ECLI:NL:GHDHA:2026:440

ECLI:NL:GHDHA:2026:440

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer 200.363.339/01
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2025:14262

Samenvatting

Kort geding. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd? Loonstop terecht ingesteld?

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.363.339/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 11947808 VV EXPL 25-656

Arrest van 17 maart 2026 in kort geding

in de zaak van

[appellante] ,

wonend in [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante,

advocaat: mr. M.J.S. Spanjersberg, kantoorhoudend in Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd in [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.H. Burger, kantoorhoudend in Utrecht.

Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerde].

1. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 5 januari 2026, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 december 2025 (hierna: het vonnis in kort geding) met daarin opgenomen de grieven, met bijlagen;

de memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen;

de bijlagen die [appellante] na de hierna te noemen mondelinge behandeling ter completering van het dossier heeft overgelegd.

Op 10 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Burger aan de hand van pleitaantekeningen die zij heeft overgelegd.

2. Feitelijke achtergrond

Voor de feiten verwijst het hof naar de overwegingen onder 3.1 tot en met 3.3 van het vonnis in kort geding en naar het onder 4.15 van het vonnis in kort geding gedeeltelijk geciteerde besluit van 3 oktober 2025 van de raad van de Orde van Advocaten.

3. Procedure bij de rechtbank

[appellante] heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en gevorderd als weergegeven in overweging 3.4 van het vonnis in kort geding. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt de vordering in reconventie ingesteld vermeld in 3.5 van het vonnis in kort geding.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] in conventie afgewezen en de kosten gecompenseerd.

De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] in reconventie toegewezen met veroordeling van [appellante] in de kosten.

4. Vorderingen in hoger beroep

[appellante] vordert hetzelfde als in conventie bij de kantonrechter alsook, na wijziging van haar eis, haar tewerkstelling op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

De bij de kantonrechter ingestelde vordering in reconventie is in hoger beroep niet aan de orde.

5. Beoordeling in hoger beroep

De vorderingen van [appellante] betreffen in hoofdzaak loonvorderingen. Deze zijn naar hun aard spoedeisend. Het spoedeisend belang van [appellante] is daarmee gegeven.

Loon vanaf 9 oktober 2025 en tewerkstelling

Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [appellante] in het bezit is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die nog doorloopt (standpunt [appellante]) dan wel in het bezit was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die door het einde van haar advocatenstage is geëindigd (standpunt [geïntimeerde]). In haar derde grief stelt [appellante] zich primair op het standpunt dat het eindigen van de advocatenstage niet tot gevolg kan hebben dat ook de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Subsidiair bestrijdt zij het voorshands(e) oordeel van de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde bevat waarvan de vervulling objectief bepaalbaar is en niet afhankelijk van de subjectieve wil van de werkgever.

In de per 1 april 2024 tussen [appellante] en [geïntimeerde] overeengekomen arbeidsovereenkomst is bepaald dat het aanbod van [geïntimeerde] ziet op indiensttreding als advocaat-stagiair, dat het dienstverband geldt voor bepaalde tijd, te weten voor de tijd die ‘in beginsel gelijk is aan de duur van je stage’ en dat het dienstverband eindigt ‘op de dag dat je stage eindigt’. Daaruit volgt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was: de duur van het dienstverband is door partijen gekoppeld aan de duur van de advocatenstage. Gelet op dit uitgangspunt, kan de vraag of in de arbeidsovereenkomst van [appellante] al dan niet een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde is opgenomen in het midden blijven.

De raad van toezicht van de plaatselijke Orde van Advocaten (hierna: de raad van toezicht), tegen wiens beslissingen een administratieve rechtsgang openstaat, heeft op 3 oktober 2025 het verzoek tot opzegging van het patronaat van mr. [naam patroon], als partner verbonden aan [geïntimeerde], over [appellante] goedgekeurd met vermelding dat daarmee op grond van art. 3.4 lid 1c Voda (Verordening op de advocatuur) de stage eindigt. Tegen de verleende goedkeuring is geen beroep ingesteld. De stage is vanwege de met toestemming van de raad gegeven opzegging rechtsgeldig tot een einde gekomen. Gelet op het in rov 6.3 vermelde uitgangspunt en op de bewoordingen van de arbeidsovereenkomst van [appellante], is naar voorlopig oordeel van het hof met het einde van de stage ook van rechtswege het einde van de arbeidsovereenkomst gegeven, zoals [geïntimeerde] bij brief van 8 oktober 2025 terecht aan [appellante] heeft bericht. Voor de stelling van [appellante] dat zij als juridisch medewerker in dienst is getreden en na afloop van de stage als zodanig in dienst is gebleven, is geen steun te vinden in de bewoordingen van de arbeidsovereenkomst, of anderszins. In de arbeidsovereenkomst staat immers dat [appellante] in dienst is getreden als advocaat-stagiair en dat de duur van het dienstverband aan de duur van die hoedanigheid gekoppeld is. [appellante] heeft ook niet toegelicht om welke redenen de toepassing van de Haviltex-formule tot de slotsom zou moeten leiden dat zij voor de stage in dienst is getreden en na het einde van de stage in dienst is gebleven als juridisch medewerker.

Voor zover [appellante] nog heeft bedoeld te betogen dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet objectief (dat wil zeggen niet onafhankelijk van de wil van partijen) kan worden vastgesteld, faalt dat betoog evenzeer. De raad van de Orde van Advocaten heeft toestemming gegeven om het patronaat en daarmee de stage te beëindigen met als gevolg het einde van de arbeidsovereenkomst. Het besluit van de raad volgt op een verzoek van [geïntimeerde] maar enkel dat feit is onvoldoende voor de gevolgtrekking dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet objectief kan worden vastgesteld, ook indien in aanmerking wordt genomen dat de bij [geïntimeerde] werkzame advocaten (overigens inclusief advocaat-stagiair [appellante]) mede de Orde van Advocaten vormen. Zoals volgt uit zijn besluit heeft de raad van toezicht, zoals ook de kantonrechter heeft geoordeeld, een inhoudelijk objectieve toets verricht. Dat die toets objectief is geweest heeft [appellante] voor het overige niet bestreden: zij heeft immers gesteld dat die toets in dit geding inhoudelijk niet ter beoordeling staat. Reeds om die reden is niet aannemelijk dat het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd niet objectief kan worden vastgesteld.

Door het eindigen van rechtswege van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is van strijd met het gesloten ontslagstelsel dan ook geen sprake. Grief 3 faalt. Grief 4 faalt naar voorlopig oordeel evenzeer, reeds omdat in het kader van het einde van rechtswege van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een herplaatsingsplicht van de werkgever geen sprake is. Loonstop

[geïntimeerde] heeft voor wat betreft het loon over de periode van de maand augustus tot en met 17 september 2025 een loonstop doorgevoerd, kort gezegd omdat [appellante] niet heeft meegewerkt aan mediation. Door middel van de grieven 1 en 2 stelt [appellante] dat deze loonstop ten onrechte is doorgevoerd omdat de bedrijfsarts aanvankelijk geen mediation heeft geadviseerd, althans heeft geadviseerd dat eerst een ‘gewoon’ gesprek tussen werkgever en werknemer moest plaatsvinden. Het hof onderschrijft het voorshands oordeel van de kantonrechter dat tegen de achtergrond van de ernstig verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen het begrijpelijk is dat [geïntimeerde] er geen vertrouwen meer in had dat op dat moment de verhoudingen tussen partijen met een enkel gesprek nog zouden kunnen worden vlot getrokken (overweging 4.6, 6e regel vonnis in kort geding. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter vanaf voormelde 6e regel tot en met 4.10 en de overwegingen 4.12 en 4.13 over en maakt deze tot de zijne. Het voegt daar aan toe dat het ook geen aanleiding ziet om een onderscheid te maken tussen mediation bedoeld om het arbeidsconflict op te lossen en het door middel van mediation re-integreren. Het één kan niet los worden gezien van het ander. Het hof constateert daarnaast dat [appellante] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat [appellante] een mediationgesprek niet aan zou kunnen.

De slotsom van het voorgaande is dat de loonstop naar voorlopig oordeel terecht is opgelegd.

[appellante] stelt zich nog op het standpunt dat de [geïntimeerde] gehouden is haar loon te betalen over de door haar tijdens de loonstop genoten vakantiedagen. Ter zitting is komen vast te staan dat [geïntimeerde] de vakantiedagen, waaronder de tijdens de loonstop genoten vakantiedagen, waarop [appellante] tot 9 oktober 2025 recht had aan haar heeft uitbetaald. Het hof neemt, anders dan [appellante], tot voorlopig uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst per 9 oktober 2025 is geëindigd. Naar voorlopig oordeel zijn de vakantiedagen dus tot einde dienstverband afgerekend.

Op grond van het voorgaande falen de grieven 1 en 2. Advocaatkosten en kosten therapie

Gelet op het voorgaande is er geen grond om aan [appellante] (volledige) advocaatkosten en kosten van therapie te vergoeden. Grief 5 faalt.

Conclusie en proceskosten

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis in kort geding bekrachtigen en de vordering tot tewerkstelling afwijzen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep op basis van het liquidatietarief. Anders dan [geïntimeerde] meent, is er geen aanleiding om [appellante] te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten. Dat er ook bodemprocedures tussen partijen aanhangig zijn waarvan de mondelinge behandeling op dezelfde dag is gepland als dit kort geding, is daartoe onvoldoende. Van misbruik van recht en/of onrechtmatig handelen is geen sprake.

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:

griffierecht € 2.321,-

salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 5.090,-

6. Beslissing

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mrs. M.T. Nijhuis, F.J. Verbeek en R.S. van Coevorden en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?