ECLI:NL:GHDHA:2026:393

ECLI:NL:GHDHA:2026:393

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer K24220453
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Gegrondverklaring klacht over niet vervolging (art. 12 Sv). Voldoende aanknopingspunten voor een succesvolle vervolging wegens dood door schuld (artikel 307 Sr). Het door beklaagde verstrekken van een zeer grote (en lethale) dosis crystal meth onder de in de beschikking weergegeven omstandigheden (waaronder de seksuele setting en het leeftijdsverschil) hebben mogelijk onaanvaardbare gezondheidsrisico’s met zich gebracht op grond waarvan gesteld kan worden dat beklaagde aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld. Gelet op de ernst van de gevolgen van deze gedragingen dient de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is te worden voorgelegd aan de strafrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[naam klaagster],

klaagster,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar raadsvrouw mr. L.H. Poortman-de Boer, advocaat te Groningen.

1. Het beklag

Het klaagschrift (met bijlagen) is op 4 december 2024 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Den Haag om [naam beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen voor dood door schuld van [naam slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]).

Voor het verloop van de procedure en hetgeen eerder in deze zaak is voorgevallen verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 1 oktober 2025 met bijbehorend proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 27 augustus 2025, waar klaagster en haar raadsvrouw zijn gehoord.

2. Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 24 maart 2025 heeft de advocaat-generaal het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

3. De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal en van het ambtsbericht van de officier van justitie te Den Haag van 6 februari 2025.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een aanvulling op het beklag, inhoudende een analyse en verklaring van dr. Henk J. Adriaansen, arts klinische chemie, ingekomen op 21 augustus 2025.

4. De feiten en standpunten

Op 18 januari 2023 is er bij de politie een melding binnengekomen van de vermissing van [slachtoffer]. Omdat er na 16 januari 2023 niets meer van hem was vernomen en bekend was dat [slachtoffer] met enige regelmaat (seks) afspraken maakte met gebruikmaking van de datingapps Grinder en Bullchat, rees het vermoeden dat [slachtoffer] mogelijk slachtoffer was geworden van een ontvoering. Om die reden is op 20 januari 2023 een Team Grootschalig Onderzoek opgestart.

Uit onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] op 16 januari 2023 een (seks) afspraak had met beklaagde. Tijdens deze (seks) afspraak hebben [slachtoffer] en beklaagde drugs gebruikt.

Beklaagde is door de politie als verdachte verhoord. Hij heeft verklaard over het drugsgebruik die avond. Beklaagde verklaart dat hij zich aan een bepaalde dosis houdt die bij hem ook goed gaat en dat hij alles altijd netjes afweegt. In zijn tweede verhoor heeft hij verklaard dat hij samen met [slachtoffer] ‘Tina’ heeft gerookt en 3-MMC heeft ‘gebumpt’ (anaal ingebracht met een spuitje). Beklaagde heeft in het tweede verhoor verder verklaard dat die avond 2 gram ‘Tina’ (het hof begrijpt: crystal meth oftewel metamfetamine) en 5 gram 3MMC is gebruikt en dat dat allebei is opgegaan.

Beklaagde heeft verder verklaard dat [slachtoffer] de volgende ochtend, na hem herhaaldelijk te hebben aangeboden hem weg te brengen naar de bushalte, lopend is vertrokken. Deze verklaring wordt bevestigd door camerabeelden.

Door deze bevindingen is de verdenking van beklaagde veranderd van ontvoering naar dood door schuld.

Op 21 januari 2023 zijn de jas en tas van [slachtoffer] aangetroffen bij de waterkant van de Reeuwijkse plassen, in de buurt van de woning van beklaagde. Het lichaam van [slachtoffer] is op 23 januari 2023 aangetroffen onder water.

Toxicologisch onderzoek heeft concentraties 2-MMC, metamfetamine en amfetamine in het bloed van [slachtoffer] aangetoond. Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door een overdosering van metamfetamine, al dan niet in combinatie met 2-MMC. Ook is het mogelijk dat hij – als gevolg van overdosering – in een toestand van verminderde zelfredzaamheid in het water is gekomen en daardoor is verdronken.

Met betrekking tot de feiten verwijst het hof kortheidshalve verder naar het dossier, nu de feiten gelet op de behandelingen in raadkamer en de ingebrachte stukken zowel bij klaagster als beklaagde en hun raadslieden genoegzaam bekend zijn.

De officier van justitie heeft besloten de zaak te seponeren omdat beklaagde ten onrechte als verdachte is aangemerkt, omdat hij geen schuld heeft aan de dood van [slachtoffer].

De raadsvrouw van klaagster stelt zich in het klaagschrift op grond van de daarin genoemde feiten en omstandigheden op het standpunt dat door de gedragingen van beklaagde het gevaar van overlijden van [slachtoffer] in zodanige mate is verhoogd dat dat overlijden redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan beklaagde kan worden toegerekend. Klaagster stelt zich in dit verband op het standpunt dat beklaagde haar zoon dusdanige hoeveelheden drugs (in het bijzonder een extreem hoge dosis metamfetamine) heeft gegeven dat hij daarmee het risico is aangegaan dat [slachtoffer] het niet zou overleven. Daarbij is gewezen op het op verzoek van klaagster opgemaakte rapport van dr. Henk Adriaansen.

In het ambtsbericht van 6 februari 2025 adviseert de officier van justitie tot afwijzing van het beklag. Daartoe wordt onder meer gesteld dat het verstekken van de genoemde harddrugs aan [slachtoffer] onder de gegeven omstandigheden geen onaanvaardbaar gezondheidsrisico met zich meebrengt op grond waarvan gesteld kan worden dat beklaagde aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld. Beklaagde heeft mitsdien geen schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan de dood van [slachtoffer].

5. De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft het klaagschrift – na aanhouding van de behandeling in raadkamer op 27 augustus 2025 – op 27 januari 2026 in raadkamer verder behandeld.

Klaagster en haar raadsvrouw zijn verschenen.

Beklaagde en zijn raadsvrouw mr. T. Erdal, advocaat te Rotterdam, zijn gehoord.

De advocaat-generaal mr. M.A. van der Laan heeft in raadkamer - overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag – geadviseerd tot afwijzing van het beklag.

6. De beoordeling van het beklag

Ter beoordeling staat de vraag of de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen voor dood door schuld in de zin van artikel 307 Sr op goede gronden is genomen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.

Na bestudering van de stukken in het dossier en op basis van wat ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat voor een succesvolle vervolging van beklaagde. De ernst van het feit is ook zodanig dat strafvervolging aangewezen is.

Het hof licht dit als volgt toe.

Hoewel crystal meth (metamfetamine) staat vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en wordt beschouwd als middel waarvan het gebruik een onaanvaardbaar risico voor de (volks)gezondheid oplevert, kan het verstrekken van deze drug aan [slachtoffer] niet zonder meer tot het oordeel leiden dat dit een zodanig onaanvaardbaar gezondheidsrisico met zich heeft gebracht dat de dood van [slachtoffer] aan de schuld van beklaagde is te wijten in de zin van artikel 307 Sr.

Om strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de schadelijke gevolgen van drugsgebruik aan te kunnen nemen is naar gelet op de geldende jurisprudentie de aanwezigheid van bijzondere risicoverhogende omstandigheden vereist, zoals het geven van afwijkende hoeveelheden drugs, de bijzondere risico’s van bepaalde drugs en risicoverhogende kenmerken van het slachtoffer (zie HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:952, (in vervolg daarop) ECLI:NL:GHDHA: 2015:4036 en ook (de annotatie van Rozemond onder) HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:336, NJ 2019/330).

Uit het forensisch onderzoek door het NFI blijkt dat [slachtoffer] voor zijn overlijden een hele grote hoeveelheid crystal meth tot zich heeft genomen en dat die hoeveelheid heeft geleid tot (lethale) overdosering.

Gelet op de bevindingen van dr. Henk J. Adriaansen dat de drugs moeten zijn ingenomen tussen de 1 tot maximaal 6 à 8 uur voor het overlijden, acht het hof het niet waarschijnlijk dat [slachtoffer] voorafgaand aan de ontmoeting met beklaagde crystal meth heeft gebruikt. Daar zijn overigens ook geen aanwijzingen voor aanwezig in het dossier, noch in de verklaring van beklaagde.

Ook zijn er in het dossier geen aanknopingspunten die erop wijzen dat [slachtoffer] na zijn vertrek vanuit de woning van beklaagde nog crystal meth heeft gebruikt. Verder heeft beklaagde bij de politie verklaard dat alle drugs (2 gram crystal meth en 5 gram 2-MMC) die hij die nacht in huis had zijn opgegaan, hetgeen wel een duidelijke aanwijzing oplevert in de richting van het gebruik van een extreme hoeveelheid metamfetamine.

Gelet op de verklaringen van beklaagde, het ontbreken van aanwijzingen dat [slachtoffer] voorafgaand aan zijn bezoek aan beklaagde dan wel daarna metamfetamine heeft gebruikt en de hoeveelheid metamfetamine die is gevonden in het bloed van [slachtoffer], gaat het hof ervan uit dat de aangetroffen hoeveelheid is veroorzaakt door de crystal meth die door beklaagde aan [slachtoffer] is verstrekt. Beklaagde heeft deze hoge dosering crystal meth aan [slachtoffer] verstrekt, in combinatie met 2-MMC, wetende dat een te hoge dosering nadelige gevolgen zou kunnen hebben, hetgeen het hof onder meer afleidt uit de opmerking dat hij geen ambulance voor de deur wilde hebben.

Verder stelt het hof vast dat [slachtoffer] nog relatief jong was (en veel jonger dan beklaagde), dat de crystal meth in combinatie met 2-MMC in een seksuele setting is gebruikt, in het huis van beklaagde, waarbij beklaagde ‘in the lead’ was en dat bij beklaagde de nadruk klaarblijkelijk lag op het eigen seksueel gerief.

In afwijking van het standpunt van het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat het door beklaagde verstrekken van een zeer grote (en lethale) dosis crystal meth, in combinatie met 2-MMC, onder de hiervoor geschetste omstandigheden (in het bijzonder de seksuele setting en het leeftijdsverschil) mogelijk wel degelijk onaanvaardbare gezondheidsrisico’s met zich heeft gebracht op grond waarvan gesteld kan worden dat beklaagde aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld. Gelet op de ernst van de gevolgen van het handelen van beklaagde dient de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is naar het oordeel van het hof te worden voorgelegd aan de strafrechter, waarbij uiteraard ook de vraag naar het causaal verband aandacht zal dienen te krijgen (zie daarvoor in zaken als de onderhavige onder meer de annotatie van Keijzer onder NJ 2015/269).

Het hof merkt ten overvloede op dat het begrijpt dat het overlijden van [slachtoffer] ook op beklaagde impact heeft gehad. Dit is echter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat kan worden afgezien van vervolging. Tevens wenst het hof te benadrukken dat het in deze beschikking uitsluitend een weging geeft van de feiten en omstandigheden in het kader van zijn beoordeling van het bestaan van voldoende aanknopingspunten voor een vervolging. De beantwoording van de vraag of sprake is van wettig en overtuigend bewijs en de kwalificatie van een eventuele bewezenverklaring is immers niet aan het hof in de beklagprocedure maar voorbehouden aan de strafrechter.

Het beklag is terecht gedaan, zodat moet worden beslist als volgt.

7. De beslissing

Het hof:

Verklaart het beklag gegrond en gelast de strafvervolging van [naam beklaagde], voor dood door schuld.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 2 maart 2026 door mr. O.M. Harms, voorzitter, mr. B.P. de Boer en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Toorens, griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. O.M. Harms
  • mr. B.P. de Boer
  • mr. A.F.H. ten Brummelhuis

Griffier

  • mr. J. Toorens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?