ECLI:NL:GHDHA:2026:38

ECLI:NL:GHDHA:2026:38

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 16-01-2026
Zaaknummer 200.347.200/01
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:6606

Samenvatting

Arbeidsovereenkomst. Vraag wie de werkgever van de werknemer is?

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.347.200/01

Zaaknummer rechtbank : 11026140 HA 24-27

Beschikking van 27 januari 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] , [land] ,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. J.F.R. Eisenberger, kantoorhoudende in Heemskerk,

tegen:

Damen Holding B.V.,

gevestigd in Gorinchem,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. B.J. Bongaards, kantoorhoudende in Rotterdam.

Het hof zal partijen hierna [verzoeker] en Damen Holding noemen.

1. De zaak in het kort

Een werknemer ( [verzoeker] ) stelt een arbeidsovereenkomst te hebben met Damen Holding. Damen Holding is echter van mening dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met een andere entiteit uit de Damen groep. Deze zaak gaat erover of uit de feiten en omstandigheden van dit geval volgt dat er (een vermoeden van) een arbeidsovereenkomst bestaat tussen [verzoeker] en Damen Holding.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep – voor zover thans nog relevant – blijkt uit de volgende stukken:

het verzoekschrift in hoger beroep, ingekomen op de griffie van het hof op 15 oktober 2024, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2024;

het verweerschrift in hoger beroep van Damen Holding.

Op 26 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

Damen Shipyards Group (DSG) is een Nederlands scheepsbouwconcern met werkmaatschappijen in binnen- en buitenland en een hoofdkantoor in Gorinchem. Begin 2023 heeft [verzoeker] een open sollicitatie naar het hoofdkantoor gestuurd, waar Damen Holding is gevestigd. [verzoeker] heeft daarna gesprekken gevoerd op het hoofdkantoor.

Bij e-mail van 29 juni 2023 heeft Damen Holding aan [verzoeker] een aanbod voor een arbeidsovereenkomst gedaan, waarbij [verzoeker] tewerkgesteld zou worden in de Verenigde Arabische Emiraten. Damen Holding schrijft:

“Bijgaand een aanbiedingsbrief voor een arbeidsovereenkomst en een berekening bij onze expat regeling. Naast deze financiële componenten zal Damen de kosten voor huisvesting, scholing, transport en verzekeringen voor haar rekening nemen en blijft de opbouw van pensioen en sociale zekerheid in Nederland in tact.”

In de bijgevoegde aanbiedingsbrief staat:

“Naar aanleiding van de prettige gesprekken die je hebt gevoerd met onder meer onze CFO (…) en onze Area Director Middle East (…) willen we je graag een aanbieding doen voor de functie van Director of Refinancing op de afdeling CFO office. (…)

Naast het aangaan van een arbeidsovereenkomst met Damen Holding zullen we een uitzendovereenkomst aangaan waarin de voorwaarden voor de uitzending naar de UAE beschreven staan.”

Bij e-mail van 3 juli 2023 schrijft [verzoeker] het volgende aan Damen Holding:

“Ik heb vandaag nog contact gehad met belasting adviseurs, specialisten als het gaat om expat contracten. Het lijkt dat de UAE inderdaad een specifiek geval is en dat een belasting afwikkeling zelfs per persoonlijke situatie kan verschillen. Het lijkt mij daarom van belang om idd een voorstel voor een lokaal contract te kunnen krijgen. Ik kan in ieder geval daarmee snel tot een conclusie komen.”

Bij e-mail van 6 juli 2023 schrijft [verzoeker] aan Damen Holding:

“Ik denk dat ik dan toch niet goed heb begrepen hoe het eerste salarisvoorstel in elkaar zit. Daar staat bij een NL contract een aftrek van geschatte belasting bij detachering. Dat bedrag wordt afgetrokken van het salaris en vol omgrens zij er de toeslagen.

Ik heb begrepen dat bij een lokaal contract deze belasting niet verschuldigd is. Dat was ook het hele idee achter het aangaan van een lokaal contract, nl. De besparing vd belasting, daarbij opgevend de zekerheden die NL biedt bij een NL contract.”

Op 27 juli 2023 is er een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen tussen [verzoeker] en Damen Workforce International (CY) Ltd, een vennootschap naar Cypriotisch recht (hierna ook: DWI). De arbeidsovereenkomst kende aanvankelijk een duur van anderhalve maand (van 10 juli 2023 tot en met 31 augustus 2023), maar is nadien tweemaal met een maand verlengd. In de overeenkomst wordt [verzoeker] aangeduid als “the Employee” en DWI als “the Company”. Het salaris bedroeg € 360.000.- per jaar. In de overeenkomst staat onder meer:

“NOW IT IS AGREED that the Company will employ the Employee and the Employee will serve the Company as Head of Group Finance Middle East, Dubai UAE (‘the Host Company’) on the following terms and conditions.

(…)

2. Appointment, assignment and terms of employment

The Company appoints the Employee and the Employee agrees to act as Head of Group Finance Middel East at the Host Company.

At all times the Employee will remain in the full-time employment of the Company, accountable to the Company and assessed by the Company. At all times the Employee will remain under overall control, direction and instruction of the Company, however, in the case where the Employee is assigned to an Associated Company, he will be under the day-to-day direction and instruction of the Associated Company in relation to, and for the duration of, the assignment.”

Bij brief van 16 augustus 2023 heeft [naam 1] (Managing Director van Albwardy Marine Engineering LLC (een vennootschap behorend tot de Damen groep, hierna ook: Albwardy) aan [verzoeker] een arbeidsovereenkomst aangeboden voor een periode van twee jaar. [verzoeker] heeft dit aanbod geaccepteerd. In de overeenkomst staat onder meer het volgende:

“With reference to the discussion with Damen Office, we are pleased to offer you employment under the following terms and conditions:

1. (…) You shall be appointed as HEAD OF GROUP FINANCE DAMEN HUB, MIDDLE EAST.

2. (…) Administratively you shall report to Managing Director Albwardy Damen and functionally to the Director Corporate Finance & Treasury.

3. (…) You shall be paid monthly Basic Salary of EUR 21,000 per month, Housing Rent Allowance including utilities of EUR 6,000 per mont, Cost of living Allowance of EUR 3,000 per month. Total Salary of EUR 30,000 per month.

(…)

15. (…)Your date of commencement of the contract shall be from 01st of Oktober

2023.”

Bij e-mail van 20 december 2023 heeft Damen Holding het volgende aan [verzoeker] geschreven:

“Middels deze mail bevestig ik dat wij je afgelopen maandag in een gesprek (…) hebben laten weten dat wij de arbeidsovereenkomst welke we hebben opzeggen. Deze overeenkomst met Albwardy Marine Engineering LLC, onderdeel van de Damen Group, zal derhalve per 31 januari 2024 eindigen.”

Bij brief van 2 februari 2024 heeft Albwardy aan [verzoeker] geschreven:

“As you were informed on December the 18th 2023 by Damen CFO and Group HR Director, you received a notice that your labour contract with Albwardy Marine Engineering LLC will end on 31th January 2024, therefore as of today the contract has ended. Your grace period to reside in the UAE will end on 02nd March 2024.”

[verzoeker] heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht om:

de opzegging door Damen Holding te vernietigen op de voet van art. 7:671b lid 1 jo. art. 7:681 lid 1 sub a BW;

te verklaren voor recht op de voet van art. 7:686a lid 3 BW dat er tussen [verzoeker] en Damen Holding sinds 10 juli 2023 een arbeidsovereenkomst bestaat die onverminderd voortduurt;

Damen Holding te veroordelen om vanaf januari 2024 het achterstallig salaris van € 30.000,- per maand te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

Damen Holding heeft de verzoeken van [verzoeker] weersproken. Voor het geval de kantonrechter zou beslissen dat er wel een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Damen Holding bestaat, heeft Damen Holding verzocht om deze overeenkomst op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden.

De kantonrechter heeft de verzoeken van [verzoeker] afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat Damen Holding weliswaar een arbeidsovereenkomst aan [verzoeker] heeft aangeboden, maar dat Damen ondubbelzinnig heeft verklaard een lokaal contract met de Damen entiteit in de VAE te willen sluiten. Naar het oordeel van de kantonrechter is Damen Holding evenmin de ‘materiële’ werkgever van [verzoeker] . Over het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft de kantonrechter niet hoeven te beslissen.

4. Beoordeling in hoger beroep

[verzoeker] heeft het hof verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en om voor recht te verklaren dat er een arbeidsovereenkomst met Damen Holding bestond tot het moment van opzegging. Verder heeft [verzoeker] primair verzocht om de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2024 te herstellen en subsidiair om hem een billijke vergoeding van € 630.000,- bruto (21 maandsalarissen) toe te kennen.

Damen heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

[verzoeker] is van mening dat hij met Damen Holding een arbeidsovereenkomst heeft gesloten voor onbepaalde tijd, dan wel voor een periode van twee jaar. Hij voert aan dat het niet zozeer doorslaggevend is wat er op papier is gezet, maar dat mede betekenis toekomt aan de wijze waarop partijen in de praktijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst.

[verzoeker] voert in zijn beroepschrift onder meer aan dat het duidelijk is dat slechts Damen Holding de contractuele wederpartij van [verzoeker] is, omdat noch DWI, noch Albwardy iets ten opzichte van [verzoeker] hebben verklaard waaruit volgt dat [verzoeker] met deze entiteiten een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Het hof overweegt dat deze stelling niet opgaat, omdat [verzoeker] niet heeft betwist dat hij eerst met DWI en daarna met Albwardy een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Overigens heeft [verzoeker] elders in zijn beroepschrift en ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep te kennen gegeven dat zijn standpunt is dat er zowel met Damen Holding, als met (eerst) DWI en (daarna) Albwardy een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Er kan een arbeidsovereenkomst met Damen bestaan naast een schriftelijke arbeidsovereenkomst met DWI/Albwardy, aldus [verzoeker] , en die situatie doet zich hier ook voor. [verzoeker] beroept zich daarbij onder meer op het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW, waarin is bepaald dat hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minst twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst.

[verzoeker] noemt de arbeidsovereenkomsten met DWI en Albwardy in zijn beroepschrift een ‘schijnconstructie’. Over Albwardy voert hij aan dat deze zich nooit heeft opgesteld of gedragen als werkgever van [verzoeker] . Er moest een arbeidsovereenkomst met Albwardy worden gesloten omdat [verzoeker] alleen in de VAE kon verblijven en werken als hij met een lokale werkgever een arbeidsovereenkomst had. Albwardy moest naar het recht van VAE onder meer de daadwerkelijke werkverschaffer zijn en het contractuele salaris betalen in lokale valuta. Dat alles is niet gebeurd, zodat Albwardy niet kan worden aangemerkt als (materiele) werkgever van [verzoeker] . Albwardy heeft zich niet als werkgever willen verbinden aan [verzoeker] en aan de arbeidsovereenkomst met Albwardy komt geen verbindende kracht toe. Voor DWI geldt iets soortgelijks, aldus [verzoeker] .

Damen Holding heeft toegelicht dat het aanbod dat zij aanvankelijk aan [verzoeker] had gedaan, inhield dat er een arbeidsovereenkomst met Damen Holding tot stand zou komen; dat er met [verzoeker] afspraken zouden zijn gemaakt over de voorwaarden voor de detachering in – wat Damen aanduidt als – een detacheringsovereenkomst en dat het sluitstuk zou zijn geweest dat er met [verzoeker] en de lokale entiteit een lokaal arbeidscontract tot stand zou zijn gekomen. Dit laatste is, zoals ook [verzoeker] heeft betoogd, noodzakelijk in de VAE. Onder de Nederlandse arbeidsovereenkomst zou [verzoeker] het grootste deel van zijn salaris hebben ontvangen, [verzoeker] zou onder de Nederlandse sociale zekerheidswetten zijn gevallen en het Nederlandse arbeidsrecht zou van toepassing zijn geweest. Onder het lokale arbeidscontract zou [verzoeker] (slechts) het minimum salaris hebben ontvangen dat door de overheid van VAE is voorgeschreven. [verzoeker] heeft deze constructie echter van de hand gewezen en heeft Damen Holding verzocht om enkel een lokaal contract, omdat dat financieel gunstiger voor hem zou zijn. Omdat het enige voeten in aarde had voordat [verzoeker] daadwerkelijk in de VAE voor Albwardy aan de slag kon, is er voor gekozen om eerst een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en DWI – de vennootschap die binnen de Damen groep fungeert als ‘uitzendbureau’ – tot stand te brengen, aldus Damen Holding.

De stellingen van Damen Holding vinden steun in de stukken (zie onder meer hiervoor onder 3.1 (ii) tot en met (v)). Daar komt bij dat [verzoeker] het betoog van Damen Holding onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Uit een en ander volgt dat de wil van partijen erop gericht was om arbeidsovereenkomsten met eerst DWI en daarna Albwardy tot stand te brengen en dat van een schijnconstructie geen sprake was. Overigens merkt het hof op dat [verzoeker] niet toereikend heeft uitgelegd waarom hij aan de ene kant van mening is dat er twee arbeidsovereenkomsten naast elkaar hebben bestaan (één met DWI/Albwardy en één met Damen Holding), maar aan de andere kant dat de arbeidsovereenkomst met DWI/Albwardy een schijnconstructie is, wat lijkt te impliceren dat de arbeidsovereenkomst met DWI/Albwardy in werkelijkheid niet heeft bestaan.

In verband met het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij alleen werkzaamheden ten behoeve van Damen Holding verrichtte; hij heeft naar eigen zeggen nooit de belangen van DWI of Albwardy vertegenwoordigd. Volgens [verzoeker] was zijn werk gericht op de mondiale herfinanciering van de Damen groep. Hij had daarvoor alleen contact met medewerkers van Damen Holding in Gorinchem, hij rapporteerde uitsluitend aan Damen Holding en ging geregeld naar Gorinchem om te overleggen. Tot slot stelt [verzoeker] dat hij een plek had binnen de hiërarchie van Damen Holding.

Damen Holding heeft dit betwist. Zij voert aan dat DSG een matrixorganisatie is waarin internationaal wordt gewerkt met verschillende rapportagelijnen. Naast een rapportagelijn aan een hiërarchisch leidinggevende (in het geval van [verzoeker] : [naam 1], Managing Director bij Albwardy), rapporteren werknemers doorgaans ook aan functioneel leidinggevenden (in het geval van [verzoeker] : [naam 2], Director of Corporate Finance & Treasury bij Damen Holding). Omdat er projectmatig wordt gewerkt, is er veel contact tussen werknemers die werkzaam zijn binnen verschillende internationale entiteiten van DSG. Dat [verzoeker] (veel) contact had met functionarissen van het hoofdkantoor, betekent volgens Damen Holding dus niet dat tussen [verzoeker] en Damen Holding een arbeidsovereenkomst bestond. Ook heeft Damen Holding betwist dat [verzoeker] alleen werkzaamheden heeft uitgevoerd ten behoeve van Damen Holding. De werkzaamheden van [verzoeker] waren gericht op het verbeteren van de financiële positie van DSG in brede zin door het regelen van (her)financiering in het Midden Oosten, aldus Damen Holding.

Ook op dit punt vinden de stellingen van Damen Holding steun in de stukken. Zo vermeldt de arbeidsovereenkomst met Albwardy expliciet dat [verzoeker] zowel een hiërarchisch leidinggevende (bij Albwardy) heeft, als een functioneel leidinggevende (bij Damen Holding). Verder volgt uit de brief van 29 juni 2023 van Damen Holding, waarin [verzoeker] een arbeidsovereenkomst kreeg aangeboden, dat de bedoeling was dat hij zou worden uitgezonden naar de VAE in de functie van ‘Director of Refinancing’. Dat partijen nadien zijn overeengekomen dat [verzoeker] andersoortige werkzaamheden zou gaan uitvoeren, is niet gebleken. Het hof stelt verder vast dat partijen het erover eens zijn dat het werk van [verzoeker] in de VAE moest plaatsvinden en dat zijn werk (feitelijk) gericht was op mondiale (her)financiering van de Damen Groep in verband met het voornemen van DSG om meer activiteiten te ontwikkelen in de VAE. [verzoeker] heeft niet toegelicht waarom hij van mening is dat hij (niettemin) alleen ten behoeve van Damen Holding werkzaamheden heeft uitgevoerd. Dat volgt in ieder geval niet uit de omstandigheid dat hij (naar eigen zeggen) voor de uitvoering van zijn werk voornamelijk contact heeft gehad met Damen Holding. Kortom, er is niet komen vast te staan dat [verzoeker] alleen arbeid verrichtte ten behoeve van Damen Holding.

Voor de stelling van [verzoeker] dat hij op grond van het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW een arbeidsovereenkomst met Damen Holding heeft, is ook vereist dat [verzoeker] de beloning voor zijn werk ontving van Damen Holding. [verzoeker] voert in dit verband aan dat zijn salaris steeds in opdracht van Damen Holding werd uitbetaald door DWI (een 100% dochter van Damen Holding), zelfs in de periode dat [verzoeker] bij Albwardy in dienst zou zijn. [verzoeker] wijst in dit verband op WhatsApp berichten van 24 juli 2023 tussen hem en [Group HR Director] (Group HR Director bij Damen Holding) waarin staat:

“[Group HR Director], ik begrijp van [naam 3] dat we de salaris betaling voorlopig via Cyprus laten lopen. Voorkeur zou zijn om dat idd naar mijn NL bankrekening in Euro te sturen (en dus niet naar de dollar rekening in de VS)., Gr, [verzoeker]

Hi [verzoeker], we betalen vanuit deze entiteit niet naar NL bankrekeningen om geen discussies over werkgeverschap met de NL autoriteiten te krijgen. Is je Miami account wel OK? Grt, [Group HR Director]

Begrijp het. Doen we idd maar de Miami account.”

Volgens [verzoeker] wijzen de woorden “we betalen vanuit deze entiteit” erop dat Damen Holding een opdracht aan DWI geeft om het salaris van [verzoeker] te betalen en dus, zo begrijpt het hof, dat Damen Holding het salaris betaalde.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het WhatsApp-gesprek dat partijen erop uit waren om niet de schijn te wekken dat er een arbeidsovereenkomst tussen Damen Holding en [verzoeker] zou bestaan. Daarom kan aan het gebruik van het woordje “we” niet worden ontleend dat DWI in opdracht van Damen Holding salaris heeft betaald. Het lijkt er veeleer op dat [Group HR Director] hier, op enigszins informele wijze, namens de Damen groep sprak. Daarbij komt dat het aanzienlijk meer voor de hand ligt dat [Group HR Director] bedoelde te zeggen dat DWI, als onderdeel van de Damen groep, op eigen gezag salarisbetalingen aan [verzoeker] deed, omdat [verzoeker] nu eenmaal bij DWI in dienst was. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog naar voren gebracht dat DWI moet worden beschouwd als een ‘bank’ van Damen Holding, en niet als een ‘uitzendbureau’ van de Damen groep zoals Damen Holding stelt), maar die stelling vindt geen steun in de stukken.

Wat betreft de salarisuitbetaling door DWI gedurende de paar maanden dat [verzoeker] bij Albwardy in dienst was, heeft Damen Holding toegelicht dat voor deze werkwijze is gekozen vanwege organisatorische perikelen. Zo moest [verzoeker] eerst een bankrekening in de VAE hebben alvorens het salaris door Albwardy zou kunnen worden uitbetaald en het openen van een bankrekening in de VAE kost nu eenmaal enige tijd. Wat hier ook van zij, het feit dat DWI in plaats van Albwardy salaris aan [verzoeker] heeft betaald, is geen indicatie dat het salaris namens Damen Holding werd betaald. [verzoeker] heeft in ieder geval niet (gemotiveerd) toegelicht waarom dat zo zou zijn.

[verzoeker] heeft er verder nog op gewezen dat Damen Holding rechtstreeks betalingen aan [verzoeker] heeft gedaan. Het gaat om allerlei soorten onkosten. Damen Holding heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat ook hier geldt dat hiervoor is gekozen om praktische redenen. Hoe dan ook, het enkele feit dat Damen Holding onkosten voor [verzoeker] heeft betaald, is onvoldoende om een rechtsvermoeden aan te nemen dat Damen Holding (naast Albwardy) de werkgever van [verzoeker] is. Kortom, er is niet komen vast te staan dat [verzoeker] tegen beloning door Damen Holding werkzaam was.

Dit alles leidt tot de conclusie dat het hof niet kan aannemen dat er op grond van art. 7:610a BW een vermoeden bestaat van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Damen Holding.

Tot slot heeft [verzoeker] nog een beroep gedaan op een e-mail van Damen Holding, waaruit volgens [verzoeker] volgt dat Damen Holding er ook van uitging dat zij een arbeidsovereenkomst met [verzoeker] had, en op het feit dat [verzoeker] zowel door Damen Holding als door Albwardy is ontslagen.

De eerste e-mail waarop [verzoeker] doelt, is afkomstig van [Group HR Director] en dateert van 29 november 2023. Daarin schrijft [Group HR Director] aan [verzoeker] :

“Zoals besproken bevestig ik middels dit schrijven dat we vanuit Damen de intentie hebben een lange termijn commitment aan te gaan in de arbeidsrelatie tussen jou en Damen. Je huidige arbeidsovereenkomst in de UAE is voor bepaalde tijd, eea conform lokale mogelijkheden, maar onze intentie is er een voor de langere termijn.”

Anders dan [verzoeker] aanvoert, staat in deze e-mail niet dat [Group HR Director] namens Damen Holding verklaart dat er een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Damen Holding bestaat. [Group HR Director] heeft het in deze e-mail over een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de VAE, dat wil zeggen de arbeidsovereenkomst met Albwardy. Damen heeft op grond van deze e-mail redelijkerwijs niet mogen begrijpen dat er daarnaast een arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) met Damen Holding bestond. In de e-mail is slechts een intentie vanuit de Damen groep te lezen om een lange termijn commitment aan te gaan.

Uit de ontslagbrief van 20 december 2023 is evenmin op te maken dat Damen Holding de intentie heeft een arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoeker] op te zeggen. In die brief wordt immers expliciet vermeld dat de opzegging de arbeidsovereenkomst met Albwardy betreft. De brief van 2 februari 2024 van Albwardy vormt ook geen tweede opzegging, maar een brief waarin [verzoeker] wordt geïnformeerd over enkele praktische consequenties van de opzegging die al in december 2023 had plaatsgevonden.

De slotsom is dat het hof heeft niet kunnen vaststellen dat er op enig moment een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Damen tot stand is gekomen. Evenmin kan er een arbeidsovereenkomst worden aangenomen op basis van het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW. De grieven van [verzoeker] zijn dus ongegrond.

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, waaronder de op 6 mei 2025 gewezen beschikking in het incident. Deze kosten worden begroot op € 798,-aan griffierechten, € 2.428,- aan kosten advocaat, € 178,- aan nakosten en € 1.214,- aan kosten voor het incident. Totaal komt dit neer op € 4.618,-.

5. Beslissing

Het hof:

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, R.G.C. Veneman en P.Th. Sick en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?