ECLI:NL:GHDHA:2026:371

ECLI:NL:GHDHA:2026:371

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 22-002437-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Man pleegt ontuchtige handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met 15-jarige stiefdochter. Hof is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn alsmede dat er voldoende steunbewijs is, onder andere bestaande uit DNA-bevindingen aangetroffen condoom.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-002437-21

Parketnummer: 10-681030-19

Datum uitspraak: 5 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts is een beslissing genomen over de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 22 september 2019 te Dordrecht, met [slachtoffer] , geboren op 07 maart 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , namelijk

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- het betasten van en/of likken aan de borsten van die [slachtoffer] en/of

- het duwen en/of brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het duwen en/of brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] , zulks terwijl die/dat feit(en) telkens, werd(en) begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals ook door de rechtbank opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, en daartoe aangevoerd dat er geen steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer] (hierna verder: [slachtoffer] ), nu al het andere bewijs uit dezelfde bron komt en niet op zichzelf staat. Ten aanzien van het in het bestreden vonnis als bewijsmiddel gebruikte seksueel getinte appverkeer tussen de verdachte en [slachtoffer] geldt dat niet bekend is welke precieze bewoordingen daarin gebruikt zijn, nu die berichten ontbreken in het dossier. Voorts heeft de raadsman vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .

Het hof verwerpt het verweer en overweegt het volgende.

Algemeen kader

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452 en HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717).

Bij zedenzaken komt het veelal aan op de vraag in hoeverre de door één persoon verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het steunbewijs hoeft echter geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is voldoende wanneer de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.

Oordeel hof

De verklaringen die door [slachtoffer] zijn afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris zijn gedetailleerd en consistent en komen authentiek voor.

[slachtoffer] is eerlijk over haar aandeel in de gebeurtenissen en heeft de rol van de verdachte niet groter gemaakt door niet te verbloemen dat zij destijds instemde met de seksuele handelingen. Zij heeft bovendien niet het initiatief genomen om aangifte tegen de verdachte te doen. Deze omstandigheden dragen naar het oordeel van het hof bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen.

Het hof ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer] en acht deze betrouwbaar.

Deze verklaringen worden deels door de verklaring van de verdachte ondersteund. Zo verklaren zij beiden over de gebeurtenissen voor 10 april 2019, waarbij [slachtoffer] bij verdachte op de bank lag en zijn penis heeft aangeraakt c.q. hem heeft afgetrokken. Ook haar verklaring over het uitwisselen van de seksueel getinte Whatsapp-berichten wordt door de verdachte bevestigd. Dat de berichten ontbreken in het dossier en de precieze teksten daarin dus niet bekend zijn doet daaraan niet af, nu de verdachte heeft erkend dat de strekking van de berichten expliciet seksueel getint was.

Voorts is het hof van oordeel dat tot het steunbewijs de verklaring van [moeder slachtoffer] , de moeder van het slachtoffer, kan worden gebezigd. Zij heeft verklaard dat zij brieven van [slachtoffer] gericht aan de verdachte heeft gevonden en dat zij haar dochter met deze brieven dan wel notities heeft geconfronteerd. [slachtoffer] heeft haar moeder verteld dat zij seks met de verdachte had gehad. Tijdens dat gesprek nam [moeder slachtoffer] zelf waar dat [slachtoffer] heel hard ging huilen en zij door het huilen moeite had om te praten, waarop [moeder slachtoffer] de tijd heeft genomen om haar te troosten, zodat zij rustiger zou worden.

Daarnaar gevraagd vertelde [slachtoffer] haar onder meer dat zij soms wel en soms niet een condoom gebruikten en dat de verdachte de gewoonte had om de gebruikte condooms aan de voorzijde van de woning naar buiten te gooien. [moeder slachtoffer] is, op aanwijzen van [slachtoffer] , buiten gaan zoeken en heeft inderdaad condooms aangetroffen op het gras voor de flat. Zij heeft drie condooms veiliggesteld en overhandigd aan de politie.

Deze condooms zijn onderzocht door het NFI. In één van de dichtgeknoopte condooms (condoom A) is zowel het DNA van de verdachte (sperma) als DNA van [slachtoffer] aan de binnenzijde van het condoom aangetroffen. De verdachte heeft daar geen verklaring voor gegeven. Het hof is van oordeel dat het aantreffen van dit condoom en het daarin aantreffen van DNA van de verdachte en [slachtoffer] volledig passen bij de verklaring van [slachtoffer] , en dus ondersteunend zijn voor haar verklaring.

De suggestie van de verdediging dat de condoom door [slachtoffer] is gemanipuleerd door haar DNA daarin aan te brengen, is door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd of geconcretiseerd. Het dossier bevat ook geen enkele aanwijzing in die richting; op het moment dat de condooms door [moeder slachtoffer] zijn gevonden bestond er bij [slachtoffer] geen enkele intentie om de verdachte in een kwaad daglicht te stellen.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 22 september 2019 te Dordrecht, met [slachtoffer] , geboren op 07 maart 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , namelijk- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of- het betasten van en/of likken aan de borsten van die [slachtoffer] en/of- het duwen en/of brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het duwen en/of brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ,zulks terwijl die/dat feit(en) telkens, werd(en) begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit

het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vijf maanden schuldig gemaakt aan

het seksueel binnendringen en het plegen van ontuchtige handelingen met zijn toen 15-jarige

stiefdochter. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het in hem

gestelde vertrouwen als stiefvader. Dit is een ernstig feit, waarmee verdachte inbreuk heeft

gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer.

De ervaring leert dat slachtoffers van seksueel misbruik nog langdurig de psychische en

emotionele gevolgen daarvan kunnen ondervinden, terwijl het seksueel misbruik bovendien

een ernstige verstoring van de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer tot gevolg kan

hebben.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte lange tijd geleden onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een andersoortige strafbare feiten. Het hof weegt dit niet in het nadeel van de verdachte mee.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

6 juli 2021. Dit rapport houdt het volgende in. Gelet op de ontkenning en het gegeven dat de

verdachte niet eerder in beeld kwam als gevolg van dergelijk gedrag is er op dit moment

geen concreet zicht op drijfveren en eventuele, al dan niet seksuele, problematiek en/of op

andere aspecten van de persoon en de situatie van de verdachte die van invloed geweest

kunnen zijn op het tenlastegelegde.

Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een (deels)

voorwaardelijke straf met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: een

meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling, zodat er binnen deze kaders alsnog zicht kan komen op het grensoverschrijdende gedrag, op eventuele problematiek en verdere risico's en er in het verlengde hiervan een behandeling kan worden ingezet gericht op gedragsverandering en risicoverlaging.

Hoewel het rapport verouderd is ziet hof toch aanleiding om acht te slaan op dit rapport aangezien bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden niet gebleken is van omstandigheden die maken dat de inhoud daarvan niet meer relevant is.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal het hof een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaar en daaraan de geadviseerde voorwaarden verbinden. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof is de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk, omdat de aard en de ernst van het gepleegde feit door een andere c.q. lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zou worden.

Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.

Het hof is evenwel van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerst lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in deze zaak fors is overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 12 augustus 2021 en het arrest van dit hof wordt gewezen op 5 maart 2026, zodat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met ruim 2 jaar en 6 maanden.

Het hof zal deze overschrijdingen verdisconteren in de strafmaat. In plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 33.150, -, bestaande uit een bedrag van € 18.150, - ter zake materiële schade en een bedrag van € 15.000, - ter zake immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.000, -, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof overweegt dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De aard en de ernst van de normschending van dat feit is zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is ingediend, zal het hof de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000, -. Het hof heeft bij de vaststelling van dit bedrag aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal categorie 15.2b (ontucht met binnendringen, artikel 244 Sr (oud) en artikel 245 Sr (oud), ernstig). Het misbruik speelde zich af gedurende een periode van ruim 5 maanden. Bovendien was sprake van vergaande seksuele handelingen, waaronder het (veelvuldig) seksueel binnendringen. Het feit is des te ernstiger nu de verdachte, die als partner van de moeder al twee jaar een plek in het gezin innam en daarmee als stiefvader fungeerde, als opvoeder de taak en de plicht had een veilige omgeving voor het slachtoffer te creëren. Hierin is hij ernstig tekort geschoten.

Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 10.000, - te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij zal ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor het overige worden afgewezen.

Ten aanzien van de materiële schade geldt naar het oordeel van het hof dat hetgeen aan deze post ten grondslag is gelegd onvoldoende duidelijkheid biedt omtrent de vraag of, en zo ja: in hoeverre, de gestelde schade (studievertraging) als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde is aan te merken, nu in de daartoe overgelegde stukken ook van (reeds vóór het onderhavige feit bestaande) minder goede resultaten wordt gesproken. Dit vergt nader onderzoek, dat een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.000, - aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het (seksueel) grensoverschrijdende gedrag van de verdachte.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat Reclassering Nederland toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake van de gestelde materiële schade en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 september 2019.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. O.E.M. Leinarts en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?