboe rust op het gebruik van geweld. (…) En een taboe op geweld, wat er op dit moment in de samenleving rust, terwijl de staat het geweldsmonopolie heeft, kan er ook voor zorgen dat de staat nooit iets te vrezen heeft. (…) En vergeet ook niet, zelfs in ons huidige wetboek van strafrecht is een uitzondering gemaakt op het verbod van het gebruik van geweld. Artikel 41 van het wetboek van strafrecht bepaalt dat het is toegestaan om geweld te gebruiken als dat noodzakelijk is om je eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed te beschermen tegen een wederrechtelijke aanranding. (…) En ik denk ook dat het belangrijk is om die strijdlustigheid wel te laten zien, die strijdbaarheid, want uiteindelijk kan en mag het nooit zo zijn dat de boeren zich als makke lammetjes van hun grond gaan laten verdrijven. Nooit. En, helemaal nooit inderdaad. (…) onderaan de streep hebben we ook allemaal het recht van opstand. (…) als die overheid dat geweldsmonopolie misbruikt tegen de eigen bevolking, dan hebben we niet meer te maken met een goedaardige overheid, maar met een kwaadaardige, tirannieke overheid die moet vallen, die weg moet”;

2.hij, in of omstreeks de periode van 10 oktober 2022 tot en met 13 november 2022 te

’s-Gravenhage en/of in Nederland en/of in België, in het openbaar, mondeling, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag en/of tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door in een interview op YouTube, onder meer het volgende te zeggen: “Plus dat ik denk ja wat wij hier in het parlement doen heeft als zodanig geen zin, de demonstraties hebben als zodanig geen zin. (…) het is in het verleden in de geschiedenis vaker gebeurd natuurlijk dat regimes die zich echt tiranniek gingen gedragen, op enig moment toch ten val werden gebracht door de bevolking. Want wij hebben wel de aantallen uiteindelijk, en ik denk wel dat als die massa zo groot wordt en bij wijze van spreken echt omslaat in een revolutionaire beweging, die zich natuurlijk heel duidelijk onderscheid van een protestbeweging (…) Maar een revolutionaire beweging waarbij het zo urgent wordt voor mensen die niks meer te verliezen hebben, dat ze bij wijze van spreken naar het parlement trekken en zeggen: wij gaan hier gewoon niet meer weg, totdat de regering weg is. Waarbij helaas het verleden, en tal van andere voorbeelden wereldwijd, laten zien dat daar vaak ook slachtoffers bij vallen, soms dodelijke slachtoffers.”

waarbij de YouTube-link naar dit interview op de site www.compleetdenkers.com is geplaatst en verdachte deze link via Twitter heeft gedeeld.

4. Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

5. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Zij heeft ter onderbouwing van dit standpunt verschillende redenen aangevoerd, die – op zichzelf beschouwd, dan wel in onderling verband en samenhang bezien – volgens de verdediging in de onderhavige zaak de conclusie rechtvaardigen dat niet tot een strafrechtelijke vervolging van de verdachte had mogen worden overgegaan.

Het hof stelt bij de bespreking van dit verweer voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Volgens de Hoge Raad strekt de jurisprudentie met betrekking tot de in artikel 167, eerste lid, Sv neergelegde bevoegdheid ertoe dat, indien het Openbaar Ministerie met de beslissing tot (voortzetting van de) vervolging een zaak ter beoordeling aan de rechter heeft voorgelegd, alleen uitzonderlijke met die vervolgingsbeslissing samenhangende omstandigheden beletten dat de rechter een inhoudelijk oordeel velt over de in de tenlastelegging vervatte beschuldiging door de beraadslaging omtrent de in artikel 350 Sv genoemde vragen.

Schending van verbod op détournement de pouvoir

De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie geen vervolgingsrecht toekomt, omdat sprake is van een schending van het verbod op détournement de pouvoir. De minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) heeft weliswaar in formele zin geen aanwijzing op grond van artikel 127 Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) gegeven, maar in materiële zin wel waardoor het wettelijke systeem en de daarbij behorende waarborgen zijn omzeild. Op 13 november 2022 heeft toenmalig minister van Justitie en Veiligheid Yeşilgöz-Zegerius naar aanleiding van het op YouTube verschenen interview met de verdachte (het onder 2 ten laste gelegde feit) een tweetal tweets geplaatst waarvan een tweet volgens de verdediging een indirecte aanwijzing bevat aan het Openbaar Ministerie om strafrechtelijke stappen te overwegen. Een NOS-journalist heeft dit ook zo opgevat. Ook toenmalig vice-premier en minister van Financiën, Kaag heeft over de uitlatingen van de verdachte tweets geplaatst, en daarbij de term ‘opruiing’ gebruikt. In een debat heeft minister Yeşilgöz-Zegerius deze uitlatingen onderschreven en haar waardering uitgesproken voor het ‘normerend’ optreden en volgens de verdediging aldus nagelaten de nodige terughoudendheid te betrachten omtrent het besluitvormingsproces over het instellen van vervolging.

Bij de bespreking van dit verweer zal het hof eerst het wettelijk kader schetsen dat in de onderhavige zaak van belang is voor de verhouding tussen de minister en het Openbaar Ministerie.

De verhouding tussen de minister en het Openbaar Ministerie is geregeld in de Wet RO. Het Openbaar Ministerie is op grond van artikel 124 Wet RO belast met (onder meer) de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Artikel 127 Wet RO bepaalt dat de minister algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven betreffende de taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie. Deze aanwijzingsbevoegdheid omvat de mogelijkheid om in een concrete strafzaak een schriftelijke aanwijzing tot vervolging of niet-vervolging te geven. Dit is geregeld in artikel 128 Wet RO. Artikel 129 Wet RO bepaalt dat het College van procureurs-generaal, dat aan het hoofd staat van het Openbaar Ministerie, de minister de inlichtingen verschaft die deze nodig heeft. Deze bepaling stelt de minister in staat om zijn politieke verantwoordelijkheid waar te maken. Uit de wetsgeschiedenis van de huidige Wet RO volgt dat de regeling van de verhouding tussen de minister en het Openbaar Ministerie uitgaat van volledige politieke verantwoordelijkheid van de minister voor het handelen van het Openbaar Ministerie.

Het hof hecht eraan hier ook op te merken dat het aan de strafrechter is, in dit geval het hof, om te beoordelen of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het hof heeft daarbij als taak te toetsen of is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde en het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals onder meer is neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Op 11 juli 2022 is door het Openbaar Ministerie besloten een oriënterend onderzoek in te stellen naar de uitlatingen van de verdachte op 2 juli 2022 in Tuil (het onder 1 tenlastegelegde feit). De uitlatingen van de verdachte op 10 oktober 2022, welke op 13 november 2022 online werden geplaatst, zijn in dat oriënterend onderzoek betrokken. De verdachte is in deze zaak op 15 mei 2023 als verdachte aangemerkt. Op 12 september 2023 heeft de officier van justitie de verdachte meegedeeld dat het Openbaar Ministerie tot vervolging zou overgaan. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie aangegeven dat hij zelfstandig de beslissing tot vervolging van de verdachte voor de ten laste gelegde feiten heeft genomen. Dit is ook nog eens bevestigd door de Advocaat-Generaal ter terechtzitting in hoger beroep.

In deze zaak staat vast dat de minister geen (schriftelijke) aanwijzing als bedoeld in artikel 128 Wet RO aan het Openbaar Ministerie heeft gegeven. Evenmin is gebleken dat sprake zou zijn van een indirecte aanwijzing of beïnvloeding van voornoemde vervolgingsbeslissing van de officier van justitie, zodanig dat sprake zou zijn van détournement de pouvoir. De door de verdediging genoemde tweets en uitlatingen van de minister bieden daartoe geen, althans onvoldoende grond.

Schending van het gelijkheidsbeginsel

Voorts is volgens de verdediging sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, door kort gezegd de verdachte wel te vervolgen, en in soortgelijke gevallen niet tot vervolging over te gaan. In dit verband heeft de verdediging verwezen naar uitlatingen van [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Het onderscheidend element in deze zaken enerzijds en die van de verdachte anderzijds is niet de ernst van de uitlatingen, maar de politieke context waarbinnen zij zijn gedaan, hetgeen wijst op een politiek gekleurde selectie, aldus de verdediging.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van soortgelijke gevallen, zijn de gebruikte bewoordingen van de uitlating en de omstandigheden waaronder de uitlating is gedaan van belang. In de door de verdediging genoemde gevallen gaat het telkens om uitlatingen die in andere bewoordingen zijn gedaan dan die aan de verdachte ten laste zijn gelegd, terwijl ook de situationele omstandigheden rond die uitlatingen telkens en in meerdere opzichten van elkaar verschillen. Ook gaat het niet om uitlatingen gedaan door politici. Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een zodanige overeenstemming van zaken dat moet worden geconcludeerd dat de door de verdediging aangehaalde uitlatingen op één lijn met de aan de verdachte verweten uitlatingen moeten worden gesteld. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is reeds daarom geen sprake.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat (verdere) vervolging van de verdachte onverenigbaar moet worden geacht met gelijkheidsbeginsel.

Slot

Ten slotte is ook anderszins niet gebleken dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie in plaats van tot vervolging van de verdachte over te gaan gebruik had moeten maken van de minder ingrijpende bevoegdheid van artikel 125p Sv om de uitlatingen offline te halen, geldt dat deze mogelijkheid de beslissing tot vervolging van de verdachte onverlet laat. Ook gelet op hetgeen door de verdediging hierover is gesteld, staat de marginale toetsing in de weg aan een verdere beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het hof merkt tot slot op naar aanleiding van opmerkingen van de verdediging dat sprake zou zijn van een ‘politiek gekleurde selectie’ en dat het strafrecht ‘wordt ingezet ter normering van politieke meningsuiting’, dat er onmiskenbaar politieke aspecten aan deze zaak kleven. Dit laat echter onverlet dat de vraag of uitlatingen van de verdachte, ook als die in een politieke context zijn gedaan, strafbaar zijn, een juridische vraag betreft en deze vraag aan de strafrechter mag worden voorgelegd.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde gronden, noch op zich zelf beschouwd, noch in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. De daarop betrekking hebbende verweren worden verworpen.

6. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

7. Beoordeling van de zaak

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Bij de verdachte was sprake van vol opzet op het indirect opruien tot geweld tegen het openbaar gezag.

Volgens de verdediging dient ten aanzien van beide feiten vrijspraak te volgen omdat de uitlatingen, beoordeeld naar de inhoud, strekking en context, niet kunnen worden aangemerkt als een oproep tot geweld. In ieder geval was geen sprake van opzet.

Het hof overweegt als volgt.

Juridisch kader

De tenlastelegging is voor beide feiten toegesneden op art. 131, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het belang van de strafbaarstelling van opruiing is, gelet op de opname van het artikel in titel V Sr, gelegen in de bescherming van de openbare orde.

Bij de beoordeling of door een verdachte gedane uitlatingen aansporen tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van art. 131 Sr, komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitlatingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitlatingen aan het publiek zijn geopenbaard. Onder omstandigheden kan ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit worden aangemerkt als opruiing.

Ten aanzien van beide feiten

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de ten laste gelegde uitlatingen heeft gedaan. Hij deed deze op 2 juli 2022 tijdens een boerenforum in Tuil en op 10 oktober 2022 tijdens een interview door het Belgisch platform Compleetdenkers. Beelden van deze uitlatingen zijn op internet geplaatst.

Beoordeling feit 1 (boerenforum in Tuil)

Feiten en omstandigheden

Op zaterdag 2 juli 2022 werd door de politieke partij waarvoor de verdachte in de Tweede Kamer zitting had een boerenforum georganiseerd met als (onder)titel ‘Een toekomst voor boeren in Nederland’. De bijeenkomst vond plaats op het terrein van een bloementeler in Tuil. Er waren ongeveer 100 personen aanwezig. De uitnodiging voor het event, gepubliceerd op de website van de partij, vermeldde dat het een gratis bijeenkomst betrof “Vóór de boer, dóór de boer” en dat het “(…) de plek [is] om de handen ineen te slaan voor de toekomst van de sector”. Naast de verdachte, die zou komen spreken “over de gerichte aanval vanuit Den Haag op het Nederlandse platteland”, waren ook een agrariër tevens uitvinder, een boerin tevens gemeenteraadslid, een statenlid en een chemicus van de Universiteit Utrecht als sprekers aangekondigd. De verdachte had de bijeenkomst ook zelf aangekondigd op zijn twitteraccount: “Wat is de ware reden achter de plannen om onze boeren massaal te onteigenen? Welke rol speelt het World Economic Forum? Waarom is fel verzet gerechtvaardigd? Ik ga hier zaterdag a.s. graag met u over in gesprek”.

Tijdens de bijeenkomst waren volgens de verdachte boeren en niet-boeren aanwezig en was de sfeer gemoedelijk. De verdachte heeft twee maal een toespraak gehouden. Hij hield deze toespraken – naar het lijkt – uit het hoofd. De toespraken zijn op respectievelijk 4 en 10 juli 2022 op het YouTube-kanaal van de politieke partij van de verdachte geplaatst. De eerste, met een duur van ongeveer 31 minuten met de titel ‘Dit is waarom ze de boeren weg willen! [verdachte] over boerenprotest’. De tweede, met een duur van ongeveer 26 minuten met de titel ‘Dit is hoe we het stikstofbeleid kunnen stoppen! [verdachte] over boerenprotesten’.

Eerder, op 10 juni 2022 waren door de ministers Van der Wal (Natuur en Stikstof) en Staghouwer (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) maatregelen aangekondigd om landelijk de uitstoot van stikstof te verlagen. Diezelfde dag verzamelden zich boeren bij de huizen van de genoemde ministers. Ook in de dagen daarna vonden diverse boerenprotestacties plaats waarbij ook strafbare feiten werden gepleegd. Zo werd op 14 juni 2022 het spoor geblokkeerd en vond op 22 juni 2022 een landelijke protestdag plaats waarbij een vrachtwagen rondreed met bedreigingen tegen minister Van der Wal. Op 27 juni 2022 werden diverse autosnelwegen door boeren geblokkeerd. Ook de dag daarna vonden protesten op en langs verschillende snelwegen plaats waarbij boeren de banden van politieauto’s en -motoren lek staken. Betogers verzamelden zich die dag bij het huis van minister Van der Wal waarbij men door de politielinie wist heen te breken, een politieauto werd vernield en een giertank werd geleegd. De dag daarna gold een noodverordening rondom het huis van de minister. Op 1, 2 en 3 juli vonden diverse protestacties plaats en op 4 juli 2022 werden 20 van de 35 distributiecentra van supermarkten in Nederland met tractoren geblokkeerd.

Op dat moment, medio 2022, was Nederland nog in de nasleep van de coronapandemie. Begin 2022 kwam het land uit een ‘harde lockdown’. Er waren ook daarna nog verschillende overheidsmaatregelen van kracht om de verdere verspreiding van het Covid-19 virus in te dammen. Tegen de coronamaatregelen werd begin 2022 gedemonstreerd.

De verdachte heeft betwist dat hij zich aan opruiing heeft schuldig gemaakt en heeft daartoe onder andere gesteld dat hij enkel over vreedzaam verzet heeft gesproken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de verklaring van de verdachte dat hij juist vreedzaam verzet heeft bepleit, niet geloofwaardig acht.

Oordeel hof

Met betrekking tot de vraag of de verdachte met voornoemde uitlatingen heeft opgeruid tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag dan wel tot enig strafbaar feit overweegt het hof als volgt.

De in de tenlastegelegde opgenomen uitlatingen zijn onderdeel van de tweede toespraak van de verdachte tijdens het boerenforum. In deze toespraak stelt de verdachte de vraag ‘hoe nu verder’. De uitlatingen houden onder andere in dat de verdachte zegt dat het niet altijd gezond is in een democratie als er een taboe rust op het gebruik van geweld, dat uit artikel 41 Sr volgt dat geweld is toegestaan als dat noodzakelijk is in het kader van noodweer, en dat een overheid die het geweldsmonopolie misbruikt tegen de eigen bevolking, een kwaadaardige, tirannieke overheid betreft die moet vallen, die weg moet.

Het hof hecht er in de eerste plaats aan op te merken dat de uitlatingen van de verdachte, die -naar het hof begrijpt- onderdeel zijn van diens politieke overtuiging niet ter beoordeling aan het hof voorliggen, maar uitsluitend de juridische, strafrechtelijke beantwoording van de vraag of de verdachte heeft aangespoord tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag.

Het hof merkt over de uitlatingen van de verdachte voorts op dat de lijn in de toespraken niet bepaald eenvoudig te volgen is. Verschillende onderwerpen worden aangeroerd en aaneengeregen waarbij op enig moment de tenlastegelegde uitlatingen zijn gedaan. Dat zijn betoog, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren bracht, analytisch van aard was, “gericht op het bespreken van risico’s die in de politieke theorie en constitutionele geschiedenis zijn onderkend” en zijn verwijzingen naar het recht van verzet “ontegenzeggelijk een juridisch en beschouwend karakter” hadden, kan uit de toespraak zelf naar het oordeel van het hof niet direct worden opgemaakt. De toespraak vond bovendien plaats op een boerenforum waarin het onder andere ging over onteigening van boeren als gevolg van gevoerd stikstofbeleid. Die onteigening werd door de verdachte ook concreet genoemd rondom de tenlastegelegde passages in zijn toespraak. Van een algemeen theoretisch kader voor wat betreft de mogelijkheden van al dan niet geweldloos verzet, zoals door de verdachte is betoogd, was naar het oordeel van het hof evenwel geen sprake. Het hof volgt het standpunt van de advocaat-generaal in die zin dat voor zover de verdachte stelt dat hij uitsluitend over vreedzaam verzet zou hebben gesproken, dit niet volgt uit de door hem gebruikte bewoordingen. Wel heeft de verdachte de mogelijkheid van vreedzaam verzet expliciet genoemd.

De tenlastegelegde uitlatingen van de verdachte dienen bovendien niet geïsoleerd te worden beschouwd, maar te worden bezien tegen de achtergrond van de gehele toespraak. De verdachte zegt daarin meerdere malen dat protest en verzet altijd vreedzaam en geweldloos moet zijn en dat dat het meest effectief is. Dat zegt hij voordat hij komt te spreken over geweld, dat zegt hij ook daarna, vlak voordat hij het heeft over een tirannieke overheid die moet vallen (waarbij hij overigens niet concreet maakt hoe en op welke wijze dat dan zou moeten gebeuren). Hij zegt daarnaast dat geweldloos verzet keihard, massaal en militant kan zijn en ook moet zijn en dat hij de voor maandag aangekondigde acties ondersteunt. Het hof begrijpt dat de verdachte hiermee doelt op de aangekondigde blokkering van de distributiecentra. Uit het dossier is niet gebleken dat was aangekondigd dat daarbij geweld zou worden gebruikt. De opmerkingen over vreedzaam, geweldloos verzet ziet het hof – anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank – niet louter als mitigerende opmerkingen maar als een relevant onderdeel in de toespraak van de verdachte.

Het hof acht bij de beoordeling van de gebruikte bewoordingen ook van belang dat de verdachte weliswaar enkele keren over ‘geweld’ spreekt, maar dit doet in een toespraak waarin hij naar het lijkt ‘uit de losse pols’ spreekt, waarbij hij verschillende thema’s aansnijdt en met elkaar verbindt. De verdachte maakt in die toespraak dat geweld verder niet concreet, niet voor het hier en nu, en evenmin voor de toekomst. Het door de verdachte op 12 juli 2022 op Twitter geplaatste bericht dat de overheid zich als een tiran gedraagt en het volk de morele plicht heeft zich daartegen te verzetten, doet aan het voorgaande niet af nu ook uit dat bericht niet volgt dat daarmee wordt gedoeld op gewelddadig verzet.

Voorts acht het hof van belang dat de verdachte, (ook) in die tijd Tweede Kamerlid, zijn toespraak hield op een zaterdagmiddag vol lezingen en met tijd voor vragen en discussie. De aanduiding dat sprake was van een “munitievat waar een lont in wordt geplaatst terwijl de vonken al in het rond knetteren” zoals door de advocaat-generaal bij requisitoir naar voren gebracht, deelt het hof niet, zelfs indien meegewogen wordt dat de toespraak later op internet is geplaatst en daardoor een groter bereik had. Het hof heeft daarbij ook in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 7.3 is overwogen over de maatschappelijke ontwikkelingen die destijds speelden, zoals onder meer de boerenprotesten en het geweld dat daarbij werd gebuikt.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat de verdachte naar het oordeel van het hof -anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld- in zijn toespraak ook niet de geesten rijp heeft gemaakt voor strafbaar handelen. Hij heeft zich aldus niet aan (indirecte) opruiing schuldig gemaakt.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met zijn uitlatingen naar inhoud en strekking in hun onderlinge samenhang bezien direct noch indirect aangespoord tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. De verdachte heeft met zijn uitlatingen weliswaar de strafrechtelijke grens opgezocht, maar deze heeft hij naar het oordeel van het hof – met verwijzing naar het voorgaande – niet overschreden.

Dit betekent dat vrijspraak dient te volgen voor feit 1.

Beoordeling feit 2 (interview Compleetdenkers)

Feiten en omstandigheden

Op 10 oktober 2022 heeft de verdachte in het gebouw van de Tweede Kamer in de fractiekamer van Forum voor Democratie in Den Haag een interview gegeven aan het Belgische mediakanaal ‘Compleetdenkers.be’. Dit interview is door het mediakanaal op 13 november 2022 op YouTube geplaatst. De video heeft een lengte van 1 uur, 22 minuten en 22 seconden. Te zien is dat de verdachte en de interviewer ieder op een aparte bank zitten met een microfoon voor zich. Er is geen publiek aanwezig. Het interview is in vraag- en antwoordvorm, verloopt rustig (zonder stemverheffingen of tekenen van boosheid of opwinding) en heeft betrekking op tal van (politieke) onderwerpen. Na ongeveer 53 minuten doet de verdachte de tenlastegelegde uitlatingen. Deze uitlatingen houden onder andere in dat het in de geschiedenis vaker is gebeurd dat regimes die zich tiranniek gedragen ten val worden gebracht door de bevolking en dat de verdachte er op hoopt dat dit ook gebeurt, in die zin dat mensen naar het parlement trekken en niet meer weggaan totdat de regering is gevallen. Hij geeft aan dat het verleden leert dat daarbij helaas soms ook dodelijke slachtoffers vallen. Vlak daarna zegt hij dat hij dat vreselijk vindt, dat hij hoopt dat dat kan worden voorkomen en dat hij hoopt op een fluwelen revolutie waarbij alles vreedzaam blijft. Deze laatste woorden zijn niet in de tenlastelegging opgenomen.

De verdachte heeft aangegeven dat hij ook in dit geval enkel op vreedzaam verzet heeft gedoeld. Hij heeft betwist dat hij in het interview heeft opgeruid tot geweld.

De advocaat-generaal heeft ook hier, in het verlengde van zijn standpunt ten aanzien van feit 1, aangegeven dat de verdachte hiermee opruit tot geweld tegen het openbaar gezag en dat hij geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte dat hij juist vreedzaam verzet heeft bepleit.

Oordeel hof

Het hof verwijst naar hetgeen het bij de beoordeling van feit 1 heeft overwogen. Naar het oordeel van het hof kan ook in dit geval niet worden gezegd dat de verdachte met zijn uitlatingen naar inhoud en strekking in hun onderlinge samenhang bezien direct of indirect heeft aangespoord tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. In tegenstelling tot de onder feit 1 genoemde uitlatingen noemt de verdachte het gebruik van geweld niet, maar spreekt hij enkel van verzet dat in zijn ogen vreedzaam dient te blijven. Ook hier ziet het hof de opmerkingen over vreedzaam verzet – anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank – niet louter als mitigerende opmerkingen maar als een relevant onderdeel in het betoog van de verdachte. De opmerking van de verdachte dat helaas het verleden heeft laten zien dat daarbij soms dodelijke slachtoffers vallen kan niet als opruiend worden beschouwd, nu dit enkel een constatering is die meteen wordt gevolgd door de woorden dat hij dat vreselijk vindt en dat hij hoopt dat te voorkomen. Daarbij dient ook te worden betrokken dat de verdachte deze woorden heeft gebruikt in een interviewsetting zoals hiervoor beschreven, waarbij tal van onderwerpen aan bod kwamen. Ook was de maatschappelijke onrust rondom het stikstofbeleid van medio 2022 op het moment van het plaatsen van het interview op YouTube weer geluwd.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat naar het oordeel van het hof niet is gebleken dat de verdachte in het interview direct heeft opgeruid noch de geesten rijp heeft gemaakt voor strafbaar handelen. Dit brengt mee dat de verdachte ook van het onder feit 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

8. Slot

Het vorengaande leidt ertoe dat de verdachte van de hem tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging;

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.C. van Veen
  • mr. K. Versteeg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?