[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Ontvankelijkheid van de verdachte en de officier van justitie in het hoger beroep
Na hervatting van de behandeling van het hoger beroep op de terechtzitting van 18 februari 2026 heeft de verdediging kenbaar gemaakt dat de grieven tegen het vonnis niet langer worden gehandhaafd en heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. De verdachte heeft kenbaar gemaakt dat de lange duur van de procedure en het ontbreken van voldoende perspectief op een voor hem minder verstrekkende maatregel daaraan ten grondslag liggen.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal op de terechtzitting van 18 februari 2026 kenbaar gemaakt dat ook de grieven van de officier van justitie tegen het vonnis niet langer worden gehandhaafd en heeft zij gevorderd zowel de officier van justitie als de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat zij haar standpunt ten aanzien van het OM-appel inneemt na de slachtoffers/benadeelde partijen dan wel hun advocaat daarover persoonlijk te hebben gesproken.
Het hof ziet in de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve evenmin redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep.
Het hof zal, gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering, de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, en mr. J.W. van den Hurk en mr. B. Stapert, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 februari 2026.
Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.