GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.156/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/657721/HA ZA 23-1062
Arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[appellante] ,
wonend in [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. P. Thole, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
wonend in [woonplaats],
2. de ontbonden besloten vennootschap Witsenburg Bouw en Renovatie B.V.,voorheen gevestigd in [woonplaats],geïntimeerden,
niet verschenen.
Het hof noemt partijen hierna [appellante], [geïntimeerde 1] en [B&R], deze laatsten samen [geïntimeerden]
1. De zaak in het kort
[appellante] heeft een aannemingsovereenkomst gesloten met de aan [geïntimeerde 1] gelieerde vennootschap [WB] (hierna: WB). Zij vindt dat WB, die inmiddels is ontbonden, en [geïntimeerden], die volgens haar die overeenkomst hoofdelijk van WB hebben overgenomen, het aangenomen werk niet goed hebben uitgevoerd. Zij vordert in deze procedure vervangende schadevergoeding van [geïntimeerden] Het hof wijst die vordering in dit arrest toe.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep tot aan de mondelinge behandeling blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 3 april 2024 waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 januari 2024;
de rolbeslissing van 9 juli 2024 waarbij tegen [geïntimeerden] verstek is verleend;
de memorie van grieven van [appellante], met vermeerdering van eis en bijlagen.
Op 18 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Na de mondelinge behandeling heeft het hof [appellante] gewezen op de gevolgen van artikel 130 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voor haar vermeerdering van eis, en haar in de gelegenheid gesteld om die vermeerdering aan [geïntimeerden] te laten betekenen. [appellante] heeft het hof daarop verzocht arrest te wijzen zonder inachtneming van die vermeerdering van eis.
3. Feitelijke achtergrond
[appellante] is een particulier en [geïntimeerde 1] is een ondernemer in de bouw.
Op 3 juli 2020 is WB opgericht, met [beheer] B.V. als enig aandeelhouder en bestuurder.
[appellante] heeft in september 2021 met WB een aannemingsovereenkomst gesloten voor de renovatie van haar woning voor de aanneemsom van € 115.471,00 incl. btw (hierna: de aannemingsovereenkomst). Zij had daarover contact met [geïntimeerde 1].
WB is op enig moment begonnen met de renovatiewerkzaamheden. Tijdens een wekelijks overleg met [appellante] heeft [geïntimeerde 1] aan haar meegedeeld dat hij het voornemen had om het faillissement van WB aan te vragen dan wel om WB te liquideren, maar dat zij zich daarover geen zorgen hoefde te maken, omdat hij het aangenomen werk conform afspraak zou afmaken. [appellante] heeft daarop gereageerd met “fijn, bedankt”.
[appellante] heeft vanuit een bouwdepot diverse betalingen gedaan op een bankrekening van WB, laatstelijk op 14 juni 2022, voor in totaal ongeveer € 102.000,00.
WB is op 9 juni 2022 ontbonden, met benoeming van [geïntimeerde 1] als bewaarder van de boeken en bescheiden. Het uittreksel uit het handelsregister met betrekking tot WB vermeldt dat op 14 juni 2022 is geregistreerd dat WB is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 9 juni 2022.
Op 17 juni 2022 heeft [geïntimeerde 1] vanuit het adres “[emailadres 1]” en met als onderwerp “Afronding” het volgende geschreven aan [appellante]:
“We hebben nog een budget van Euro (…) 3.654,50
De volgorde moet zijn:
[Opsomming van werkzaamheden, hof]
Financien
[WB] is geliquideerd. Ik ga doorstarten in een nieuwe B.V.
Wij maken volgens afspraak jouw huis af; inclusief buitenschilderwerk.
Er is pas half Juli genoeg geld in de nieuwe B.V.
In de tussentijd moeten we 1 Juli halen met het bestaande budget.
(…)
Zondag maken wij een vervolg planning.
Met vriendelijke groet – With best regards,
[WB] ”
In de periode daarna heeft [geïntimeerde 1] met anderen werkzaamheden verricht aan de woning.
Op 8 juli 2022 is [B&R] opgericht, weer met [beheer] B.V. als enig aandeelhouder en bestuurder.
Op 2 augustus 2022 heeft [appellante] aan (onder anderen) [geïntimeerde 1] een lijst met openstaande punten gestuurd, met het verzoek om vóór 8 augustus 2022 een planning te sturen voor afronding van deze punten uiterlijk op 22 augustus 2022.
Op 22 augustus en 2 september 2022 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellante] vanuit het adres “[emailadres 2]” mails gestuurd met werkplanningen, telkens ondertekend met: “[WB](in liquidatie)[geïntimeerde 1]”.
Op 7 november 2022 heeft de advocaat van [appellante] aan [geïntimeerde 1] op datzelfde mailadres geschreven dat deze al geruime tijd in verzuim is komen te verkeren en dat [appellante] haar vordering tot nakoming van de aannemingsovereenkomst omzette in een vordering tot betaling van een vervangende schadevergoeding.
Op 14 november 2022 heeft [geïntimeerde 1] op dat bericht gereageerd met de mededeling dat hij dat bericht had ontvangen en dat hij het dossier overdroeg aan “onze” advocaat.
Op 15 maart 2023 heeft een expertisebureau in opdracht van [appellante] een onderzoek verricht naar de aan de woning verrichte werkzaamheden. [geïntimeerde 1] was daarvan schriftelijk (met aangetekend schrijven) op de hoogte gesteld, maar is niet gekomen.
Dat expertisebureau heeft bij rapport van 27 juni 2023 gebreken vastgesteld met geraamde herstelkosten van in totaal € 54.934,00 incl. btw, met inbegrip van stelposten van in totaal € 18.000,00 incl. btw voor bepaalde, nader te onderzoeken gebreken.
De advocaat van [appellante] heeft dat rapport op 4 juli 2023 aan [geïntimeerde 1] gestuurd en deze gesommeerd om dat bedrag binnen acht dagen aan [appellante] te betalen.
Op 6 september 2023 heeft het expertisebureau het hiervoor bedoelde nader onderzoek verricht naar de gebreken waarvoor het op 27 juni 2023 stelposten had opgevoerd. [geïntimeerde 1] was daarvan telefonisch en schriftelijk (met aangetekend schrijven) op de hoogte gesteld en had telefonisch aangegeven aanwezig te zullen zijn, maar is niet gekomen.
Bij rapport van 28 september 2023 heeft het expertisebureau de herstelkosten voor de betrokken stelposten geraamd op € 18.181,25 incl. btw.
Op 30 oktober 2023 heeft [appellante], na daartoe verkregen verlof, ten laste van [geïntimeerde 1] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder een aantal banken.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellante] heeft [geïntimeerden] gedagvaard en gevorderd dat [geïntimeerden], met verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad, hoofdelijk wordt veroordeeld om aan haar te betalen:- € 55.115,25 ten titel van vervangende schadevergoeding na tekortkoming, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 juli 2023;- € 1.604,64 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente vanaf de dag van dagvaarding;- € 1.386,40 aan beslagkosten;met veroordeling in de proceskosten, met rente.
[appellante] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] eerst in privé aan haar heeft toegezegd de verplichtingen van WB uit de aannemingsovereenkomst over te nemen, en dat hij later namens [B&R] heeft toegezegd dat ook deze nieuwe vennootschap, hoofdelijk met [geïntimeerde 1] in privé, die verplichtingen op zich neemt.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kon uit de stellingen van [appellante] niet worden opgemaakt dat [geïntimeerde 1] (in privé) en/of [B&R] de verplichtingen van WB jegens [appellante] had/hadden overgenomen.
5. Vordering in hoger beroep
[appellante] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en vordert hetzelfde als bij de rechtbank, met een vermeerdering van eis in punt 16 van haar memorie van grieven. Haar bezwaren zien op het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. Na de mondelinge behandeling heeft zij het hof verzocht arrest te wijzen zonder inachtneming van de hiervoor bedoelde vermeerdering van eis.
6. Beoordeling in hoger beroep
Bevoegdheid en beoordelingskader
Het hof is op grond van artikel 4 lid 1 Verordening Brussel Ibis bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen zowel [geïntimeerde 1] als [B&R], omdat deze, toen [appellante] haar vorderingen tegen hen heeft ingesteld, beide woonplaats hadden in Nederland, in het geval van [B&R] in de zin van artikel 63 Verordening Brussel Ibis.
Omdat [geïntimeerden] in eerste aanleg en in hoger beroep niet is verschenen, zal het hof de vorderingen van [appellante] op grond van artikel 139 Rv, gelezen in samenhang artikel 353 lid 1 Rv, in geval van gegrondverklaring van een grief toewijzen, tenzij die vorderingen het hof onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Vermeerdering van eis
Op grond van artikel 130 lid 3 Rv, gelezen in samenhang artikel 353 lid 1 Rv, is een vermeerdering van eis in hoger beroep uitgesloten indien een partij niet in het geding is verschenen, tenzij de eiser de vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. Omdat [appellante] haar hiervoor onder 5.1 bedoelde vermeerdering van eis kenbaar heeft gemaakt in haar memorie van grieven, heeft het hof haar in de gelegenheid gesteld om die memorie aan [geïntimeerden] te laten betekenen. [appellante] heeft het hof echter als gezegd bericht daarvan geen gebruik te maken. Dit heeft tot gevolg dat die vermeerdering van eis nu niet toelaatbaar is en dat het hof recht zal doen op de vorderingen in eerste aanleg, zoals in de appeldagvaarding gevorderd.
Contractoverneming
[appellante] stelt dat eerst [geïntimeerde 1] in privé en vervolgens [B&R] hoofdelijk met [geïntimeerde 1] de aannemingsovereenkomst hebben overgenomen van WB.
De op deze stelling gebaseerde vorderingen komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 6:159 lid 1 BW kan een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. Op grond van het tweede lid van die bepaling gaan alle rechten en verplichtingen over op de derde, voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is bepaald. Krachtens het derde lid is op deze overdracht van overeenkomstige toepassing onder andere artikel 6:156 lid 1 BW. Daaruit volgt dat wanneer de schuldeiser bij voorbaat zijn toestemming tot een contractoverneming heeft gegeven, de overgang plaatsvindt zodra de schuldenaar tot overeenstemming is gekomen met de derde en partijen de schuldeiser schriftelijk van de overneming kennis hebben gegeven.
- Contractoverneming door [geïntimeerde 1] in privé
[appellante] heeft de aannemingsovereenkomst in september 2021 gesloten met WB, die bij de uitvoering daarvan werd vertegenwoordigd door [geïntimeerde 1].
Ergens voor juni 2022 heeft [geïntimeerde 1] mondeling aan [appellante] meegedeeld dat hij van plan was om het faillissement van WB aan te vragen of om WB te liquideren, maar dat zij zich daarover geen zorgen hoefde te maken, omdat hij de woning conform afspraak ging afmaken. [appellante] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [geïntimeerde 1] het op dat moment niet heeft gehad over een mogelijke doorstart in een nieuwe vennootschap. Gelet daarop mocht zij deze mededeling opvatten als een kennisgeving van [geïntimeerde 1], zowel als vertegenwoordiger van WB als in privé, dat hij in privé de verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst zou overnemen die nog zouden bestaan op het moment van het faillissement dan wel de ontbinding van WB.
[appellante] heeft daaraan bij voorbaat haar medewerking verleend door daarop tijdens dat gesprek te reageren met “fijn, bedankt”.
In de eerste volzin van zijn hiervoor onder 3.7 weergegeven mailbericht aan [appellante] van 17 juni 2022 schrijft [geïntimeerde 1] “We hebben nog een budget van Euro (…) 3.654,50”. WB was toen op 9 juni 2022 ontbonden, onder benoeming van [geïntimeerde 1] tot bewaarder van de boeken en bescheiden. [geïntimeerde 1] verwijst later in dat bericht ook naar het feit dat WB is geliquideerd. Gelet op een en ander mocht [appellante] deze eerste volzin opvatten als een mededeling van [geïntimeerde 1] als bewaarder van de boeken en bescheiden van WB dat van haar eerdere betalingen op dat moment nog een batig saldo overbleef van € 3.654,50.
Gelet op diezelfde context, op het feit dat [geïntimeerde 1] eerder, toen hij het nog niet had gehad over een doorstart in een andere vennootschap, heeft toegezegd het werk te zullen afmaken, en op het feit dat hij later in dit bericht wel naar die doorstart verwijst, maar vermeldt dat in de tussentijd met dat budget moet worden gewerkt, mocht [appellante] het woord “We” in diezelfde eerste volzin opvatten als een verwijzing naar [geïntimeerde 1] in privé en zijzelf.
Gelet op het voorgaande mocht [appellante] dat bericht, dat [geïntimeerde 1] heeft ondertekend namens “[WB]”, aldus opvatten dat hij daarin zowel optrad in privé als in de hoedanigheid van bewaarder van de boeken en bescheiden van die inmiddels ontbonden vennootschap waarmee [appellante] de aannemingsovereenkomst had gesloten. Daarmee mocht zij dat bericht opvatten als een akte van overdracht in de zin van artikel 6:159 lid 1 BW.
Dit betekent de contractoverneming door [geïntimeerde 1] in privé op dat moment een feit is.
- Contractoverneming door [B&R]
In datzelfde mailbericht vervolgt [geïntimeerde 1] dat hij gaat doorstarten in een nieuwe B.V., maar dat daar pas half juli (2022, hof) genoeg geld in zal zitten (naar het hof begrijpt: om vanuit die nieuwe B.V. werkzaamheden te kunnen verrichten). [appellante] voert aan dat zij, gelet op de verwijzing naar die doorstart, de “Wij” in de volzin “Wij maken volgens afspraak jouw huis af” anders mocht opvatten dan de eerste “We”, namelijk als “Ik, [geïntimeerde 1] in privé en de B.V. in oprichting”. Summier oordelend mocht zij naar het oordeel van het hof die volzin daarom opvatten als een aanvullende contractoverneming waarbij deze nieuwe B.V. in oprichting hoofdelijk naast [geïntimeerde 1] in privé de aannemingsovereenkomst zou overnemen. Daarmee mocht zij dat bericht ook in die verhouding opvatten als een akte van overdracht in de zin van artikel 6:159 lid 1 BW.
[appellante] heeft na dat mailbericht toegelaten dat [geïntimeerde 1] werkzaamheden aan haar woning bleef verrichten en is met [geïntimeerde 1] werkbesprekingen blijven houden. Daarin ligt besloten dat zij ook heeft meegewerkt aan deze aanvullende contractoverneming door de B.V. i.o.
Die werkzaamheden hebben deels plaatsgevonden na de oprichting van [B&R], op 8 juli 2022. Daarmee heeft die nieuwe vennootschap de hiervoor bedoelde aanvullende contractoverneming bekrachtigd.
Dit betekent dat toen ook een aanvullende, hoofdelijke contractoverneming, door [B&R], een feit is geworden.
Dat [geïntimeerde 1] op 22 augustus en 2 september 2022 aan [appellante] mails heeft gestuurd die hij heeft ondertekend met “[WB] (in liquidatie)” doet niet af aan het voorgaande, omdat op dat moment al sprake is geweest van contractovernemingen en WB vanaf 17 juni 2022 dus niet langer partij was bij de aannemingsovereenkomst.
Gevolgen voor de vorderingen
Uit de door [appellante] overgelegde expertiserapporten volgt dat WB en/of [geïntimeerden] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de op hen rustende verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst.
[appellante] voert terecht aan dat [geïntimeerden] met betrekking tot die tekortkoming in verzuim is geraakt doordat hij niet heeft gereageerd op haar sommatie van 2 augustus 2022 om vóór 8 augustus 2022 een planning te sturen voor afronding van openstaande punten uiterlijk op 22 augustus 2022. [appellante] mocht die verbintenissen daarom op grond van artikel 6:87 BW met het mailbericht van haar advocaat van 7 november 2022 omzetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.
De hoogte van de schade volgt uit de hiervoor bedoelde expertiserapporten en bedraagt (€ 54.934,00 - € 18.000,00 + € 18.181,25 =) € 55.115,25.
De door [appellante] over dat bedrag gevorderde rente is toewijsbaar. Die rente is verschuldigd: - vanaf 14 juli 2023, zoals gevorderd, over € 54.934,00, omdat die datum is gelegen na ommekomst van de termijn van acht dagen die de advocaat van [appellante] in zijn mailbericht aan [geïntimeerde 1] van 4 juli 2023 heeft gesteld voor betaling van dat bedrag; en- vanaf 13 november 2023, de datum van de inleidende dagvaarding, over € 181,25, het resterende bedrag van de in eerste aanleg gevorderde hoofdsom ad € 55.115,25 .
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [appellante] heeft met het mailbericht van haar advocaat van 4 juli 2023 buitengerechtelijke incassokosten gemaakt. Het bedrag van € 1.604,64 dat zij ten titel van deze kosten vordert, stemt overeen met het bedrag volgend uit het hiervoor bedoelde Besluit en is daarom toewijsbaar, met, zoals gevorderd, wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding. Daarmee komt de totale betalingsveroordeling uit op (€ 55.115,25 + € 1.604,64 =) € 56.719,89.
De kosten voor het leggen van conservatoir beslag zijn toewijsbaar als onderdeel van de proceskosten, zoals hierna bepaald.
Slotsom en proceskosten
Het hoger beroep van [appellante] slaagt. Het hof zal daarom het bestreden vonnis vernietigen, de vorderingen van [appellante] toewijzen zoals hierna bepaald en [geïntimeerden] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep. Het hof begroot die proceskosten aan de zijde van [appellante] als volgt, uitgaand van tariefgroep IV.
Conservatoir beslag
Exploten € 1.072,40
Griffierecht € 314,00
Salaris advocaat € 1.880,00 (1 punt)
Eerste aanleg
Dagvaarding € 136,28
Griffierecht € 987,00
Salaris advocaat € 1.880,00 (1 punt)
Nakosten € 173,00
Hoger beroep
Dagvaarding € 140,17
Griffierecht € 798,00
Salaris advocaat € 4.704,00 (2 punten)
Nakosten € 189,00
Totaal € 12.284,85
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna bepaald.
7. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, I. Brand en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.