GERECHTSHOF DEN HAAG
raadkamer beklagzaken
BESCHIKKING
gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[naam klaagster],
klaagster,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar raadsvrouw mr. S. Sabir, advocaat te Den Haag.
1. Het beklag
Het klaagschrift (met bijlagen) is op 17 juli 2023 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Rotterdam om [naam beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen voor discriminatie.
Voor het verloop van de procedure en hetgeen eerder in deze zaak is voorgevallen verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 15 oktober 2025 met bijbehorend proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 24 september 2025, waar klager en haar raadsvrouw zijn gehoord.
2. Het verslag van de advocaat-generaal
Bij verslag van 24 april 2025 heeft de advocaat-generaal het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.
3. De stukken betreffende het beklag
Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht namens de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van 13 september 2023.
4. De feiten en standpunten
Klaagster heeft op 5 oktober 2022 bij de politie tegen beklaagde aangifte gedaan van discriminatie op basis van haar geloof, gepleegd op 25 september 2022.
Klaagster verklaart in de aangifte – kort weergegeven – op voornoemde datum in de viszaak van beklaagde uitgesloten te zijn vanwege haar geloof.
Klaagster bezocht op 25 september 2022 de viszaak van beklaagde om kibbeling te bestellen. Klaagster droeg een niqab. Nadat beklaagde kenbaar had gemaakt klaagster niet te willen helpen heeft klaagster haar telefoon gepakt om de situatie te filmen. Er is een discussie ontstaan tussen beklaagde en klaagster, waarbij beklaagde veelvuldig heeft aangegeven dat hij haar niet wilde helpen omdat hij het gezicht van klaagster niet kon zien en dat dit zijn regels waren. Bij een latere gelegenheid heeft hij aangegeven dat zijn huisregels niet in zijn zaak hangen.
Beklaagde is op 3 november 2022 als verdachte gehoord. Hij wenste niet inhoudelijk over de situatie te verklaren en heeft naar de videobeelden verwezen. Ook heeft hij herhaaldelijk aangegeven pas nader bij de rechter te willen verklaren.
Van het incident zijn beelden aanwezig. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2022 relateert de verbalisant die de beelden heeft bekeken dat beklaagde klaagster de toegang tot de viszaak ontzegd.
Met betrekking tot de (overige) feiten verwijst het hof kortheidshalve naar het dossier en naar de weergave daarvan in het ambtsbericht namens de hoofdofficier van justitie.
De officier van justitie heeft de zaak geseponeerd wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De officier van justitie heeft daarbij overwogen dat er weliswaar sprake is van indirecte discriminatie, maar dat er in onderhavig geval een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Van een strafbare discriminatie is derhalve geen sprake.
De raadsvrouw van klaagster stelt zich in het klaagschrift op grond van de daarin vermelde feiten en omstandigheden op het standpunt dat – kort samengevat - er geen objectieve rechtvaardiging is en dat er wel degelijk sprake is van strafbare discriminatie. Voorts betoogt de raadsvrouw dat sprake is van directe discriminatie, nu klaagster anders behandeld werd vanwege haar geloofsbelijdenis en de niqab een uitdraging van dit geloof is.
In het ambtsbericht namens de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van 13 september 2023 wordt geadviseerd het beklag af te wijzen. Er is geen sprake van directe discriminatie zoals betoogd in het klaagschrift, omdat de reden voor het gemaakte onderscheid niet direct terug te voeren is tot één van de gronden zoals genoemd in artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Beklaagde noemt niet dat het feit dat klaagster moslima is als weigeringsgrond voor toegang, maar het feit dat hij haar gezicht niet kan zien.
In het schriftelijk verslag van 24 april 2025 adviseert de advocaat-generaal eveneens tot afwijzing van het beklag, echter op andere gronden. De advocaat-generaal sluit zich niet zonder meer aan bij de redenering van de officier van justitie in het sepot dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Volgens hem kan in het onderhavige geval betoogd worden dat de weigering klaagster te helpen niet zonder meer objectief gerechtvaardigd is. De advocaat-generaal acht vervolging van beklaagde thans echter niet meer opportuun.
5. De behandeling in raadkamer
De meervoudige beklagkamer heeft het klaagschrift – na aanhouding van de behandeling in raadkamer op 24 september 2025 – op 27 januari 2026 verder in raadkamer behandeld.
Klaagster en haar raadsvrouw zijn verschenen.
Beklaagde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
De advocaat-generaal mr. G.K. Schoep heeft tijdens de behandeling in raadkamer op 24 september 2025
- overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag – geadviseerd tot afwijzing van het beklag.
6. De beoordeling van het beklag
Het hof onderkent het principiële karakter van deze zaak. Na bestudering van de stukken in het dossier en gehoord hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen voor discriminatie niet in stand kan blijven.
Het hof is van oordeel dat er in deze zaak, gelet op de aangifte, de zich in het dossier bevindende camerabeelden en de verklaring van beklaagde, voldoende aanknopingspunten voor een succesvolle strafvervolging van beklaagde voor discriminatie aanwezig zijn. Ook de ernst van het feit is zodanig dat strafvervolging ter zake discriminatie wegens de godsdienst van klaagster (artikel 429quater Sr) aangewezen is.
Vervolging is in dit geval naar het oordeel van het hof ook opportuun. Zowel het belang van klaagster als het algemeen belang bij duidelijkheid over de strafbaarheid van het verweten handelen rechtvaardigen het instellen van een strafvervolging.
Het hof licht dit als volgt toe.
Er bestaat in de samenleving onduidelijkheid over de reikwijdte van de strafbaarstelling van artikel 429quater Sr, mede in het licht van hetgeen in artikel 90quater Sr is bepaald. Dit blijkt ook uit de verschillende adviezen van het openbaar ministerie, waarin steeds andere gronden voor de niet vervolging zijn gegeven.
De wetgever heeft het aan de rechter gelaten te beoordelen wat moet worden verstaan onder een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het maken van onderscheid, en daarmee onder welke omstandigheden het toelaatbaar is dat een winkeleigenaar of andere particulier, gelet op het dragen van gezichtsbedekkende kleding, iemand de toegang weigert of – zoals hier - weigert diegene te helpen.
Het hof acht het gelet op het voorgaande – en ondanks het tijdsverloop - wenselijk dat deze zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd, zodat de norm niet alleen in dit individuele geval kan worden bevestigd, maar er ook meer duidelijkheid komt voor de samenleving als geheel. Een strafvervolging van beklaagde kan dus ook dienen ter beantwoording van de ook door de advocaat-generaal in zijn verslag benoemde rechtsvragen.
Nu beklaagde, zonder enig bericht, niet ter zitting in raadkamer is verschenen om zijn kant van het verhaal nader toe te lichten, ziet het hof daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Dat beklaagde mogelijk al nadelige gevolgen heeft ondervonden van zijn handelen, nadat de beelden daarvan op internet zijn geplaatst, geeft het hof ook geen aanleiding voor een andere beslissing, ook omdat de aandacht die de beelden hebben gekregen de maatschappelijke impact van de zaak juist (heeft) vergroot.
Het beklag is dan ook terecht gedaan, zodat moet worden beslist als volgt.
7. De beslissing
Het hof:
Verklaart het beklag gegrond en gelast de strafvervolging van [naam beklaagde] voor beroepsmatige discriminatie.
Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 2 maart 2026 door mr. B.P. de Boer, voorzitter, mr. O.M. Harms en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Toorens, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.