Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002280-24
Parketnummer: 10-021654-23
Datum uitspraak: 23 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1973,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), 2 impliciet primair (poging tot moord), 3 (bedreiging) en 4 (voorhanden hebben van een wapen en munitie) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de inbeslaggenomen goederen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Zwijndrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,
met een vuurwapen een kogel in/door het lichaam, van die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
2.hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Zwijndrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
3.hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Zwijndrecht [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- aan die [slachtoffer 3] een vuurwapen te tonen / voor te houden en/of
- ( daarbij) (vervolgens) met dit vuurwapen in de lucht te schieten en/of
- ( daarbij) aan die [slachtoffer 3] (dreigend) de woorden toe te voegen: "Wegwezen",
althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;
4.hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2023 tot en met 25 februari 2023 te Zwijndrecht en/of Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer kogelpatronen voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (moord), het onder 2 impliciet primair (poging tot moord) en het onder 3 (bedreiging) en 4 (voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft de advocaat-generaal toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] gevorderd en ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] gevorderd deze toe te wijzen overeenkomstig het vonnis waarvan beroep. Tevens heeft de advocaat-generaal verzocht de inbeslaggenomen goederen te onttrekken aan het verkeer, conform het vonnis van de rechtbank.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat zowel de ten laste gelegde moord op het
slachtoffer [slachtoffer 1] als de ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] of [slachtoffer 2] ) wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft met voorbedachte raad gehandeld in een poging om [slachtoffer 2] te doden. Hij
heeft daartoe uitvoering gegeven aan een zorgvuldig voorbereid plan. De verdachte heeft
voorafgaand aan het schietincident de bewegingen en routines van [slachtoffer 2] gemonitord en
een vluchtplan gemaakt. Het gedrag van de verdachte gedurende het schietincident is niet
dat van een persoon die handelt vanuit een gemoedsopwelling, maar getuigt van bewust en
doelgericht handelen waarover tevoren is nagedacht. De alternatieve lezing van de verdachte
dat hij [slachtoffer 2] wilde meenemen om te praten, wordt weerlegd door de verklaringen van de getuigen over wat zij hebben waargenomen. De verdachte heeft wekenlang de tijd gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit om [slachtoffer 2] te doden en zich daarvan rekenschap te geven. Daarnaast was de gelegenheid tot kalm beraad ook aanwezig op 21 januari 2023, toen de verdachte [slachtoffer 2] heeft gevolgd van Dordrecht naar Zwijndrecht en heeft besloten haar daar pas aan te spreken. De verdachte heeft de gevolgen van zijn handelen welbewust aanvaard. Hij heeft gehandeld met vol opzet door [slachtoffer 2] tweemaal vanaf korte afstand in de rug te schieten.
Aangenomen kan worden dat de verdachte ook met voorbedachte raad heeft gehandeld bij
het doden van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft zich weloverwogen in een situatie begeven
waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] samen waren en verzet van de zijde van [slachtoffer 1] te
verwachten was. De noodzaak van het gebruik van geweld tegen [slachtoffer 1] was daarmee
voorzien en lag dus reeds besloten in het plan dat de verdachte had gemaakt. Het gemak en de doelgerichtheid waarmee de verdachte [slachtoffer 1] heeft neergeschoten past naar de uiterlijke verschijningsvorm veel meer bij een besluit dat eerder is genomen dan bij het handelen in een plotse opwelling. De verdachte heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om na te denken over zijn plan, de mogelijke scenario's en de gevolgen ervan, en om zich daarvan rekenschap te geven. Uit zijn handelwijze volgt dat hij welbewust de consequenties van zijn plan heeft aanvaard. De verdachte heeft ook ten aanzien van [slachtoffer 1] gehandeld met vol opzet.
Standpunt verdediging
De raadsman van de verdachte heeft, evenals in eerste aanleg, vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1] en poging tot moord op [slachtoffer 2] , op de grond dat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat
Beoordeling door het hof
Vaststelling feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden vast.
De aanloop naar 21 januari 2023
De verdachte en [slachtoffer 2] hebben een relatie van ruim dertien jaar gehad. Zij heeft bij de politie verklaard dat de verdachte vervelend begon te worden nadat haar moeder ( [slachtoffer 1] ) op 28 februari 2022 ziek werd. De aandacht ging niet meer naar de verdachte en hij werd jaloers. Verder heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij sinds april/mei 2022 veel ruzie hadden, er irritaties waren en zij in een sleur terechtkwamen. [slachtoffer 2] wilde een ander leven en wilde naar de familie en vrienden van vroeger. Uit de inhoud van de chatberichten die voorafgaand aan het incident tussen de verdachte en [slachtoffer 2] zijn verstuurd en de verklaringen van haar en de verdachte, blijkt dat de verdachte het niet kon accepteren dat [slachtoffer 2] de relatie had beëindigd. De verdachte zocht aanhoudend en regelmatig op dreigende wijze contact met [slachtoffer 2] , maar kreeg niet de door hem gewenste reactie. Dit resulteerde erin dat de verdachte gedurende een lange periode en in toenemende mate agressie richting [slachtoffer 2] uitte, waarbij daadwerkelijk geweld niet werd geschuwd. Uit de verklaringen van zowel de verdachte als [slachtoffer 2] , ondersteund door forensisch bewijs, blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte spullen in de woning van [slachtoffer 2] met een ijzeren pijp kapot heeft geslagen en dat hij begin december 2022 in hun woning aan de [adres 1] in Rotterdam een vuurwapen op het hoofd van [slachtoffer 2] heeft gericht en vervolgens in de vloer heeft geschoten.
[slachtoffer 2] is op 14 januari 2023 naar het politiebureau gegaan om aangifte te doen van
bedreiging door de verdachte. Zij heeft aangegeven dat zij de relatie had beëindigd en dat zij
door de verdachte werd bedreigd via WhatsApp. Uiteindelijk is er geen aangifte
opgenomen. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zich in die periode regelmatig
bij de woning van [slachtoffer 1] heeft opgehouden en [slachtoffer 2] heeft geobserveerd.
De inhoud van de telefoons van de verdachte en [slachtoffer 2] is onderzocht. Uit aangetroffen
WhatsAppberichten blijkt onder meer dat de verdachte in december 2022 dagelijks (via
WhatsApp) naar [slachtoffer 2] belde en dat [slachtoffer 2] vaak niet opnam. Uit de inhoud van diverse WhatsAppberichten die in januari 2023 tussen de verdachte en [slachtoffer 2] zijn verstuurd, blijkt dat zij regelmatig ruzie hadden, dat [slachtoffer 2] de relatie wilde beëindigen en dat de verdachte steeds agressiever werd in zijn communicatie en ook concrete dreigementen uitte. Zo stuurde de verdachte op 11 januari 2023 een bericht met de volgende inhoud: "Bent je niet bang dat ik uit de bosjes komt. Haha dus doe normaal kan overal dus niet zo gek denken over mij nooit doe ik jou wat aan dus denkt Eve na wat je allemaal zegt ban van mij ja dat moet je zeker zijn als je mij te gek doet dan kan ik een eens zijn zonder aankondiging". Toen [slachtoffer 2] aangaf dat zij haar spullen wilde komen ophalen, stuurde hij het volgende bericht: "Als ik jou wat aan wilt doen kan altijd en waar dan ook dat weet je tot morgen". Op 14 januari 2023 berichtte hij: "Ik ga op reis neemt jullie allemaal mee dus goed opletten!!. De boodschap komt straks parkings opde [locatie] . Niet huilen straks krijg je een seintje voor geparkeerd wordt. Je denkt dat ik Bluf ga jullie nu meemaken dan ga ik voor altijd rusten". Op 20 januari 2023 stuurde de verdachte berichten waarin hij zei kapot te zijn van verdriet: “13 jaar gaan wij niet weg gooien”. Toen [slachtoffer 2] aangaf dat zij uit elkaar zijn en dat zij die week haar spullen zou komen ophalen, reageerde de verdachte dat dat niet zou gaan gebeuren, dat hij even rustig wilde praten en wilde weten of zij dit echt wilde. Die avond om 23:46 uur stuurde hij een bericht met de volgende inhoud: "13 jaren alles voor mij gedaan laatste twee maanden liegen en snikkie doen terwijl dat echt niet hoeft vraagt gewoon praten met uit elkaar en gewoon doen hebt honderd keer gezegd heb veel verdriet van alles wat ik verkeerd heb je gedaan maar jij blijft maar doorgaan', het is goed 20 ga maar. Mij kleineren en grote bek kontenu.! Wat is met ons gebeurt [slachtoffer 2] alles is eens te veel (...) ik ben hier weg".
De dag van 21 januari 2023
De verdachte is op de ochtend van 21 januari 2023 met een vuurwapen vanuit zijn woning
aan de [adres 1] te Rotterdam vertrokken. Hij is in zijn auto, een Skoda Octavia met
kenteken [kenteken 1] , richting Dordrecht gereden en heeft deze auto geparkeerd te Dordrecht, in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] . Vervolgens heeft de verdachte in diezelfde buurt in Dordrecht een zwarte BMW met kenteken [kenteken 2] opgehaald en is hiermee naar de woning van [slachtoffer 1] gereden. Uit nader onderzoek naar de BMW blijkt dat deze op 15 juni 2022 in Den Haag is gestolen en is voorzien van gestolen kentekenplaten. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit voertuig heeft geleend van iemand van wie hij de naam niet wil noemen. De verdachte heeft gezien dat [slachtoffer 2] de hond uitliet in het parkje nabij de woning van [slachtoffer 1] en daarna op enig moment met [slachtoffer 1] in de auto wegreed. De verdachte is achter hen aan gereden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden richting winkelcentrum Walburg te Zwijndrecht. Op camerabeelden van coffeeshop de [naam coffeeshop] , gevestigd in dit winkelcentrum, is te zien dat de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] omstreeks 12:27 uur aan kwam rijden en de parkeerplaats op reed. De BMW waarin de verdachte zat, volgde enkele seconden later. De verdachte heeft de BMW schuin voor de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geparkeerd. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn het winkelcentrum binnengegaan om boodschappen te doen. Uit de chatberichten tussen de verdachte en [slachtoffer 2] blijkt dat de verdachte om 12:49 uur aan [slachtoffer 2] het volgende bericht heeft gestuurd: " [slachtoffer 2] tot de dood ons scheidt". De verdachte bevond zich op dat moment op de parkeerplaats, in de BMW. De verdachte is vervolgens gedurende bijna een uur in de BMW blijven zitten. Het vuurwapen bevond zich op dat moment, blijkens zijn verklaring, in zijn broeksband. Op het moment dat [slachtoffer 2] weer bij de auto van haar moeder arriveerde, is de verdachte uitgestapt en naar haar toe gelopen, waarbij hij het geladen vuurwapen heeft meegenomen.
Diverse omstanders zijn als getuige gehoord met betrekking tot wat zich vervolgens heeft
afgespeeld. Deze getuigenverklaringen zijn op onderdelen verschillend. Met name waar het
aankomt op de vraag hoe vaak en in welke volgorde door de verdachte is geschoten. Dit is
verklaarbaar, omdat niet iedere getuige op dezelfde plek en afstand stond ten opzichte van
het incident en bovendien heeft niet iedere getuige hetzelfde moment van het incident
waargenomen. Desondanks kan het hof met de rechtbank op grond van een aantal getuigenverklaringen – in combinatie met de verklaring van de verdachte, de foto die getuige [getuige] heeft gemaakt en het forensisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden – het volgende vaststellen.
De verdachte heeft [slachtoffer 2] vastgepakt en van dichtbij met het vuurwapen in haar rug
geschoten. Rond het moment van dit eerste schot op [slachtoffer 2] , heeft [slachtoffer 1] geprobeerd te
interveniëren en daarbij de verdachte vastgepakt, zo blijkt uit de combinatie van de
verklaring van getuige [getuige] en de door hem gemaakte foto. Hierop heeft de verdachte
zich omgedraaid en één keer in de borst van [slachtoffer 1] geschoten ten gevolge waarvan zij ter
plaatse is overleden. Vervolgens heeft de verdachte zich wederom omgedraaid, zijn
vuurwapen nogmaals op [slachtoffer 2] gericht en haar in ieder geval nog één maal in haar rug geschoten terwijl zij reeds op haar buik op de grond lag. Bij [slachtoffer 2] zijn twee inschotwonden in de rug geconstateerd. Ook heeft de verdachte minimaal één keer in de lucht geschoten. Uit forensisch onderzoek blijkt dat er minimaal vier keer met het vuurwapen is geschoten.
[slachtoffer 2] is met spoed naar het ziekenhuis gebracht, waar levensbedreigend letsel werd vastgesteld waarbij met spoed medisch handelen noodzakelijk was. Voorts werd niet
uitgesloten dat sprake zal zijn van blijvende verlammingsverschijnselen.
Na het schieten is de verdachte – volgens meerdere getuigen ogenschijnlijk kalm – naar de
BMW gelopen en daarmee weggereden. De verdachte heeft deze BMW geparkeerd en
achtergelaten aan de [adres 2] in Zwijndrecht, een doodlopende straat op enkele minuten
rijden van de plaats delict. Hij is vervolgens naar de Zwijndrechtse brug gelopen, heeft
hierna circa zeven kilometer richting Dordrecht gelopen en heeft zijn aldaar geparkeerde
Skoda opgehaald. Een verbalisant heeft de Skoda omstreeks 15:14 uur met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur op de A16 richting Rotterdam zien rijden. Nabij de afslag
Capelle aan den IJssel op de rijksweg A20 is de verbalisant de auto van de verdachte uit het oog verloren en is de observatie beëindigd.
Aanhouding op 25 februari 2023
De verdachte is vijf weken later, op 25 februari 2023, in Schiedam aangehouden. Hij reed
op het moment van aanhouding in een Peugeot Partner, waarvan het kenteken op naam van
een andere persoon stond geregistreerd. In deze Peugeot is in een opbergvak bij het dak het
vuurwapen aangetroffen waarmee de verdachte op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft geschoten.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of
het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met
voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan
contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige
drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering
of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo
kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het
oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft
gehandeld.
Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft
nagedacht over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan
rekenschap heeft gegeven, zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in
het geval de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig
inzicht geven in wat voorafgaand aan en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte
is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan
sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het
is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Beoordeling van het tegen [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld (feit 2).
Het hof komt – net als de rechtbank – op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad in een poging om [slachtoffer 2] van het leven te beroven.
Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat er bij de verdachte sprake is geweest van een
steeds verder escalerende woede en agressie jegens [slachtoffer 2] , die uiteindelijk zijn uitgemond in het ten laatste op 21 januari 2023 genomen besluit, om haar die dag te doden. Uit de handelwijze van de verdachte blijkt dat hij bij de uitvoering van dat besluit planmatig te werk is gegaan. Dit leidt het hof af uit het feit dat de verdachte met een geladen vuurwapen richting de woning van [slachtoffer 1] is vertrokken en dat hij in Dordrecht zijn eigen auto heeft verwisseld voor een gestolen auto met een gestolen kenteken. Het planmatig karakter blijkt voorts uit het feit dat hij [slachtoffer 2] eerst enige tijd heeft geobserveerd en haar heeft achtervolgd toen ze met de auto naar winkelcentrum Walburg reed. Vanaf de parkeerplaats bij het winkelcentrum stuurde hij haar een bericht met de volgende inhoud " [slachtoffer 2] tot de dood ons scheidt”. Vervolgens is hij een uur in zijn auto op haar blijven wachten. Direct nadat zij uit het winkelcentrum kwam heeft hij haar op de parkeerplaats benaderd en haar vervolgens – met een korte tussenpauze – tweemaal van korte afstand in de rug geschoten. Voor zover de verdachte het besluit om [slachtoffer 2] te doden niet al eerder had genomen, blijkt uit het versturen van het hiervoor aangehaalde bericht dat hij in ieder geval vanaf het moment van het versturen van het tekstbericht daartoe de beslissing had genomen. De verdachte heeft op de parkeerplaats, na het versturen van dit bericht, nog ruimschoots de tijd gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Ook de uiterlijke verschijningsvorm van een vooropgezet vluchtplan met het wegzetten van de BMW in een doodlopende straat in Zwijndrecht en een lange wandeling via de brug naar Dordrecht naar de – eerder daar geparkeerde – Skoda, draagt bij aan het oordeel dat sprake is geweest van een planmatige aanpak.
Bij zijn oordeel heeft het hof tevens acht geslagen op de uiterlijke verschijningsvorm
van het handelen van de verdachte direct rond het tijdstip van het schietincident en de
doelgerichtheid die daaruit spreekt. De verdachte heeft immers niet één, maar twee keer van
dichtbij in de rug van [slachtoffer 2] geschoten. Na het lossen van het eerste schot op [slachtoffer 2] en het
vervolgens neerschieten van [slachtoffer 1] , heeft de verdachte zich bewust opnieuw op [slachtoffer 2]
gericht – die op dat moment stil op haar buik op de grond lag – en haar nogmaals van korte afstand in de rug geschoten. Uit getuigenverklaringen blijkt bovendien dat de verdachte
tijdens het schietincident een kalme en vastbesloten indruk maakte en niet of nauwelijks
heeft gesproken. Het handelen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo onmiskenbaar
gericht geweest op het om het leven brengen van [slachtoffer 2] , dat ook daaruit blijkt van handelen
met voorbedachte raad.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de poging tot moord op [slachtoffer 2] en daartoe
aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een vooropgezet plan en dat de indicatoren die
het Openbaar Ministerie daartoe heeft aangevoerd, verkeerd worden geïnterpreteerd. Dat de
verdachte gebruik heeft gemaakt van de BMW in plaats van zijn eigen Skoda, zou zijn ingegeven door het feit dat [slachtoffer 2] een week eerder de politie heeft gebeld toen zij de verdachte in de Skoda in de straat zag rijden. De verdachte koos er naar eigen zeggen voor om van auto te wisselen, omdat hij niet wilde dat zij wederom direct de politie zou bellen bij het zien van de Skoda. Het hof hecht hieraan, net als de rechtbank, geen geloof. De familieleden van [slachtoffer 2] hebben immers kort na het schietincident verklaard dat de verdachte mogelijk in een zwarte BMW rijdt. Dit voertuig was dus al bij de familie – en daarmee ook bij [slachtoffer 2] – bekend. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte na het schieten een onlogische route heeft afgelegd naar de geparkeerd staande Skoda in Dordrecht en vervolgens naar Rotterdam. Hij heeft immers – nadat hij de BMW in een doodlopende straat in een woonwijk had geparkeerd – circa een uur van Zwijndrecht naar Dordrecht gelopen, terwijl de verdachte ook met de BMW direct naar de Skoda in Dordrecht dan wel direct naar Rotterdam had kunnen rijden. Het wisselen van de auto's na afloop van het schietincident in combinatie met de afgelegde looproute, kan naar het oordeel van het hof dan ook niet anders worden gezien dan een bewuste en op voorhand geplande poging van de verdachte om de politie van zijn spoor af te brengen.
Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het door de verdachte verstuurde bericht: “ [slachtoffer 2] , tot de dood ons scheidt" dient te worden opgevat als een uiting van genegenheid. Mede gelet op het moment waarop en de omstandigheden waaronder het bericht is verzonden acht het hof dit geen logische en geloofwaardige uitleg van het bericht. Als de verdachte slechts van plan was om [slachtoffer 2] op de parkeerplaats aan te spreken – zoals hij zelf heeft verklaard – bestond er geen enkele aanleiding om kort daarvoor een dergelijk bericht te sturen. Ook heeft de verdediging betwist dat de verdachte het vuurwapen bij zich had met het doel om daarmee op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te schieten. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij regelmatig een wapen bij zich droeg, om zich te beschermen tegen personen die volgens de verdachte zouden denken dat in zijn woning mogelijk geld te halen was. Uit het feit dat de verdachte op 21 januari 2023 een wapen bij zich droeg, zou volgens de verdediging dus niet blijken dat bij de verdachte sprake was van een plan om [slachtoffer 2] te doden. Ook dit acht het hof niet aannemelijk. Het dossier bevat geen aanknopingspunten aan de hand waarvan de verklaring van de verdachte kan worden geverifieerd. Hoe dan ook zou in het eventuele feit dat er mogelijk mensen waren die het op de woning en/of geld van de verdachte voorzien zouden hebben, geen reden kunnen worden gevonden waarom de verdachte het wapen zou hebben moeten meenemen naar Dordrecht en in zijn broeksband bij zich moest dragen op het moment dat hij [slachtoffer 2] benaderde op de parkeerplaats – te meer niet omdat de verdachte stelt dat hij haar geen angst wilde aanjagen. Bovendien heeft de verdachte ter zitting ook verklaard dat hij inmiddels geen angst meer had voor de personen tegen wie hij zich moest beschermen, aangezien hij deze reeds eerder in de buurt van zijn woning had afgeschrikt door hen met een vuurwapen te bedreigen. Tevens wordt zijn verklaring dat hij het wapen ook tijdens het rijden altijd aan de voorzijde in zijn broeksband bewaarde – en dat hij deze dus niet bewust uit de auto heeft meegenomen toen hij [slachtoffer 2] confronteerde – weerlegd door de constatering dat hij het wapen ten tijde van zijn aanhouding bewaarde in een opbergvak in de door hem gebruikte auto.
Gelet op al het voorgaande concludeert het hof dat er geen ruimte is voor de
interpretatie van de bewijsmiddelen zoals door de verdediging naar voren gebracht.
Contra-indicaties
Naar het oordeel van het hof zijn er – anders dan door de verdediging is gesteld – in
deze zaak geen contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad, althans geen
indicaties van een zodanig gewicht dat die zouden moeten leiden tot het oordeel dat sprake
is geweest van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
De verdediging heeft erop gewezen dat, indien de verdachte van plan was om [slachtoffer 2] van
het leven te beroven, hij reeds eerder op de dag de (meer geschikte) gelegenheid had om
uitvoering aan dit plan te geven, namelijk toen hij zag dat [slachtoffer 2] in een rustig park de hond
uitliet en er geen andere personen in de buurt zouden zijn geweest. In het licht van het planmatige handelen van de verdachte voorafgaand aan het schietincident, zoals het regelen van vluchtauto’s en het meebrengen van het vuurwapen, ziet het hof hierin geen contra-indicatie. De verdachte heeft in ieder geval ten laatste in de auto op de parkeerplaats bij het winkelcentrum de knoop doorgehakt om [slachtoffer 2] op het moment dat hij haar weer zou zien van het leven te beroven. Hij heeft hier gevolg aan gegeven op het eerstvolgende moment waarop hij haar zag en dit was buiten op de parkeerplaats. Ook in algemene zin gaat het betoog van de verdediging dat voor een (poging tot) moord over het algemeen geen publieke plek met veel omstanders wordt gekozen, niet op. Immers komt het niet zelden voor dat er op klaarlichte dag en op drukbezochte plaatsen schietincidenten plaatsvinden, waarbij bij uitstek sprake is van voorbedachte raad.
Het hof is op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting met de rechtbank van oordeel dat er geen andere mogelijke contra-indicaties aanwezig zijn.
Conclusie ten aanzien van het tegen [slachtoffer 2] uitgeoefende geweld
Op grond van al het vorenstaande is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende
enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer 2] van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verdachte heeft dus met voorbedachte raad gehandeld.
Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Beoordeling van het tegen [slachtoffer 1] uitgeoefende dodelijk geweld (feit 1)
Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waaruit wettig en overtuigend volgt dat de verdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht.
Zoals hiervoor overwogen, was het (planmatige) handelen van de verdachte erop gericht om
[slachtoffer 2] om het leven te brengen. De verdachte lijkt enkel op [slachtoffer 1] te hebben geschoten
vanwege het feit dat zij hem stoorde bij de uitvoering van dat plan door hem vast te pakken
nadat hij voor de eerste maal op [slachtoffer 2] had geschoten, klaarblijkelijk in een poging hem
tegen te houden. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] , moeder van [slachtoffer 2] , zo moedig was om met gevaar voor eigen leven tussenbeide te komen en niet afgeschrikt werd door het feit dat de verdachte een vuurwapen had en gewapenderhand optrad, was een omstandigheid waar de verdachte mogelijkerwijs helemaal geen rekening mee heeft gehouden. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte zich na het één maal schieten op [slachtoffer 1] onmiddellijk weer heeft gericht op [slachtoffer 2] – om wie het hem te doen was – en voor een tweede maal op haar heeft geschoten. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1] gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling omdat hij werd gestoord in de uitvoering van zijn plan. Voorbedachte raad op het doden van [slachtoffer 1] kan niet worden vastgesteld.
Conclusie ten aanzien van het jegens [slachtoffer 1] uitgeoefende dodelijk geweld
Op grond van het hiervoor overwogene acht het hof de ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1] niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De ten laste gelegde doodslag kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Zwijndrecht,
opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,
een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,
immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,
met een vuurwapen een kogel in/door het lichaam, van die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
2.hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Zwijndrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
3.hij op of omstreeks 21 januari 2023 te Zwijndrecht [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- aan die [slachtoffer 3] een vuurwapen te tonen / voor te houden en/of
- (daarbij) (vervolgens) met dit vuurwapen in de lucht te schieten en/of
- (daarbij) aan die [slachtoffer 3] (dreigend) de woorden toe te voegen: "Wegwezen",
althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking; 4.hij in of omstreeks de periode van 21 januari 2023 tot en met 25 februari 2023 te Zwijndrecht en/of Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland
een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer kogelpatronen voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft op 21 januari 2023 gepoogd zijn ex-partner [slachtoffer 2] te vermoorden. Op
grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte het niet kon accepteren dat
de relatie door [slachtoffer 2] was beëindigd. De verdachte heeft haar die dag gevolgd en
opgewacht op de parkeerplaats bij het winkelcentrum waar [slachtoffer 2] nietsvermoedend met
haar moeder boodschappen deed. De verdachte heeft [slachtoffer 2] , eenmaal buiten, vastgepakt en
het vuurwapen tegen haar rug gehouden waarna hij tot twee keer toe van korte afstand in
haar rug heeft geschoten. De verdachte is hierna rustig naar zijn auto gelopen, weggereden
en als gevolg van een geraffineerd vluchtplan vijf weken lang uit de handen van politie en
justitie gebleven.
Het hof ziet het handelen van de verdachte niet anders dan als een geplande en doelmatig uitgevoerde poging om [slachtoffer 2] te doden. De door de verdediging gebruikte term ‘crime passionel’ is misplaatst en heeft bovendien geen juridische betekenis. De gedragingen van de verdachte voorafgaand aan en leidend tot het schietincident passen meer bij de in de literatuur genoemde – en op zitting door de advocaat-generaal aangehaalde – kenmerken van (een poging tot) femicide, ofschoon ook die term strikt genomen geen juridische betekenis heeft. In de kern gaat het om een man die zijn ex-partner wilde doden vanwege het feit dat zij hem heeft verlaten. [slachtoffer 2] – een jonge, sociale en sportieve vrouw – heeft als gevolg van verdachtes handelen ernstig en blijvend fysiek letsel opgelopen aan haar zenuwstelsel. Hierdoor is zij verlamd geraakt en heeft zij last van sterke zenuwpijn. Zij zal voor de rest van haar leven blijvend invalide en hulpbehoevend zijn. Hiernaast heeft zij ook ernstig psychisch letsel opgelopen, dat zich uit in langdurige slaapproblematiek, gevoelens van (straat)angst en daarmee gepaard gaand psychisch trauma. De verdachte heeft met zijn handelen [slachtoffer 2] in belangrijke mate haar mobiliteit en levensvreugde ontnomen.
Op het moment dat [slachtoffer 1] haar dochter wilde bijstaan door de verdachte vast te pakken,
heeft hij haar in de borst geschoten ten gevolge waarvan zij ter plaatse is overleden. De
achteloze en gewetenloze wijze waarop de verdachte [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, puur omdat zij op dat moment in de weg stond, getuigt van een grote minachting voor het
recht op leven. De dood van [slachtoffer 1] heeft veel verdriet en leed veroorzaakt bij de
nabestaanden, onder wie ook bij [slachtoffer 2] . Het slachtoffer was een geliefde moeder en
grootmoeder. Het overlijden heeft een grote en blijvende impact op de nabestaanden, zoals
ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen die namens [slachtoffer 2] en namens de andere nabestaanden op de zitting in hoger beroep zijn afgelegd.
Ook heeft dit schietincident – dat op klaarlichte dag op een parkeerplaats van een
drukbezocht winkelcentrum in Zwijndrecht heeft plaatsgevonden – de rechtsorde en de
samenleving in brede kring ernstig geschokt. Er is een groot aantal omstanders getuige geweest van dit gruwelijke schietincident. De verdachte heeft [slachtoffer 3] met de dood bedreigd
door met het vuurwapen in de lucht te schieten en daarbij te roepen dat zij weg moest gaan.
Dit is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest.
Verder heeft de verdachte – eerst op de openbare weg en in de onmiddellijke nabijheid van
een winkelcentrum en later in zijn auto tijdens zijn vlucht voor de politie – een doorgeladen
vuurwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit daarvan leidt niet zelden tot het
plegen van gruwelijke en schokkende misdrijven, zoals uit de onderhavige strafzaak ondubbelzinnig is gebleken. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd
voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 8 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een Pro Justitia Rapportage van 8 februari 2024, opgemaakt door P.K.J. Ronhaar, psychiater, en J. Heerschop, GZ-psycholoog. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:
“De klinische observatie in het PBC vond plaats onder strikte veiligheidsmaatregelen,
vanwege de inschatting door anderen dat de verdachte ernstige incidenten zou kunnen
veroorzaken. De verdachte heeft in het geheel niet willen meewerken aan het onderzoek in
het Pieter Baan Centrum, naar zijn zeggen vanwege de in zijn ogen onheuse bejegening in
de vorm van deze veiligheidsmaatregelen. Bovendien zei hij herhaaldelijk de hoogste straf
te willen en onderzoek daarom ook niet nodig te vinden.
Desondanks komen uit de verzamelde informatie over verdachtes levensgeschiedenis
nadrukkelijk aanwijzingen naar voren voor een antisociale ontwikkelingsgang. Naast de antisociale kern in de persoonlijkheidsstoornis zijn er ook aanwijzingen voor narcistische kenmerken in zijn persoonlijkheid. Op mogelijke narcistische en andere aspecten van verdachtes persoonlijkheid is echter te weinig zicht verkregen om daar diagnostische uitspraken over te kunnen doen. Vanwege de chronische aard van de vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis, was deze ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten.
Omdat zowel de eventueel bijkomende persoonlijkheidspathologie als de mogelijke doorwerking daarvan in relatie tot deze ten laste gelegde feiten niet kon worden onderzocht
vanwege verdachtes weigering, zijn de deskundigen niet in staat te adviseren over het al dan
niet in verminderde mate toerekenen van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.
Ook geldt bij het onder 3 ten laste gelegde dat niet duidelijk is geworden welke elementen
bij dit feit precies een rol hebben gespeeld. Vanwege deze onduidelijkheid concluderen de
deskundigen dat zij geen advies kunnen geven over het al dan niet verminderd toerekenen
daarvan. Het bezit van een vuurwapen met de bijbehorende munitie, zoals ten laste gelegd onder 4, kan worden beschouwd als passend bij de antisociale aspecten van zijn levenswijze. Op dit punt zien de deskundigen geen aanleiding om enige vermindering van de toerekenbaarheid te adviseren.
Gelet op het voorgaande is het voor de deskundigen niet mogelijk aanbevelingen te doen
voor gedragskundige interventies die eventueel recidivegevaar op feiten als thans ten laste
gelegd kunnen beperken".
Nu de psychiater en psycholoog niet in staat zijn om te adviseren over het al dan niet in verminderde mate toerekenen van de ten laste gelegde feiten – en er ook geen aanwijzingen zijn dat de ten laste gelegde feiten niet of in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend – zal het tenlastegelegde volledig aan verdachte worden toegerekend. De constatering van de onderzoekers van het PBC dat er sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, is anders dan de verdediging bepleit, onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen.
Uit de documentatie van de verdachte blijkt dat hij meerdere strafbare feiten heeft gepleegd met gebruikmaking van geweld en daarnaast heeft de verdachte verklaard dat het voor hem normaal is om regelmatig een vuurwapen bij zich te dragen. Het hof is gelet op het voorgaande en gelet op de ernst van de feiten van oordeel dat de maatschappij langdurig tegen de verdachte dient te worden beschermd. Er kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een zeer langdurige gevangenisstraf.
Nu niet is bewezen dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde met voorbedachte raad heeft gehandeld en hij dus niet voor moord maar voor doodslag zal worden veroordeeld, biedt de wet niet de mogelijkheid om aan hem een levenslange gevangenisstraf op te leggen, zoals door de advocaat-generaal geëist.
Voorts is het hof, anders dan de raadsman heeft betoogd, van oordeel dat er geen sprake is van eendaadse samenloop tussen de feiten 1, 2 en 4 en evenmin van een voortgezette handeling van de feiten 1 en 2. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de verdachte niet in een hevige gemoedsopwelling gehandeld; hij heeft afzonderlijke wilsbesluiten genomen. Daarnaast heeft de verdachte, zoals blijkt uit zijn verklaringen en uit het feit dat het wapen in het opbergvak in de auto waarin de verdachte bij zijn aanhouding reed is aangetroffen, voorafgaand, ten tijde van en na het plegen van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten een vuurwapen voorhanden gehad.
Gelet op de samenloop van de bewezenverklaarde feiten en het bepaalde in artikel 57 Sr, is het hof – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 jaar en 8 maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze zijn vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Vorderingen tot schadevergoeding
De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd.
Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde hebben de nabestaanden van [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 2] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] zich gevoegd als benadeelde partij en heeft ieder een vordering tot schadevergoeding ingediend
Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vordert [slachtoffer 2] vergoeding van materiële en immateriële schade.
Ter zake van het onder 3 tenlastegelegde vordert [slachtoffer 3] vergoeding van immateriële schade.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te bevestigen ten aanzien van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Beoordeling door het hof
Het hof zal hierna eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden beoordeeld.
Shockschade
Het hof stelt voorop dat iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die
onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden –
ook onrechtmatig kan handelen jegens degene (het secundaire slachtoffer) bij wie die
confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt.
Het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld, is
afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die daarbij onder meer
een rol spelen zijn:
i) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;
ii) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met die onrechtmatige
daad en de gevolgen daarvan; en
iii) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.
Voorts is van belang dat het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die
volgt uit door de onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Voor vergoeding van
schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon
is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn
als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De emotionele schok moet
hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in
voldoende mate objectiveerbaar. Hierbij wordt opgemerkt dat een eventuele vordering tot
schadevergoeding kan worden toegewezen indien de rechtbank op grond van een rapportage
van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een
ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat er sprake is van dergelijk geestelijk letsel, waarbij het niet noodzakelijk is dat in die
rapportage een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
Bij samenloop van affectie- en schokschade moet de rechter aan de hand van de
omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij
het bepalen van de hoogte van de vergoeding wegens schokschade rekening moet worden
gehouden met de vergoeding wegens affectieschade (vgl. Hoge Raad van 28 juni 2022,
ECLI:NL:HR:2022:958).
Affectieschade
Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen. Voor de hoogte van de vergoeding zijn in het Besluit vergoeding affectieschade forfaitaire bedragen vastgesteld.
In artikel 6:108, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is een vaste vergoeding te betalen aan bepaalde naasten voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaan, geleden als gevolg van het overlijden. Wie die naasten zijn, is bepaald in lid 4. Het gaat – voor zover in deze zaak van belang – om onder meer de kinderen van de overledene. Verder is in lid 4, onder g, een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die luidt: “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”.
Vorderingen tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij (nabestaande) gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal
€ 47.500,00 bestaande uit € 17.500,00 aan affectieschade en € 30.000,00 aan shockschade.
Ten zake van het onder 2 ten laste gelegde heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij (slachtoffer) gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de door haar geleden schade van in totaal € 279.121,05, bestaande uit € 29.121,05 aan materiële schade en € 250.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen van respectievelijk € 47.500,00 en € 279.121,05.
Feit 1
Shockschade
De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlage daarbij de vordering tot vergoeding van shockschade onderbouwd. Ook is de vordering ter terechtzitting nader toegelicht door mr. Diekstra, advocaat van de benadeelde partij.
Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat benadeelde en [slachtoffer 1] (haar moeder) een nauwe en affectieve band hadden. Verder volgt uit het dossier en de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde direct is geconfronteerd met het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan. Nadat de verdachte de benadeelde had neergeschoten, heeft hij in haar bijzijn [slachtoffer 1] doodgeschoten. De benadeelde was op dat moment bij bewustzijn en heeft dit meegemaakt. Zij heeft haar moeder bij die aanval door de verdachte horen schreeuwen en heeft hier blijvende herinneringen aan. Daarnaast is de benadeelde partij op het moment dat zij op de intensive care afdeling ontwaakte, direct meegedeeld dat haar moeder was overleden en al was begraven. Dit alles is voor de benadeelde zeer ingrijpend geweest en heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van een GZ-psycholoog. De benadeelde ondergaat hiervoor trauma-behandelingen.
Naar het oordeel van het hof is op basis van het voorgaande sprake van grond voor toekenning van een schadevergoeding wegens shockschade. Het hof zal de vordering – mede gelet op het feit dat deze door de verdediging inhoudelijk niet is betwist – integraal toewijzen (te weten € 30.000,00), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Affectieschade
Het slachtoffer [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor de verdachte
jegens de benadeelde partij aansprakelijk is. De benadeelde partij betreft een naaste van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108, lid 4 BW. De verdediging heeft de gevorderde affectieschade niet betwist. Het gevorderde bedrag is voorts in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De vordering van de benadeelde partij zal daarom worden toegewezen (te weten € 17.500,00), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Feit 2
Materiële schade
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over de verschillende schadeposten vanaf de data zoals hieronder per post uiteengezet tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten ernstig en blijvend fysiek letsel aan haar zenuwstelsel. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding.
De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag (te weten € 250.000,00), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken, waarbij het hof in het bijzonder in aanmerking heeft genomen dat de benadeelde verlamd is geraakt. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 326.621,05 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] .
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zich ieder als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 42.500,00, bestaande uit € 17.500,00 aan affectieschade en € 25.000,00 aan shockschade.
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen per vordering van € 42.500,00.
Affectieschade
Het slachtoffer [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor de verdachte
jegens de benadeelde partijen aansprakelijk is. De benadeelde partijen betreffen naasten van het slachtoffer in de zin van artikel 6:108, lid 4 BW. De verdediging heeft de gevorderde affectieschade van de benadeelde partijen niet betwist. Het gevorderde bedrag is voorts in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De vorderingen van de benadeelde partijen zal daarom worden toegewezen (te weten ieder tot een bedrag van € 17.500,00), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Shockschade
Het hof verwijst allereerst naar het hiervoor gegeven juridische kader. De aard van deze schade brengt mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (i) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, en (ii) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt.
Bij de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was.
Het hof overweegt dat uit het dossier en de door de benadeelde partijen overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is geweest van een directe confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde. Geen van de drie benadeelden was aanwezig bij het schietincident. Ook heeft er naderhand geen directe confrontatie met het slachtoffer plaatsgevonden op of bij de plaats delict. De benadeelden hebben het slachtoffer eerst in het ziekenhuis gezien. Blijkens hun vorderingen hebben zij via de media en het procesdossier kennisgenomen van de door de verdachte gepleegde feiten. Voor zover het hof nu kan vaststellen, zijn de benadeelde partijen naderhand niet onverhoeds geconfronteerd met het bewezenverklaarde of de gevolgen daarvan. In dat verband zijn de vorderingen van de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. Een nadere onderbouwing en verdere behandeling van de vordering alvorens mogelijk tot een toewijzing van (een deel van) de shockschadevordering kan worden overgaan, zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen ten aanzien van de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof is concluderend van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] immateriële schade in de vorm van affectieschade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 17.500,00 per benadeelde partij, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Nu vaststaat dat de verdachte per hierboven genoemde benadeelde partij tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde aan [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] .
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 27.465,00, bestaande uit € 9.965,00 materiële schade en € 17.500,00 affectieschade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van in totaal € 27.465,00.
Materiële schade
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over de verschillende schadeposten vanaf de data zoals hieronder per post uiteengezet tot aan de dag der algehele voldoening.
Affectieschade
Het slachtoffer [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor de verdachte
aansprakelijk is. De verdediging heeft de gevorderde affectieschade van de benadeelde partij in hoger beroep niet betwist. Desalniettemin merkt het hof – evenals de rechtbank – op dat de benadeelde partij als kleindochter van het slachtoffer in een zodanige nauwe persoonlijke relatie met het slachtoffer stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij op basis van artikel 6:108, lid 4, aanhef en onder g BW als naaste wordt aangemerkt. Het gevorderde bedrag is voorts in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De vordering van de benadeelde partij zal daarom worden toegewezen (te weten tot een bedrag van € 17.500,00), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 27.465,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] .
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.000,00.
Met de rechtbank ziet het hof in het onder 3 bewezenverklaarde onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte het oogmerk had de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen. Het lijkt erop dat de verdachte het oogmerk had om haar weg te jagen. Het hof acht wel aannemelijk dat de benadeelde partij door de bewezen feiten op andere wijze in haar persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, onder b. BW.
Van aantasting in de persoon "op andere wijze" als hier bedoeld is in ieder geval sprake
indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het strafbare feit.
Degene die zich hierop beroept zal hiervoor voldoende concrete gegevens moeten
aanvoeren waaruit blijkt dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische
schade is ontstaan. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is
niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de
benadeelde partij meebrengen dat van aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. In
zo een geval dient degene die zich hierop beroept de aantasting te onderbouwen met
concrete gegevens. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending
meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde
zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Naar het oordeel van het hof is door de verdachte, gezien de aard en impact van het onder 3
bewezenverklaarde, een ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van de
benadeelde partij gemaakt, waarvan de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een
aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt de immateriële schadevergoeding vast naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof acht slaat op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengelden-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft daarbij gekeken naar het bedrag dat wordt genoemd onder ‘19.5 Bedreiging’, te weten een bedrag van € 1.500,00, in de situatie dat de bedreiging gepaard gaat met concrete, intimiderende handelingen die de dreiging versterken en de indruk wekken dat het dreigement daadwerkelijk ten uitvoer zal worden gebracht.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 285, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) jaren en 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 326.621,05 (driehonderdzesentwintigduizend zeshonderdeenentwintig euro en vijf cent) bestaande uit € 29.121,05 (negenentwintigduizend honderdeenentwintig euro en vijf cent) materiële schade en € 297.500,00 (tweehonderdzevenennegentigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 326.621,05 (driehonderdzesentwintigduizend zeshonderdeenentwintig euro en vijf cent) bestaande uit € 29.121,05 (negenentwintigduizend honderdeenentwintig euro en vijf cent) materiële schade en € 297.500,00 (tweehonderdzevenennegentigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 292 (tweehonderdtweeënnegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op: - 24 januari 2023 over een bedrag van € 385,00 ter zake van Eigen risico - 14 maart 2023 over een bedrag van € 1.785,00 ter zake van Ziekenhuisdaggeldvergoeding - 20 juni 2023 over een bedrag van € 111,05 ter zake van Informatieverstrekking - 14 september 2023 over een bedrag van € 4.700,00 ter zake van Opvang hond - 6 november 2023 over een bedrag van € 4.248,00 ter zake van Revalidatie-daggeldvergoeding - 23 maart 2026 over een bedrag van € 7.897,00 ter zake van Elektrisch bed - 23 maart 2026 over een bedrag van € 9.995,00 ter zake van Elektrische rolstoel
en van de immateriële schade op 21 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 27.465,00 (zevenentwintigduizend vierhonderdvijfenzestig euro) bestaande uit € 9.965,00 (negenduizend negenhonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 27.465,00 (zevenentwintigduizend vierhonderdvijfenzestig euro) bestaande uit € 9.965,00 (negenduizend negenhonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 25 januari 2023 over een bedrag van € 2.365,00 ter zake van Rouwbloemen - 5 maart 2023 over een bedrag van € 6.684,50 ter zake van Begrafeniskosten - 20 juli 2023 over een bedrag van € 915,50 ter zake van Gedenksteen
en van de immateriële schade over een bedrag van € 17.500,00 op 21 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 januari 2023.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 januari 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, als voorzitter, mr. C.H.M. Royakkers en
mr. J.L.D. Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 maart 2026.