ECLI:NL:GHDHA:2026:443

ECLI:NL:GHDHA:2026:443

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer 22-002052-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bewezenverklaarde bedreiging, overwegingen over de immateriële schade van de benadeelde partij, waarbij het hof heeft geoordeeld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze is aangetast in de persoon als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b van het BW.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-002052-23

Parketnummer: 09-091952-23

Datum uitspraak: 11 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 26 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1973,

BRP-adres: [adres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 93 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ook is een beslissing genomen omtrent de voorlopige hechtenis van de verdachte en de vordering van de benadeelde partij.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 april 2023 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- op dreigende toon naar die [slachtoffer] heeft geroepen/geschreeuwd "ik maak je dood kankerlijer" en/of "ik steek je neer"

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of voorgehouden en/of

- met dat mes in de hand op die [slachtoffer] af is gerend en/of

- één of meerdere malen met dat mes een zwaaiende en/of stekende beweging naar het hart en/of de middel, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 april 2023 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- op dreigende toon naar die [slachtoffer] te roepen/schreeuwen "ik maak je dood kankerlijer" en/of "ik steek je neer"

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of voor te houden en/of

- met dat mes in de hand op die [slachtoffer] af te rennen en/of

- één of meerdere malen met dat mes een zwaaiende en/of stekende beweging naar het hart en/of de middel, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer] te maken.

2.hij op of omstreeks 2 april 2023 te 's-Gravenhage de (auto)sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 2 april 2023 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- op dreigende toon naar die [slachtoffer] te roepen/schreeuwen "ik maak je dood kankerlijer" en/of "ik steek je neer"

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of voor te houden en/of

- met dat mes in de hand op die [slachtoffer] af te rennen en/of

- één of meerdere malen met dat mes een zwaaiende en/of stekende beweging naar het hart en/of de middel, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer] te maken.

2.hij op of omstreeks 2 april 2023 te 's-Gravenhage de (auto)sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verklaring van de verdachte haaks staat op de verklaringen van de getuigen. Als het hof de lezing van de verdachte volgt, dient hij te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof stelt vast dat de aangever en drie getuigen hebben verklaard over de feiten die zich hebben afgespeeld op 2 april 2023. De aangever en een van de getuigen hebben de verdachte herkend als de persoon die deze feiten heeft gepleegd. De drie getuigen en de aangever zijn opnieuw gehoord bij de raadsheer-commissaris. Daarbij zijn zij gebleven bij de verklaringen die zij eerder bij de politie hebben afgelegd. Kort gezegd hebben zij verklaard dat de verdachte ruzie had met twee vrouwen en dat de aangever tussen de verdachte en de vrouwen kwam om dit te sussen. De aangever werd vervolgens verbaal bedreigd door de verdachte. Ook trok de verdachte een mes, waarmee hij zwaaiende bewegingen maakte richting het middel van de aangever. Ook maakte hij een steekbeweging. De aangever probeerde weg te komen, waarna de verdachte hem achterna rende. De verdachte heeft de sleutels van de aangever uit het contact van zijn bus gehaald en meegenomen.

Het hof stelt vast dat de aangever en de getuigen consistent zijn in hun verklaringen en verder dat de verklaringen van de aangever en de getuigen elkaar in belangrijke mate en op essentiële punten ondersteunen. Het hof acht deze verklaringen dan ook betrouwbaar en bezigt deze voor het bewijs.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes en diefstal van sleutels van een willekeurige voorbijganger, die heeft getracht om een discussie tussen de verdachte en twee dames te sussen. Door aldus te handelen heeft de verdachte het slachtoffer gevoelens van angst bezorgd, terwijl het slachtoffer enkel heeft gepoogd om te helpen. Verder draagt dit handelen van de verdachte, met name de bedreiging door middel van een mes op de openbare weg, bij aan algehele gevoelens van onveiligheid op straat, temeer nu meerdere personen daar ongewenst getuige van hebben moeten zijn. Ook heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor eigendommen van een ander. Het betreft hier dan ook ernstige feiten.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De verdachte is eerder onder meer veroordeeld voor een geweldsfeit, maar nu deze veroordeling van langere tijd geleden is neemt het hof dit niet in strafverzwarende zin mee.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest -een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijke deel dient ertoe om de verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 19.296,20.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 19.296,20.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.167,45, onder toekenning van wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist, in die zin dat geen verweer is gevoerd tegen het door de politierechter in eerste aanleg toegewezen bedrag.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 4.167,45 materiële schade is geleden. Het betreft hier een bedrag van € 41,35 voor medicatie en een bedrag van € 4.126,10 voor de vervanging van de sleutels. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2023, tot aan de dag der algehele voldoening. Naar het oordeel van het hof is de vordering ten aanzien van de relatietherapie en het verlies van arbeidsvermogen onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Beoordelingskader

Van de in art. 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon 'op andere wijze' sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.

Het hof overweegt dat de benadeelde partij slachtoffer is geworden van een bedreiging met een mes op de openbare weg, toen hij een ruzie tussen de verdachte en twee vrouwen probeerde te sussen. De verdachte heeft de benadeelde partij met de dood bedreigd, een mes getoond, is met dat mes op de benadeelde partij afgerend en heeft stekende bewegingen in zijn richting gemaakt.

Bij de stukken bevindt zich een verklaring van de huisarts van de benadeelde partij van 6 juni 2023, waarin staat vermeld dat op 3 april 2023, de dag na het incident, trauma gerelateerde klachten bij de benadeelde partij zijn geconstateerd, dat hij is verwezen naar de POH GGZ en daar gesprekken heeft gehad, dat de volgende symptomen zijn vastgesteld: dagelijkse herbelevingen, sterke prikkelbaarheid en hyperactiviteit, vermijden van spannende situaties, slecht slapen, vermoeidheid en ernstige concentratieproblemen waardoor werk niet mogelijk is. Een en ander lijkt sterk op PTSS, waarvoor hij is doorverwezen naar de SGGZ en op een wachtlijst staat. In de tussentijd vinden er gesprekken plaats vanuit de huisartsenpraktijk door middel van gesprekken met de POH GGZ en medicamenteuze ondersteuning vanuit de huisarts. Het hof leidt hieruit of dat de benadeelde partij in ieder geval gedurende twee maanden na het incident daar psychische klachten aan heeft overgehouden en dat vervolgens een verwijzing ten behoeve van de verdenking van het bestaan van PTSS aan de orde was en in afwachting van deze verdere behandeling nadere gesprekken en medische behandeling plaatsvonden.

Naar het oordeel van het hof is hiermee komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.167,45 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 (drieënzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.167,45 (zesduizend honderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 4.167,45 (vierduizend honderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.167,45 (zesduizend honderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) bestaande uit € 4.167,45 (vierduizend honderdzevenenzestig euro en vijfenveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 2 april 2023.

Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter en mr. R. Brand en mr. D.F.A. Crijns, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2026.

Mr. D.F.A. Crijns is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. Brand
  • mr. D.F.A. Crijns

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?