ECLI:NL:GHDHA:2026:372

ECLI:NL:GHDHA:2026:372

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 200.352.505/01
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2025:712

Samenvatting

Hoger beroep van een kortgedingvonnis waarin de voorzieningenrechter bevoegdheid heeft aangenomen ondanks een tussen partijen overeengekomen arbitraal beding. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter terecht bevoegdheid aangenomen, en in zoverre is het hof ook bevoegd. Appellante is in hoger beroep echter niet meer ontvankelijk in haar eis vanwege het (inmiddels) ontbreken van een spoedeisend belang. Bovendien is het opschortingsverweer van geïntimeerde summierlijk gegrond, mede vanwege het evidente restitutierisico aan de zijde van appellante. Voor zover in hoger beroep de eis is vermeerderd, acht het hof zich onbevoegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.352.505/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/690650 / KG ZA 24-1170

Arrest in kort geding van 24 maart 2026

in de zaak van

EN-Projects Limited h.o.d.n. Smith Whitty International Consultants,

gevestigd in Chalgrove, Verenigd Koninkrijk,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.S. van Dijk, kantoorhoudend in Rotterdam,

tegen

Enraf -Nonius B.V.,

gevestigd in Rotterdam,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. V.L. van den Berg, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna Enraf en EN Projects .

1. De zaak in het kort

In dit kort geding vordert EN Projects van haar opdrachtgever Enraf betaling van facturen. Enraf betwist de bevoegdheid van de rechter om over het geschil te oordelen in verband met een tussen partijen overeengekomen arbitraal beding. Verder verweert zij zich met een beroep op opschorting, op grond van mogelijke tegenvorderingen in verband met een FIOD-onderzoek tegen haar over een mogelijke (belasting)fraude waarin EN Projects mede de hand heeft gehad.

Het hof acht zich gedeeltelijk onbevoegd om van het geschil kennis te nemen, en EN Projects voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering. Het opschortingsverweer oordeelt het hof bovendien summierlijk gegrond, mede in het licht van het aanzienlijke restitutierisico aan de zijde van EN Projects . Om die reden heeft de voorzieningenrechter Enraf ten onrechte in de proceskosten veroordeeld.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 18 februari 2025, waarmee EN Projects in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2025

de memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis van EN Projects , met producties 20 tot en met 23

de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van Enraf , met producties 6 tot en met 15

de memorie van antwoord in incidenteel appel van EN Projects , met producties 24 tot en met 26

de akte van EN Projects met producties 24 tot en met 39

de akte van Enraf met producties 16 tot en met 29

Op 13 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3. Feitelijke achtergrond

De door de voorzieningenrechter in rov. 2 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Voor zover in hoger beroep nog van belang, gaat het samengevat (verder) om het volgende.

Enraf richt zich op de productie en distributie van onder andere fysiotherapie- en revalidatieapparatuur. Een van de geregistreerde handelsnamen is EN-Projects . Deze divisie is gespecialiseerd in turnkey gezondheidszorgprojecten in opkomende markten.

In de jaren negentig heeft Enraf het operationele management van de EN-Projects -divisie uitbesteed aan de rechtsvoorganger van EN Projects (hierna ook: EN Projects ).

EN Projects heeft onder meer in opdracht van Enraf het operationele management verzorgd van het (doen) bouwen en opleveren van twee ziekenhuizen in Sri Lanka. E-mails van 19 en 22 mei 2015 tussen een toenmalig bestuurder van Enraf en een bestuurder van EN Projects laten correspondentie zien over het opstellen van een overeenkomst tussen Enraf en een derde partij, met als bijlagen verschillende concept-versies van die overeenkomst, waarin een commissiebetaling van € 11.175.000,- door Enraf aan deze derde partij wordt overeengekomen. Een getekende versie van (de laatste versie van) deze overeenkomst, aan de zijde van Enraf met een handtekening van de bestuurder van EN Projects , is gedateerd op 3 juni 2011 en aan de belastingdienst ter beschikking gesteld ten behoeve van (afspraken over) de fiscale aftrekbaarheid van die commissies voor Enraf .

In december 2023 heeft Enraf met EN Projects (toen nog Smith Whitty International Consultants Ltd. geheten) een nieuwe samenwerkingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten. In de overeenkomst, die door Nederlandse recht wordt beheerst, is een arbitraal beding opgenomen op grond waarvan geschillen tussen partijen moeten worden beslecht door een independent firm of solicitors.

In 2024 is bij Enraf strafrechtelijk beslag gelegd op verdenking van omkoping via de commissies voor het project Sri Lanka. Ook heeft de FIOD in september 2024 bij Enraf een inval gedaan op de verdenking dat de commissies ten onrechte als kostenpost zijn opgevoerd (omdat ze voor omkoping waren bestemd).

EN Projects heeft bij Enraf werkzaamheden en kosten in rekening gebracht voor de periode september 2024-februari 2025 ten bedrage van totaal GBP 270.805,92. Deze facturen zijn onbetaald gebleven.

4. Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep

EN Projects heeft Enraf in kort geding gedagvaard en gevorderd haar te veroordelen tot betaling van GBP 183.010,64, vermeerderd met rente en kosten, en tot tijdige betaling van toekomstige facturen uit hoofde van de overeenkomst. Ook heeft EN Projects gevorderd om Enraf te veroordelen om binnen twee weken na het stellen van zekerheid door EN Projects , een bodemprocedure aanhangig te maken, op straffe van verval van de zekerheid. Enraf heeft voorwaardelijk tegenvorderingen ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft Enraf veroordeeld, samengevat, tot betaling van GBP 139.214,52 in hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. Aan deze veroordeling heeft hij de voorwaarde verbonden dat EN Projects ten gunste van Enraf een bankgarantie stelt voor het bedrag van deze hoofdsom. Hij heeft verder Enraf veroordeeld om binnen een maand na het stellen van deze bankgarantie een bodemprocedure aanhangig te maken en deze voortvarend voort te zetten, op straffe van verval van de bankgarantie. Enraf heeft hij veroordeeld in de proceskosten. De overige vorderingen heeft de voorzieningenrechter afgewezen.

In hoger beroep heeft EN Projects vernietiging gevorderd van het vonnis van de voorzieningenrechter en alsnog toewijzing van haar (volledige) vorderingen, en tevens haar eis vermeerderd. Deze komt er nu op neer dat het hof Enraf veroordeelt tot betaling van GBP 270.805,92 (hiervoor, 3.7), vermeerderd met rente en kosten, zonder de voorwaarde van het stellen van een bankgarantie, althans onder voorwaarde van het stellen van een praktisch uitvoerbare alternatieve vorm van zekerheid, met bepaling dat Enraf een bodemprocedure aanhangig maakt binnen twee weken na het stellen van die zekerheid, op straffe van verval ervan.

Enraf concludeert in het hoger beroep samengevat tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter en onbevoegdverklaring van het hof, althans volledige afwijzing van de vorderingen van EN Projects dan wel toewijzing van de vordering van EN Projects slechts tot een bedrag van GBP 115.214,52. Zij vordert daarnaast terugbetaling van de door haar betaalde proceskosten in eerste aanleg, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2025.

5. Beoordeling in hoger beroep

Bevoegdheid

Enraf stelt dat het hof zich onbevoegd moet verklaren in verband met het arbitraal beding (hiervoor, 3.5). Volgens Enraf was, om dezelfde reden, ook de voorzieningenrechter niet bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

Voor zover de nu voorliggende vordering van EN Projects ook al in eerste aanleg was ingesteld, dient het hof in de eerste plaats te beoordelen of de voorzieningenrechter zich ten aanzien van deze vordering al dan niet terecht bevoegd heeft geacht. Als de voorzieningenrechter zich naar het oordeel van het hof ten onrechte bevoegd heeft geacht, dan dient het hof het vonnis te vernietigen en de voorzieningenrechter alsnog onbevoegd te verklaren. Als de voorzieningenrechter zich naar het oordeel van het hof terecht bevoegd heeft geacht, dan is het hof ook bevoegd voor zover het om dezelfde vordering gaat.

Voor zover het gaat om de in hoger beroep ingestelde eisvermeerdering met het bedrag van GBP 87.795,28 in hoofdsom, dient het hof slechts de eigen bevoegdheid te beoordelen.

Op grond van artikel 1022a Rv belet een overeenkomst tot arbitrage niet dat een partij zich wendt tot de voorzieningenrechter van de rechtbank overeenkomstig artikel 254 Rv. Als de gedaagde zich vóór alle weren op het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage beroept, mag de rechter zich uitsluitend bevoegd verklaren indien de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen (artikel 1022c Rv). Het gaat erom of de benodigde voorziening bij het scheidsgerecht überhaupt kan worden verkregen en zo ja of die zo snel kan worden verkregen als noodzakelijk is in het licht van het belang van de partij die erom vraagt.

EN Projects heeft aangevoerd dat zij toen zij het kort geding aanhangig maakte, (spoedige) betaling van de facturen nodig had om aan haar eigen financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Ook heeft zij aangevoerd dat een spoedige beslissing in arbitrage niet te verwachten was vanwege de drukke decembermaand 2024 (toen dit speelde), de advocaatwissel bij en stroperige communicatie met Enraf , en de vergeefse pogingen om tot een minnelijke oplossing te komen. Enraf heeft deze gestelde omstandigheden niet voldoende gemotiveerd weersproken. Haar standpunt dat de (gestelde) stroperige communicatie en advocaatwissel niet het verloop van een arbitrageprocedure als zodanig betreffen maar (hooguit) Enraf zelf, miskent dat deze omstandigheden ook het spoedig doorlopen van een arbitrageprocedure kunnen belemmeren. Het hof merkt hierbij op dat gesteld noch gebleken is dat partijen de mogelijkheid van een arbitraal kort geding zijn overeengekomen. In het licht van dit alles heeft de voorzieningenrechter zich daarom terecht bevoegd geacht om van het aan hem voorgelegde geschil kennis te nemen. Dit betekent dat het hof in zoverre ook bevoegd is.

Voor zover het gaat om de in hoger beroep gedane eisvermeerdering, heeft Enraf andermaal een beroep gedaan op het arbitraal beding. Naar het oordeel van het hof lag het daartegenover op de weg van EN Projects om aan te voeren en zo nodig toe te lichten dat de gevraagde beslissing – op de eis voor zover vermeerderd – niet of niet tijdig in arbitrage zou kunnen worden verkregen. Een dergelijk standpunt heeft EN Projects niet ingenomen, althans niet genoegzaam toegelicht, mede in het licht van de procedurekenmerken van het hoger beroep (dat doorgaans, behoudens (turbo)spoedappel – maar daarom was niet gevraagd –, aanzienlijk langere doorlooptijden kent dan kortgedingprocedures in eerste aanleg). Tegen deze achtergrond ziet het hof geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de gevraagde beslissing – op de eis voor zover vermeerderd – niet of niet tijdig in arbitrage zou kunnen worden verkregen. Ten aanzien van dit deel van de vordering zal het hof zich dus onbevoegd verklaren.

Spoedeisend belang

Ingevolge vaste jurisprudentie is ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden en moeten dienaangaande naar behoren feiten en/of omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden (HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA55 19). In hoger beroep dient het hof het al dan niet nog bestaan van een spoedeisend belang zo nodig ambtshalve vast te stellen (HR 2 februari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB3472).

EN Projects heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd medegedeeld dat zij haar activiteiten heeft gestaakt, en geen noemenswaardige schulden, activa en/of inkomsten (meer) heeft. De eigen financiële verplichtingen aan schuldeisers die haar in eerste aanleg spoedeisend belang gaven – naar eigen zeggen en ook naar het oordeel van voorzieningenrechter –, zijn naar het hof begrijpt (zo goed als) voldaan of anderszins geregeld. EN Projects heeft vervolgens medegedeeld dat zij het geld nodig heeft om nieuwe activiteiten te kunnen ontplooien. Deze algemene stellingname is echter ontoereikend voor de vaststelling dat EN Projects nog steeds het voor behandeling in kort geding vereiste spoedeisend belang heeft, mede gelet op het feit dat partijen juist zijn overeengekomen om hun geschillen niet voor de overheidsrechter te brengen maar in arbitrage te doen beslechten. Het hof zal EN Projects daarom niet ontvankelijk verklaren in haar vordering (voor zover in eerste aanleg ingesteld).

Partijen behouden belang bij een oordeel van het hof of de vordering al dan niet terecht is toegewezen door de voorzieningenrechter, ook al is het spoedeisend belang intussen aan de vordering komen te ontvallen, in verband met de proceskostenveroordeling in eerste aanleg (conventie).

Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat EN Projects in eerste aanleg voldoende spoedeisend belang had bij haar vordering, vanwege de toen dreigende ernstige financiële problemen door de wanbetaling van Enraf . Enraf heeft dit niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken. De zaak was op zichzelf ook niet te complex voor beoordeling in kort geding.

Enraf heeft zich tegen de vordering van EN Projects verweerd met onder meer een beroep op opschorting. In haar memorie van antwoord/grieven in incidenteel appel heeft zij gesteld dat EN Projects met haar medewerking aan de mogelijk frauduleuze commissiebetalingen en antedatering van de commissieovereenkomst niet de zorg van een goed opdrachtnemer heeft betracht en dat zij daarmee is tekortgeschoten onder de overeenkomst. Haar (gestelde) betalingsverplichting zou zij in elk geval mogen opschorten tot het moment dat de feiten die onderwerp van onderzoek zijn van de FIOD in kaart zijn gebracht en zij naar aanleiding daarvan haar juridische positie ten opzichte van EN Projects kan bepalen, aldus Enraf . Op de mondelinge behandeling in het hoger beroep heeft zij dit standpunt verder toegelicht met de stelling dat niet valt uit te sluiten, mocht Enraf worden veroordeeld, dat zij regres op EN Projects kan nemen om boetes of een vordering tot vergoeding van wederrechtelijk verkregen voordeel geheel of deels op EN Projects te verhalen. Wegens die toekomstige vordering tot schadevergoeding op EN Projects die Enraf geheel of deels zou kunnen verrekenen, stelt Enraf te mogen opschorten. EN Projects heeft (haar medewerking aan) de gestelde antedatering en de indicaties dat mogelijk sprake was van betalingen waar geen legitieme tegenprestaties tegenover stonden, niet of althans niet voldoende gemotiveerd betwist, in het licht van het door Enraf overgelegde bewijsmateriaal. Het hof acht het beroep op opschorting summierlijk deugdelijk, mede in het licht van het restitutierisico dat EN Projects slechts kaal en daarmee onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat restitutierisico kon ook niet worden afgedekt door een bankgarantie of andere vorm van zekerheid: EN Projects heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat er voor haar geen enkele mogelijkheid bestaat of bestond om zekerheid te stellen ter afdekking van het restitutierisico.

Conclusie en proceskosten

De conclusie is dat het hoger beroep van EN Projects faalt en dat van Enraf slaagt. Daarom zal het hof het vonnis voor zover in conventie gewezen vernietigen, EN Projects niet ontvankelijk verklaren in haar vorderingen zoals ingesteld in eerste aanleg, en zich onbevoegd verklaren ten aanzien van de vermeerdering van eis in hoger beroep, met veroordeling van EN Projects in de kosten van zowel de eerste aanleg in conventie als het hoger beroep.

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Enraf als volgt:

De vordering van Enraf tot restitutie van de door haar betaalde proceskosten in eerste aanleg is slechts toewijsbaar voor zover het de procedure in conventie betreft. Tegen de beslissingen van de voorzieningenrechter in reconventie heeft zij geen grieven geformuleerd.

6. Beslissing

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. G.C. de Heer en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?