GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.360.476/01
Zaaknummers rechtbank : C/09/687943 / KG ZA 25-656
Arrest van 10 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. A.H. van Haga te Den Haag,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.
Het hof zal partijen hierna de vrouw en de man noemen.
1. De zaak in het kort
In geschil is de vaststelling van een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de door hem erkende minderjarige en de nakoming daarvan door de vrouw onder verbeurte van een dwangsom.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de spoedappeldagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex artikel 351 Rv van 9 oktober 2025, met producties, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 11 september 2025 (hierna ook: het bestreden vonnis);
- de memorie van antwoord in de hoofdzaak, tevens houdende antwoordconclusie in het incident, tevens houdende incidenteel appel, met bijlagen;
- de akte overlegging producties van de vrouw van 13 januari 2026;
- de akte overlegging producties van de man van 16 januari 2026;
- een H12-formulier, met bijlagen, van de vrouw per e-mail(s) van 26 januari 2026.
Op 27 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. De beide advocaten hebben pleitaantekeningen overgelegd.
Het hof wijst arrest op de stukken zoals vermeld onder 2.1, aangevuld met de overgelegde pleitaantekeningen en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen.
3. Feitelijke achtergrond
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
De man heeft [minderjarige] voor de geboorte erkend. De vrouw heeft op dit moment alleen het gezag over de minderjarige, die feitelijk bij haar verblijft.
4. Procedure bij de voorzieningenrechter
De man heeft de vrouw gedagvaard en, kort weergegeven, gevorderd een voorlopige omgangsregeling met de minderjarige te bepalen tot in de bodemprocedure anders is beslist, opbouwend van een aantal uur op zaterdag naar een weekendregeling, waarbij de man de minderjarige zal halen en brengen naar het huidige woonadres van de vrouw. Voorts heeft de man gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat zij de omgangsregeling (niet geheel) nakomt. Tot slot heeft de man gevorderd de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de griffierechten en de advocaatkosten alsmede de eventuele nakosten.
De vrouw heeft verweer gevoerd en gevorderd de man in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige (opbouwende) omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vastgesteld, inhoudende dat de minderjarige bij de man is:
- de eerste drie keer op zaterdag (eerste zaterdag: 20 september 2025) en daarna afwisselend de ene week op maandag (wanneer de man vrij heeft van zijn werk) en de andere week op zaterdag, steeds van 9.00 uur tot 11.00 uur,
- waarbij de eerste drie keer op zaterdag begeleid worden door een door de vrouw aan te wijzen persoon, bijvoorbeeld de grootmoeder aan de zijde van de vrouw, en op een door haar aan te wijzen locatie, waarbij de vrouw verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarige. Indien de vrouw het nalaat om een begeleider en/of een locatie aan te wijzen vindt het omgangsmoment onbegeleid plaats in de woning van de man;
- na drie begeleide omgangsmomenten vinden de omgangsmomenten onbegeleid plaats in de woning van de man, waarbij de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarige;
- na voornoemde zes omgangsmomenten: afwisselend de ene week op maandag (wanneer de man vrij heeft van zijn werk) en de andere week op zaterdag, steeds van 9.00 uur tot 15.00 uur, waarbij de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarige;
Voorts heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de moeder een dwangsom van € 150,- verbeurt voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw voornoemde vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 3.000,-.
De voorzieningenrechter heeft verder bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.
5. Vorderingen in hoger beroep
De vrouw is in hoger beroep gekomen en vordert in het incident dat het hof de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis schorst. In de hoofdzaak vordert zij dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, het door de man in eerste aanleg gevorderde alsnog afwijst.
De vrouw voert daartoe, kort weergegeven, het volgende aan. Partijen hebben geen affectieve relatie gehad. De man was een bekende van (de familie) van de vrouw. Hij is alleen donor geweest. Partijen hebben de afspraak gemaakt dat de man geen deel zou uitmaken van het leven van de minderjarige. Zij hebben daartoe volgens de vrouw ook een donorovereenkomst gesloten, waarin is overeengekomen dat de man de minderjarige maximaal 4 uur per maand onder toezicht van de vrouw mag bezoeken. De vrouw stelt dat zij door de man onder druk is gezet om de minderjarige door hem te laten erkennen. Partijen hebben volgens de vrouw niet samengewoond. De man heeft de minderjarige ook nooit verzorgd en opgevoed en naar de mening van de vrouw is hij ook niet in staat en ongeschikt om contact met de minderjarige te hebben. De man is volgens de vrouw gevaarlijk. De vrouw stelt dat zij door de man is mishandeld. Zij voelt zich door hem geïntimideerd en bedreigd en is bang voor hem. De hele gang van zaken heeft een ernstige impact op het leven en welbevinden van de vrouw. Volgens de vrouw zal verdere omgang in ieder geval geestelijk nadeel voor de minderjarige opleveren.
De man voert verweer. In het incident vordert hij dat het hof de incidentele vordering afwijst. In de hoofdzaak vordert de man dat het hof het hoger beroep van de vrouw afwijst en de in het bestreden vonnis vastgestelde voorlopige zorgregeling bekrachtigt. In incidenteel appel vordert de man dat het hof het bestreden vonnis vernietigt voor zover het betreft de aan de vrouw opgelegde dwangsom en het daaraan verbonden maximumbedrag en, opnieuw rechtdoende, bepaalt dat de vrouw bij niet nakoming van de voorlopige omgangsregeling een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag of dagdeel zonder een vastgesteld maximum.
De man voert, kort weergegeven, het volgende aan. De man betwist dat hij slechts een donor is geweest. Volgens hem hebben partijen een affectieve relatie gehad en met de minderjarige als gezin samengeleefd. De man betwist voorts hetgeen door de vrouw is aangevoerd met betrekking tot de erkenning van de minderjarige, de gestelde mishandeling en zijn controlerende en dwingende houding tegenover haar. De man betwist daarnaast de echtheid van zijn handtekening onder de donorovereenkomst en stelt dat hij niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het eenhoofdig gezag. De man verklaart dat hij vanaf het begin een vaderrol heeft willen vervullen en dat hij daartoe ook in staat is. De man geeft aan dat hij zich zorgen maakt over de beschermde omgeving waarin de minderjarige bij de vrouw opgroeit en de vijandige houding van de vrouw naar de buitenwereld.
6. Beoordeling in hoger beroep
Spoedeisend belang
Anders dan de vrouw stelt, is er naar het oordeel van het hof wel sprake van een spoedeisend belang in deze zaak. Dit belang is daarin gelegen dat er al gedurende lange tijd geen omgang tussen de man en de minderjarige is geweest. Op het moment van het aanhangig maken van het kort geding had de man de minderjarige vanaf mei 2025 niet meer gezien. Na het bestreden vonnis heeft de man drie begeleide contactmomenten met de minderjarige gehad in september/oktober 2025. Weliswaar is er thans een bodemprocedure aanhangig betreffende het gezag over en de omgang met de minderjarige, maar er is nog niet bekend op welke termijn de zaak door de rechtbank (op zitting) zal worden behandeld.
Complexiteit van de zaak
De vrouw stelt voorts dat de zaak zo complex is dat deze zich niet leent voor behandeling in kort geding en dat de kinderrechter in een bodemprocedure beter is toegerust om te beoordelen wat het meest in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht over deze zaak in kort geding heeft beslist. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat er veel spanning tussen partijen is. Zij hebben ieder een heel andere eigen lezing van de aard van hun voormalige relatie, de situatie waarin de minderjarige geboren is en de rol van de man in het leven van de minderjarige en de vrouw nadien. Verder speelt tussen partijen een kwestie over de echtheid van handtekeningen van de man onder een donorovereenkomst en de verklaring betreffende eenhoofdig gezag. Dit alles kan in de bodemprocedure worden uitgezocht, maar dit maakt niet dat in een kort geding, vooruitlopend op die bodemprocedure, in het belang van de minderjarige niet al een voorlopig oordeel over de omgang kan worden gegeven.
De omgangsregeling
Vast staat dat de man de biologische en juridische vader van de minderjarige is. Hij heeft de minderjarige erkend. Ingevolge artikel 1:377a BW lid 1 heeft de minderjarige dan ook recht op omgang met de man. De man heeft het recht op en de verplichting tot omgang met de minderjarige. De rechter ontzegt de omgang slechts indien er sprake is van een van de ontzeggingsgronden zoals genoemd in lid 3 van voornoemd artikel. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een van deze ontzeggingsgronden. Het hof is niet gebleken dat de man kennelijk niet in staat of ongeschikt is tot omgang met de minderjarige. Ook is niet gebleken van ernstig nadeel voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige noch dat omgang anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige is. Het hof heeft geen onderbouwd signaal dat de situatie bij de man onveilig voor de minderjarige zou zijn of dat de omgang van de man met de minderjarige niet goed zou verlopen. Het hof acht het ook in het belang van de minderjarige, mede bezien haar leeftijd en het feit dat zij de man al geruime tijd niet heeft gezien, dat er enige vorm van omgang tussen haar en de man is. In hetgeen de vrouw heeft aangevoerd - mede gelet op de opbouw in de door de voorzieningenrechter bepaalde omgangsregeling - ziet het hof geen aanleiding om te bepalen dat de omgang nu nog begeleid dient te worden. Deze omgang kan onbegeleid plaatsvinden.
Het hof zal dan ook het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover het de daarin vastgestelde voorlopige omgangsregeling betreft. Het hof stelt vast dat de in die regeling opgenomen fase van opbouw van de omgangsregeling is verstreken. Deze fase zou hebben geleid tot de omgang tussen de minderjarige en de man de ene week op maandag en de andere week op zaterdag van 9.00 tot 15.00 uur, waarbij de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarige. Dit is dan ook de omgangsregeling zoals deze nu voorlopig, totdat in de bodemprocedure wordt beslist, moet worden uitgevoerd. De vrouw heeft ter zitting, daarnaar gevraagd, verklaard het moeilijk te vinden om de overdracht van de minderjarige bij de contactmomenten spanningsvrij te laten verlopen. Het hof acht begeleiding bij deze overdrachtsmomenten dan ook gewenst. De vrouw heeft aangegeven akkoord te zijn met begeleiding door haar vader. De man heeft ter zitting aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. Er zijn dan, zo ziet het hof, twee mogelijkheden voor overdracht van de minderjarige in aanwezigheid van de vader van de vrouw: 1) de man haalt de minderjarige bij de vrouw thuis op alwaar de vader van de vrouw zal zijn, of 2) de man haalt de minderjarige bij de vader van de vrouw thuis op. Het is aan de vrouw uit deze mogelijkheden te kiezen. Het hof geeft daarbij mee dat het ook een optie zou kunnen zijn dat de vader van de vrouw de minderjarige naar het huis van de moeder van de man brengt en dat deze optie de minste spanning met zich mee zal brengen. Het hof gaat ervan uit dat het terugbrengen van de minderjarige door de man zelf kan gebeuren.
De dwangsom
Uitgangspunt is dat partijen een uitspraak van een (voorzieningen)rechter nakomen. Een dwangsom kan daarbij worden opgelegd als financiële prikkel om een partij te bewegen mee te werken aan die uitspraak. De vrouw heeft zich, na de drie begeleide contactmomenten, niet gehouden aan de door de voorzieningenrechter vastgestelde omgangsregeling. De door de voorzieningenrechter bepaalde dwangsom brengt de vrouw er blijkbaar niet toe zich aan de vastgestelde omgangsregeling te houden. De vrouw heeft bij ieder vastgesteld contactmoment een bedrag van € 150,- aan de man betaald. Het hof maakt hieruit op dat de door de voorzieningenrechter bepaalde dwangsom blijkbaar te laag is, en geen afdoende financiële prikkel aan de vrouw geeft om de omgangsregeling na te komen. Het hof zal de dwangsom dan ook met ingang van de datum van dit arrest verhogen naar € 300,- per dag of dagdeel dat de vrouw niet de door de voorzieningenrechter vastgestelde voorlopige omgangsregeling nakomt, met een maximum van € 10.000,-. Het hof merkt hierbij op dat niet is gebleken dat de vrouw hierdoor in ernstige financiële problemen zal geraken. Dat zij sinds begin januari 2026 bij de Voedselbank is aangemeld is onvoldoende onderbouwing voor deze stelling.
De incidentele vordering
Nu het hof heden in de hoofdzaak beslist, heeft de vrouw geen belang meer bij haar incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis. Het hof wijst deze incidentele vordering dan ook af.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure compenseert het hof de proceskosten.
7. Beslissing
Het hof:
wijst af de incidentele vordering van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis;
bekrachtigt het bestreden vonnis en bepaalt in aanvulling daarop:
- dat de overdrachtsmomenten zullen worden begeleid door de vader van de vrouw, waarbij het aan de vrouw is om een van de in rechtsoverweging 6.4 genoemde opties te kiezen, en dat het terugbrengen van de minderjarige door de man zal gebeuren;
- dat de vrouw met ingang van de datum van dit arrest een dwangsom van € 300,- verbeurd voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij de door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,-;
verklaart de uitspraak in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.C.C. Lückers, C.N. Warnaar en L. Koper en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door
de oudste raadsheer