GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Arrest van 27 januari 2026
in de zaak van
Finaal Adviesgroep B.V.,
gevestigd in Zwijndrecht,
appellante,
advocaat: mr. A. Ester, kantoorhoudend in Zwijndrecht,
tegen
1. Allerzorg B.V., thans genaamd: Bloezem Zorg Thuis B.V.
gevestigd in Woerden,
2. [geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. T.M. Maters, kantoorhoudend in Huissen.
Het hof noemt appellante hierna Finaal Adviesgroep en geïntimeerden Allerzorg en [geïntimeerde] ; geïntimeerden gezamenlijk ook Allerzorg c.s.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] , financieel directeur van Allerzorg, heeft in naam van Allerzorg een overeenkomst gesloten met Finaal Adviesgroep voor advisering over besparing op loonkosten. Finaal Adviesgroep heeft hierna Allerzorg geadviseerd over mogelijke tegemoetkomingen en besparingen op loonkosten. Zij heeft hiervoor bij Allerzorg een bedrag van omstreeks € 60.000,- in rekening gebracht. Allerzorg heeft geweigerd te betalen. Finaal Adviesgroep is naar de rechter gestapt om betaling af te dwingen.
De rechtbank heeft de vordering van Finaal Adviesgroep afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank bekrachtigd (behoudens een andere beslissing over de proceskosten). Na cassatie en verwijzing heeft het gerechtshof ՛s-Hertogenbosch het vonnis wederom bekrachtigd (weer behoudens een andere beslissing over de proceskosten). Na een tweede cassatie bij arrest van de Hoge Raad van 27 september 2024 en verwijzing naar dit hof, ligt andermaal de vraag voor of de vordering van Finaal Adviesgroep moet worden toegewezen.
Tussen partijen zijn de volgende onderwerpen nog in geschil:
Is Allerzorg gebonden aan de overeenkomst die [geïntimeerde] in haar naam met Finaal Adviesgroep is aangegaan?
Is juridische zekerheid verkregen over de subsidieaanspraak die Finaal Adviesgroep in haar advies heeft geïdentificeerd?
Heeft de overeenkomst (mede) betrekking op de geïdentificeerde subsidiesoort?
Heeft de overeenkomst betrekking op de tijdvakken waarover Finaal Adviesgroep de subsidieaanspraak heeft geïdentificeerd (en waarop haar honorariumaanspraak ziet)?
Welk deel van het honorarium is eventueel verschuldigd, gegeven de voortijdige beëindiging van de werkzaamheden?
Het hof beantwoordt de hiervoor onder a) en b) vermelde vragen bevestigend. Voor het antwoord op vraag c) geeft het hof een bewijsopdracht aan Allerzorg. Voor het geval dat het hof die vraag na de bewijslevering bevestigend mocht beantwoorden, dienen partijen zich nog (nader) uit te laten over de vragen d) en e).
2. Procesverloop na tweede cassatie en verwijzing
Het verloop van de procedure na tweede cassatie en verwijzing blijkt uit de volgende stukken:
de oproepingen van Allerzorg c.s.;
de memorie na verwijzing van Finaal Adviesgroep van 7 januari 2025, met een productie;
de antwoordmemorie na verwijzing van 11 maart 2025.
Hierna heeft de zaak voor beraad gestaan en hebben partijen arrest gevraagd. Partijen hebben het hof desverzocht schriftelijk laten weten geen behoefte (meer) te hebben aan een mondelinge behandeling.
3. Feitelijke achtergrond
Finaal Adviesgroep en [geïntimeerde] (financieel directeur van Allerzorg) hebben gesprekken gevoerd over een opdracht van Allerzorg aan Finaal Adviesgroep tot het verrichten van een onderzoek naar de optimale toepassing van fiscale regelingen en kostenbesparingen op het gebied van personeel en arbeid. Ook het al dan niet uitvoeren van deze werkzaamheden op basis van no cure no pay en de hoogte van de vergoeding waren onderdeel van die gesprekken.
Bij e-mail van 26 april 2017 heeft Finaal Adviesgroep aan een medewerker van Allerzorg onder meer het volgende bericht:“(...) U betaalt onze fee pas wanneer de gelden zijn verrekend, uitbetaald of schriftelijk zijn toegekend. (...)"
Bij e-mail van 25 augustus 2017 heeft Finaal Adviesgroep bij wijze van aanbod een door haar opgesteld contract, tussen haar en Allerzorg, aan [geïntimeerde] gestuurd.
In het contract is onder meer het volgende opgenomen:“Artikel 1 Periode & Onderzoekskader1.1 Deze overeenkomst heeft betrekking op restituties, kostenbesparingen en onterecht betaalde loonkosten die geïdentificeerd worden over het jaar 2012 tot en met 2017 datum ondertekening. (…)Artikel 3 Success Fee3.1. Opdrachtnemer rekent haar Success Fee af over het financieel voordeel van Opdrachtgever als gevolg van haar interventie. Wij werken niet met enige vorm van opstartkosten. De Success Fee wordt berekend over de additionele opbrengsten en kostenbesparingen. De afrekening van de Success Fee zal plaatsvinden nadat de gelden zijn geïdentificeerd.3.2. Onder financieel voordeel wordt begrepen de vastgestelde kostenbesparing (eventuele heffingsrente inbegrepen) voor Opdrachtgever dat is ontstaan als gevolg van het onderzoek door Opdrachtnemer. (...)3 4 De Zuivere Fee betaling op Succesbasis is exclusief BTW en bedraagt 22,5%.”
Op 1 september 2017 heeft [geïntimeerde] het contract ondertekend en per e-mail aan Finaal Adviesgroep teruggestuurd. Over de betaling heeft [geïntimeerde] in die e-mail het volgende opgemerkt: “Wellicht ten overvloede: wij zijn de succesfee verschuldigd nadat wij de (juridische) zekerheid hebben dat de subsidie ontvangen zal gaan worden.”
Op basis van de door (collega’s van) [geïntimeerde] aangeleverde gegevens heeft Finaal Adviesgroep een zogenoemde ‘Rapportage Finaalscan’ opgesteld. Volgens dit rapport heeft Finaal Adviesgroep voor een bedrag van € 216.813,- aan te realiseren kostenbesparingen geïdentificeerd voor de jaren 2017-2019. Hierna zijn deze werkzaamheden op aangeven van [geïntimeerde] niet verder vervolgd.
Finaal Adviesgroep heeft op 17 oktober 2017 een factuur ten bedrage van € 59.025,43 inclusief btw aan Allerzorg verzonden voor de door haar verrichte werkzaamheden. Allerzorg heeft deze niet betaald.
Finaal Adviesgroep is hierop de onderhavige procedure gestart, met een vordering tot betaling van de factuur, rente en kosten door Allerzorg en, voor het geval dat geoordeeld mocht worden dat Allerzorg niet is gebonden aan de overeenkomst, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling daarvan.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Volgens de rechtbank was Allerzorg niet aan de overeenkomst gebonden en was evenmin sprake van schijn van volmachtverlening in de zin van artikel 3:61 lid 2 BW. [geïntimeerde] zelf hoefde niet in te staan voor de volmacht (in de zin van artikel 3:71 BW), terwijl hij evenmin onrechtmatig heeft gehandeld, aldus nog steeds de rechtbank.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd (behoudens een andere beslissing over de proceskosten). Het heeft daarbij in het midden gelaten of Allerzorg aan een overeenkomst met Finaal Adviesgroep was gebonden, dan wel of [geïntimeerde] moest instaan voor een volmacht van Allerzorg (in de zin van artikel 3:70 BW), dan wel hij onrechtmatig had gehandeld. Het hof heeft vervolgens geoordeeld (i) dat de vordering pas opeisbaar wordt nadat Allerzorg (juridische) zekerheid had gekregen dat de subsidies (en/of in de visie van Finaal Adviesgroep, kortingen of besparingen) ontvangen zouden gaan worden. Volgens het hof (ii) had Finaal Adviesgroep onvoldoende gesteld om te onderbouwen dat dergelijke zekerheid was verkregen.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 juli 2022 het arrest van het hof vernietigd op het hiervoor onder (ii) genoemde onderdeel. De Hoge Raad heeft daartoe het volgende overwogen: “Het hof heeft miskend dat van Finaal Adviesgroep niet kan worden gevergd dat zij een stelling onderbouwt voor zover de voor die onderbouwing benodigde gegevens zich bevinden in het domein van haar wederpartij en zij daar geen toegang toe heeft. Bij die stand van zaken ligt het veeleer op de weg van Allerzorg om in het kader van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat zij Finaal Adviesgroep aanknopingspunten verschaft voor een eventuele nadere onderbouwing van haar stelling.” Hierop heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar het hof ՛s-Hertogenbosch.
Het hof ՛s-Hertogenbosch heeft op 18 juli 2023 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd (behoudens een andere beslissing over de proceskosten). Het heeft daartoe onder meer overwogen dat tussen partijen niet vaststaat dat als gevolg van de interventie van Finaal Adviesgroep de subsidies/ kostenbesparingen/kortingen en dergelijke die zijn ontstaan als gevolg van haar onderzoek en computerprogramma, ook daadwerkelijk ontvangen kunnen worden of zijn ontvangen.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 27 september 2024 ook dit arrest vernietigd. De klacht dat het er voor de betalingsverplichting van Allerzorg niet om gaat of ook een ander dan Finaal Adviesgroep werk heeft verricht om de subsidies, kortingen of besparingen te verkrijgen, oordeelt de Hoge Raad gegrond: “Gezien de vaststelling dat de vordering van Finaal Adviesgroep opeisbaar wordt nadat Allerzorg (juridische) zekerheid heeft gekregen dat de subsidies, kortingen of besparingen ontvangen zullen gaan worden, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom relevant is of Allerzorg de subsidies, kortingen of besparingen heeft of kan ontvangen door alleen de inspanningen van Finaal Adviesgroep.” De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar dit hof (Den Haag).
4. Vorderingen in hoger beroep
Finaal Adviesgroep vordert betaling door Allerzorg, althans [geïntimeerde] , van € 59.025,43, vermeerderd met rente en kosten. Aan de vordering tegen Allerzorg legt zij voor zover van belang, samengevat, de stelling ten grondslag dat Allerzorg dit honorarium en de rente en kosten verschuldigd is op grond van de gesloten overeenkomst. Als zou moeten worden aangenomen dat [geïntimeerde] niet bevoegd was om de overeenkomst namens Allerzorg aan te gaan, dan kan Allerzorg dat volgens Finaal Adviesgroep niet aan haar tegenwerpen omdat zij heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat [geïntimeerde] hiertoe wél bevoegd was (artikel 3:61 lid 2 BW).
5. Beoordeling in hoger beroep
a) Is Allerzorg gebonden aan de overeenkomst die [geïntimeerde] in haar naam met Finaal Adviesgroep is aangegaan? Ja
Allerzorg c.s. betwist dat Allerzorg gebonden is aan de overeenkomst die [geïntimeerde] in naam van Allerzorg met Finaal Adviesgroep heeft gesloten. [geïntimeerde] was geen statutair bestuurder van Allerzorg, en dus niet uit dien hoofde vertegenwoordigingsbevoegd. Volgens Allerzorg c.s. had [geïntimeerde] ook geen volmacht. Finaal Adviesgroep stelt echter dat [geïntimeerde] wél gevolmachtigd was – door (het bestuur van) Allerzorg – om Allerzorg te vertegenwoordigen bij het sluiten van overeenkomsten zoals die met Finaal Adviesgroep, en dus ook bij de overeenkomst in kwestie. Zij voert hiervoor onder meer het navolgende aan:
Allerzorg is en was een omvangrijke organisatie, met 30 vestigingen en 857 mensen in dienst. Het is niet goed denkbaar dat de drie natuurlijke personen die indirect bestuurder van Allerzorg waren en/of de enige gevolmachtigde [gevolmachtigde] die in het handelsregister was geregistreerd, alle rechtshandelingen voor deze organisatie zelf verrichtten. Het is daarom niet goed denkbaar dat niet ook met volmachten werd gewerkt (ook, zo bedoelt Finaal Adviesgroep klaarblijkelijk, aan anderen dan [gevolmachtigde] ).
[geïntimeerde] was bij Allerzorg aangesteld als financieel directeur. Uit de functieomschrijving in de vacature die aan zijn aanstelling ten grondslag lag, komt naar voren dat hij eindverantwoordelijk was voor het financiële beleid en dat hij strategische en operationele beslissingen diende te nemen.
[geïntimeerde] ging er zelf (ook) van uit dat hij bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan
Het hof oordeelt hierover als volgt. Op grond van artikel 3:61 lid 1 BW kan een volmacht stilzwijgend worden verleend. Die stilzwijgende volmachtverlening kan ook plaatsvinden als de wil van de volmachtgever daarop niet gericht is, maar degene die de verklaringen en/of (stilzwijgende) gedragingen als (stilzwijgende) volmachtverlening aan zichzelf heeft opgevat, dat redelijkerwijze aldus heeft mogen doen (artikel 3:35 BW).
Finaal Adviesgroep voert terecht aan dat uit de functieomschrijving in de vacature die ten grondslag lag aan de aanstelling van [geïntimeerde] (functie: ‘Directeur Financiën’), blijkt dat hij eindverantwoordelijk zou zijn voor het financiële beleid en dat hij strategische en operationele beslissingen diende te nemen. De vacature vermeldde met zoveel woorden ‘Als directeur Financiën ben jij verantwoordelijk voor het financiële beleid’ en ‘Jij neemt strategische en operationele beslissingen aan de hand van financiële rapportages en ontwikkelingen’.
[geïntimeerde] ging er zelf ook van uit dat hij bevoegd was de overeenkomst aan te gaan, zo heeft hij op de mondelinge behandeling in eerste aanleg verklaard (“Ik heb nu wel ondertekend in de veronderstelling dat ik beperkt bevoegd was voor de Quickscan”). Weliswaar heeft [geïntimeerde] ook verklaard dat hij een andere interpretatie van de overeenkomst had dan die welke Finaal Adviesgroep nu in deze procedure verdedigt ( [geïntimeerde] stelt dat hij ervan uitging dat het een ‘quickscan’ betrof en dat de overeenkomst alleen zag op Europese subsidies/besparingen), maar dat neemt niet weg dat hij zich bevoegd achtte om een overeenkomst van deze aard (subsidie-identificatie) en met daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen (succes fee) aan te gaan.
Tot slot heeft Allerzorg c.s. ook niet weersproken dat de organisatie ten tijde van belang (omstreeks) 30 vestigingen en 857 mensen in dienst had, terwijl er niet meer dan drie (indirect) bestuurders en één in het handelsregister geregistreerde gevolmachtigde waren. Hierover heeft Allerzorg c.s. op de mondelinge behandeling in eerste aanleg verklaard: “En al die filialen die rechtshandelingen verrichten, ja die handelingen kunnen allemaal vernietigd worden maar dat gebeurt niet bij de kleine handelingen. Maar in dit geval is het anders.” Deze uitlating weerlegt niet het standpunt van Finaal Adviesgroep dat het niet goed denkbaar is dat het verrichten van rechtshandelingen niet deels ook feitelijk aan anderen binnen de organisatie werd overgelaten (in tegendeel). Het had tegen deze achtergrond op de weg van Allerzorg c.s. gelegen om nader toe te lichten dat het aangaan van een overeenkomst zoals die met Finaal Adviesgroep (naar zijn aard) niet feitelijk aan de financieel directeur [geïntimeerde] was overgelaten en dat en waarom [geïntimeerde] dat niet mocht opvatten als volmacht.
Het voorgaande bij elkaar maakt voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] inderdaad (stilzwijgend) gevolmachtigd was om overeenkomsten aan te gaan zoals die met Finaal Adviesgroep, en dus ook deze overeenkomst. Allerzorg c.s. heeft dit niet voldoende gemotiveerd weersproken.
Als zelfstandige grondslag voor gebondenheid van Allerzorg aan de overeenkomst geldt hiernaast dat Finaal Adviesgroep in elk geval mocht veronderstellen dat [geïntimeerde] toereikend gevolmachtigd was om de overeenkomst aan te gaan. Dat betekent dat als in werkelijkheid een volmacht ontbrak, dit aan de binding van Allerzorg aan de overeenkomst toch niet in de weg staat. Het hof licht dit als volgt toe.
Artikel 3:61 lid 2 BW bepaalt dat als een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan worden gedaan, als zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Volgens vaste rechtspraak kan voor toerekening van schijn van volmachtverlening ook plaats zijn ingeval de wederpartij gerechtvaardigd op de vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo-vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (vgl. o.a. HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2020:BK7671 (ING/Bera)). Dit risicobeginsel gaat intussen niet zó ver, dat voor toepassing daarvan ook ruimte is wanneer het gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van pseudo-vertegenwoordiger zelf (vgl. o.a. 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142 (Tamacht/Hodenius)). Van dit laatste is in het voorliggende geval echter geen sprake. Een omstandigheid die aan Allerzorg is toe te rekenen is de aanstelling van [geïntimeerde] als financieel directeur. Die aanstelling – een evident aan Allerzorg toe te rekenen omstandigheid – kon Finaal Adviesgroep niet alleen blijken uit mededelingen van [geïntimeerde] zelf, maar ook uit het door hem vóór het sluiten van de overeenkomst gegeven visitekaartje (met de naam Allerzorg) waarop die titel was vermeld. Finaal Adviesgroep mocht ervan uitgaan – dit is tussen partijen niet in geschil – dat dit visitekaartje [geïntimeerde] legitimeerde als financieel directeur. Ook de omstandigheid dat medewerkers van de HR-afdeling van Allerzorg ter uitvoering van de overeenkomst gegevens van personeel aanleverden aan Finaal Adviesgroep, is een omstandigheid die buiten [geïntimeerde] om aan Allerzorg kan worden toegerekend en die bijdroeg aan het vertrouwen van Finaal Adviesgroep dat zij via [geïntimeerde] een geldige overeenkomst met Allerzorg was aangegaan.
Aan de opgewekte schijn van volmachtverlening doet niet af dat Finaal Adviesgroep (naar eigen zeggen) het handelsregister had geraadpleegd voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Het standpunt van Finaal Adviesgroep houdt nu juist in dat zij heeft vertrouwd op een stilzwijgende volmacht aan [geïntimeerde] ; het bestaan of ontbreken daarvan kan uit het handelsregister niet worden afgeleid. Allerzorg wijst erop dat Finaal Adviesgroep (ook) volgens haar eigen stellingen een zeker risico heeft genomen door niet bij het bestuur van Allerzorg te informeren naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [geïntimeerde] , maar dat maakt niet dat Finaal Adviesgroep niet toch gerechtvaardigd op die vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft mogen vertrouwen, gelet op de hiervoor besproken omstandigheden.
Het voorgaande maakt dat de vordering tegen [geïntimeerde] , die slecht is ingesteld voor het geval dat mocht worden geoordeeld dat tussen Finaal Adviesgroep en Allerzorg geen overeenkomst tot stand is gekomen, zal worden afgewezen.
b) Is juridische zekerheid verkregen over de subsidieaanspraak die Finaal Adviesgroep in haar advies heeft geïdentificeerd? Ja
Het standpunt van Finaal Adviesgroep houdt in dat Allerzorg juridische zekerheid heeft verkregen over de subsidieaanspraak die zij in haar rapport heeft geïdentificeerd, zodat haar vordering tot betaling opeisbaar is. De Hoge Raad heeft hierover in zijn arrest van 8 juli 2022 onder 3.1 en 3.2 geoordeeld dat het op de weg van Allerzorg ligt om in het kader van haar betwisting van dit standpunt zodanig feitelijke gegevens te verstrekken dat zij Finaal Adviesgroep aanknopingspunten verschaft voor een nadere onderbouwing van haar stelling. Allerzorg heeft dergelijke gegevens noch in de procedure na verwijzing bij het hof ’s Hertogenbosch noch in de tweede procedure na verwijzing bij dit hof verschaft. Het standpunt dat er sprake is van juridische zekerheid heeft Allerzorg dan ook niet of althans niet voldoende gemotiveerd weersproken. In hoeverre deze verkregen juridische zekerheid is toe te rekenen aan de inspanningen van Finaal Adviesgroep en hoe relevant dat is voor haar honorariumaanspraak op Allerzorg, komt hierna (5.15-5.16) nog aan de orde.
c) Heeft de overeenkomst betrekking op de geïdentificeerde subsidiesoort? Het hof acht dit voorshands bewezen, en laat Allerzorg toe tegenbewijs te leveren.
Zoals hiervoor (3.4) vermeld, staat in de overeenkomst dat deze betrekking heeft op ‘restituties, kostenbesparingen en onterecht betaalde loonkosten die geïdentificeerd worden’. Allerzorg stelt zich evenwel op het standpunt dat partijen een overeenkomst met een beperkter strekking voor ogen heeft gestaan, te weten dat de werkzaamheden van Finaal Adviesgroep alleen maar zouden zien op zgn. Europese subsidies, en niet op ‘huis- tuin- en keukensubsidies’ (zoals de ‘premiekorting oudere werknemer’ die Finaal Adviesgroep in haar advies heeft geïdentificeerd voor het jaar 2017). Allerzorg voert daarvoor onder meer aan dat de identificatie en realisatie van die ‘huis-, tuin en keukensubsidies’, althans de premiekorting oudere werknemer, al werd verzorgd door een andere dienstverlener van haar (OAZ), en dat [geïntimeerde] ook duidelijk met Finaal Adviesgroep heeft besproken dat het hem alleen te doen was om de ‘Europese subsidies’. Allerzorg wijst ook nog op een e-mail uit april 2017 van Finaal Adviesgroep aan (de voorganger van [geïntimeerde] bij) Allerzorg, waarin Finaal Adviesgroep spreekt over ‘(Europese) subsidieregelingen (surseancebonussen)’.
Finaal Adviesgroep betwist dat zij de door Allerzorg gestelde beperking met [geïntimeerde] heeft besproken of dat zij daarvan moest uitgaan; zij beroept zich op de tekst van de overeenkomst die op dit punt geen beperking bevat. Tegen deze achtergrond oordeelt het hof de door Finaal Adviesgroep gestelde strekking van de overeenkomst, overeenkomstig de taalkundige betekenis van het desbetreffende artikel 1.1, voorshands bewezen. Het hof zal Allerzorg gelegenheid geven om ter zake tegenbewijs te leveren.
d) Heeft de overeenkomst betrekking op de tijdvakken waarover Finaal Adviesgroep de subsidieaanspraak heeft geïdentificeerd (en waarop haar honorariumaanspraak ziet)? Hierover mogen partijen zich nog uitlaten.
Het is voor het hof niet aanstonds duidelijk hoe het in rekening gebrachte honorarium, dat klaarblijkelijk betrekking heeft op de jaren 2017-2019, in temporele zin geheel is te herleiden tot de gesloten overeenkomst, die blijkens artikel 1.1 (hiervoor, 3.4) ziet op “restituties, kostenbesparingen en onterecht betaalde loonkosten die geïdentificeerd worden over het jaar 2012 tot en met 2017 datum ondertekening”. Over dit onderwerp zal Finaal Adviesgroep zich bij akte nader mogen uitlaten. Allerzorg zal hierop bij akte mogen reageren.
e) Welk deel van het honorarium is eventueel verschuldigd, gegeven de voortijdige beëindiging van de werkzaamheden? Ook hierover mogen partijen zich nog uitlaten.
Zoals hiervoor (3.13) overwogen heeft de Hoge Raad het arrest van het hof ’s Hertogenbosch vernietigd, onder meer omdat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom relevant is of Allerzorg de subsidies, kortingen of besparingen heeft of kan ontvangen door alleen de inspanningen van Finaal Adviesgroep. In dit verband is van belang enerzijds dat de vordering van Finaal Adviesgroep reeds opeisbaar is geworden door ontvangst van de subsidies dan wel door het verkrijgen van juridische zekerheid dat deze zullen worden ontvangen – deze voorwaarde is vervuld (hiervoor, 5.11) – en anderzijds dat Allerzorg Finaal Adviesgroep verhinderde om zelf de realisatie van de geïdentificeerde subsidie te verzorgen (Finaal Adviesgroep op de mondelinge behandeling in eerste aanleg: “we mochten het werk niet afmaken”).
Dit een en ander doet de vraag zich opdringen, voor zover geoordeeld mocht worden dat Finaal Adviesgroep aanspraak heeft op honorarium in verband met het realiseren of verkrijgen van juridische zekerheid omtrent door haar geïdentificeerde besparingen/subsidies, of deze aanspraak het gehele overeengekomen honorarium van 22,5% over het subsidiebedrag is, dan wel een redelijk deel daarvan overeenkomstig artikel 7:411 BW. Daarbij zou onder meer van belang kunnen zijn de verhouding tussen enerzijds de kosten van Finaal Adviesgroep die aan haar rapportage zijn toe te rekenen, en anderzijds de kosten die nog gemoeid zouden zijn geweest met het finaliseren van haar werkzaamheden indien Allerzorg haar daarvoor gelegenheid zou hebben gegeven. Ook hierover zal Finaal Adviesgroep zich nog bij akte mogen uitlaten. Allerzorg zal hierop bij akte mogen reageren.
Het verdere procesverloop
Het hof gaat ervan uit dat Allerzorg het hiervoor in 5.13 bedoelde tegenbewijs wil leveren (mede) door middel van getuigen. Het hof zal daarom een datum bepalen voor getuigenverhoor. Op de desbetreffende zitting mag Finaal Adviesgroep tevens een akte nemen over de hiervoor in 5.14 en 5.16 bedoelde onderwerpen. Deze akte dient Finaal Adviesgroep alsdan uiterlijk acht weken voorafgaand aan de zitting aan het hof en aan de wederpartij toe te zenden. Als Allerzorg een antwoordakte wil nemen, dan dient zij dit ook op de desbetreffende zitting te doen, en dient zij deze akte uiterlijk vier weken voorafgaand daaraan aan het hof en aan de wederpartij toe te zenden. De raadsheer-commissaris kan partijen alsdan vragen stellen over deze aktes.
Het hof geeft partijen intussen ernstig in overweging, mede gelet op enerzijds de tijd en kosten die weer zullen zijn gemoeid met het verder procederen en anderzijds het relatief beperkte financiële belang van de zaak en de beslissingen die intussen tot en met dit arrest zijn genomen, om dit alles vóór te zijn en zich zo spoedig als mogelijk met elkaar te verstaan over het bereiken van een minnelijke regeling.
6. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, M.A.F. Tan-de Sonnaville en J.M.T. van der Hoeven-Oud, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.