ECLI:NL:GHDHA:2026:394

ECLI:NL:GHDHA:2026:394

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer 22-003558-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vordering tot opheffing schorsing voorlopige hechtenis. De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf voor doodslag, waarbij de voorlopige hechtenis opnieuw is geschorst. Het hof wijst de vordering af. Bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte maken dat haar belang ook thans zwaarder weegt dan de belangen van strafvordering.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003558-25

Parketnummer: 10-092265-24

Datum beschikking: 13 maart 2026

Beschikking van de meervoudige raadkamer in strafzaken van het gerechtshof Den Haag naar aanleiding van het hoger beroep in de strafzaak tegen de verdachte, genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

Procesgang

De rechtbank Rotterdam heeft bij beslissing van 18 november 2024 de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen met ingang van 19 november 2024 tot de einduitspraak in eerste aanleg.

Bij vonnis van 18 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:13333) heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. De rechtbank heeft daarbij – opnieuw – de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen.

De verdachte heeft op 26 november 2025 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft op 1 december 2025 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft op 1 december 2025 een vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte ingediend.

Het hof heeft deze vordering op 18 december 2025 en 6 maart 2026 in raadkamer behandeld.

In raadkamer zijn gehoord de advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol, de verdachte en haar raadsman mr. L.A.R. Newoor.

In raadkamer heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van 1 juni 2026 en dat tot die tijd als bijzondere schorsingsvoorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich onder toezicht stelt van de reclassering, opdat de reclassering haar kan begeleiden bij het regelen van zorg voor haar kinderen met het oog op haar detentie.

De ontvankelijkheid van de vordering

De raadsman heeft betoogd dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk is in de vordering. Hij heeft daartoe gesteld dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) eerder de opheffing van de schorsing had moeten vorderen, bijvoorbeeld tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in eerste aanleg. Ook heeft de raadsman gesteld dat het OM in zijn appelschriftuur geen grief heeft geformuleerd tegen de schorsingsbeslissing, waardoor sprake is van een ‘verkapt appel’. Tot slot heeft de raadsman gesteld dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het moment dat de schorsing werd bevolen.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het OM en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 82 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechter ambtshalve of op de vordering van het OM te allen tijde de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen. Voor het indienen van een dergelijke vordering is niet vereist dat is gebleken van gewijzigde omstandigheden. Of van gewijzigde omstandigheden sprake is, kan bij de beoordeling van de vordering een rol spelen, maar is voor de ontvankelijkheid geen vereiste. Dat het OM reeds in eerste aanleg een vordering tot opheffing van de schorsing had kunnen doen, staat niet aan ontvankelijkheid van de onderhavige vordering in de weg. Een in eerste aanleg gedane vordering zou bovendien opheffing van de op 18 november 2024 bevolen schorsing beogen (welke schorsing liep tot de einduitspraak in eerste aanleg), terwijl de onderhavige vordering opheffing van de op 18 november 2025 bevolen schorsing beoogt. Anders dan de raadsman heeft gesteld, is voor de ontvankelijkheid van de vordering evenmin vereist dat het OM in zijn appelschriftuur een grief heeft geformuleerd tegen de schorsingsbeslissing.

De advocaat-generaal kan dus worden ontvangen in de vordering.

De beoordeling van de vordering

Bij de beslissing of tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt overgegaan, gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987), staat bij het maken van die afweging voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. Verder moet tot uitgangspunt worden genomen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst als het doel dat – gelet op de grond of de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt of liggen – in het concrete geval met de voorlopige hechtenis wordt nagestreefd, ook kan worden gerealiseerd door het stellen van voorwaarden in het kader van zo’n schorsing. Dat betekent dat de rechter pas tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis mag overgaan, als die opheffing noodzakelijk is gelet op het genoemde doel.

In deze zaak betrekt het hof het volgende bij de afweging van belangen.

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte berust op de grond dat sprake is van verdenking van een feit waarop een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt. Naar het oordeel van het hof is die grond nog steeds aanwezig. In hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf is opgelegd als bedoeld in artikel 75, eerste lid, Sv. De rechtbank heeft de verdachte immers veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren ter zake van doodslag. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde op ernstige wijze.

De rechtbank heeft bij de beslissing tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis betekenis toegekend aan het verloop van de eerdere schorsing die was ingegaan op 19 november 2024. Nieuwe justitiecontacten zijn uitgebleven en er hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. Voorts waren de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die reden vormden voor de eerdere schorsing, op het moment van de hernieuwde schorsing ongewijzigd.

Om meer zicht te krijgen op de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof de advocaat-generaal verzocht een reclasseringsrapportage te doen opmaken. Uit de op 11 februari 2026 uitgebrachte rapportage blijkt onder meer het volgende.

De verdachte woont met haar vier kinderen, haar zus en de zes kinderen van haar zus. De verdachte draagt de zorg voor haar eigen kinderen en mede de zorg voor de kinderen van haar zus, die fulltime werkt. De twee jongste kinderen van de verdachte zijn non-verbaal autistisch en haar oudste kind heeft een taalontwikkelingsachterstand. Deze situatie brengt de nodige zorgen met zich mee. Een van de kinderen van haar zus heeft autisme. De verdachte heeft veel zorgtaken op zich genomen. De Raad voor Kinderbescherming en de William Schrikker Groep zijn betrokken geweest bij de kinderen. De kinderrechter heeft op 10 juli 2025 beslist dat het niet nodig was om een jeugdbeschermingsmaatregel op te leggen. Hoe de zorg voor de kinderen geregeld moet gaan worden bij langdurige detentie van de verdachte is nog niet duidelijk. De reclassering maakt zich daar zorgen over. De reclassering is van mening dat professionele ondersteuning wenselijk is om, indien de verdachte in hoger beroep wordt veroordeeld, de gezinssituatie tijdig voor te bereiden op een langdurige gevangenisstraf. De reclassering adviseert om reclasseringsbegeleiding als bijzondere schorsingsvoorwaarde te stellen, met als doel de verdachte en haar gezin adequaat voor te bereiden op een mogelijke langdurige detentie.

Het hof komt tot het volgende oordeel.

Hoewel de schorsing van de voorlopige hechtenis te allen tijde kan worden opgeheven, moet daarmee terughoudend worden omgegaan, gelet op het ingrijpende karakter van voorlopige hechtenis als dwangmiddel. De rechtbank heeft tot twee keer toe ruimte gezien voor schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, waarmee de rechtbank een zwaarder gewicht heeft toegekend aan de belangen van de verdachte dan aan de belangen van strafvordering. De voorlopige hechtenis is geschorst sinds 19 november 2024, ruim een jaar geleden.

Blijkens de inhoud van de recente reclasseringsrapportage zijn de belangen van de verdachte bij schorsing ook op dit moment – gelet op haar gezinssituatie – onverminderd groot. Gelet op deze naar het oordeel van het hof bijzonder zwaarwegende persoonlijke omstandigheden en mede in aanmerking genomen het verloop van de eerdere en de huidige schorsing van de voorlopige hechtenis, komt het hof tot het oordeel dat de belangen van de verdachte ook op dit moment dienen te prevaleren boven de belangen van strafvordering. Hoewel met het veroordelende vonnis de belangen van strafvordering in gewicht zijn toegenomen, is dat gewicht niet zodanig geworden dat die belangen thans prevaleren boven de belangen van de verdachte en opheffing van de schorsing om die reden op dit moment noodzakelijk is.

Gelet op hetgeen door de reclassering wordt opgemerkt in het rapport van 11 februari 2026 omtrent de wenselijkheid van reclasseringsbegeleiding, zal het hof aan de bestaande schorsingsvoorwaarden toevoegen de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal stellen onder toezicht van Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen door die instelling in haar belang te geven.

Beslissing

Het hof:

Wijst de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.

Voegt aan de schorsingsvoorwaarden toe de bijzondere voorwaarde:

dat de verdachte zich zal stellen onder toezicht van Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen door die instelling in haar belang te geven.

Deze beschikking is gegeven op 13 maart 2026 door

mr. G. Knobbout, voorzitter,

mr. B.W. Mulder en mr. M.E.L. Hendriks, leden,

in tegenwoordigheid van mr. T. Kherad, griffier.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

……………………………. ………………………………

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.

Den Haag, 13 maart 2026

de advocaat-generaal

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G. Knobbout
  • mr. B.W. Mulder
  • mr. M.E.L. Hendriks

Griffier

  • mr. T. Kherad

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?