ECLI:NL:GHDHA:2026:444

ECLI:NL:GHDHA:2026:444

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 11-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer 22-004336-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bewezen verklaarde medeplichtigheid aan vernieling, aangebracht in het kader van de aanleg van een hennepkwekerij in een woning waar de verdachte de huurder van was, waarbij het hof heeft geoordeeld dat de verdachte minst genomen de woning ter beschikking heeft gesteld aan derden voor de aanleg van een hennepkwekerij, overwegingen over dubbel opzet.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-004336-24

Parketnummer: 10-269877-23

Datum uitspraak: 11 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis. Ook is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 11 maart 2022 tot en met 11 januari 2023 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een woning en/of huisraad en/of elektriciteitsinstallatie (van/in die woning gelegen aan de [adres] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 11 maart 2022 tot en met 11 januari 2023 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een woning en/of huisraad en/of elektriciteitsinstallatie (van/in die woning gelegen aan de [adres] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 11 maart 2022 tot en met 11 januari 2023 te Dordrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door voornoemde woning voor de teelt en/of het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 11 maart 2022 tot en met 11 januari 2023 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een woning en/of huisraad en/of elektriciteitsinstallatie (van/in die woning gelegen aan de [adres] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 11 maart 2022 tot en met 11 januari 2023 te Dordrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door voornoemde woning voor de teelt en/of het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij. De verdachte heeft een alternatief scenario geschetst, te weten dat hij een geheime relatie had met aangeefster en enkel in die hoedanigheid wel eens in de woning aanwezig is geweest. Bewijs dat de verdachte betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en de in dat kader aangebrachte vernielingen, ontbreekt in het dossier, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt:

In de woning aan de [adres] te Dordrecht is op 11 januari 2023 een hennepkwekerij aangetroffen. In verband met deze hennepkwekerij waren vernielingen in de woning aangebracht.

Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van 11 maart 2022 tot en met 11 maart 2023 de huurder is geweest van de woning aan de [adres] te Dordrecht. Ten tijde van de inval door de politie op 11 januari 2023 was dit dus ook het geval.

Het hof overweegt hiertoe dat de aangeefster heeft verklaard dat de verdachte in die periode de woning huurde en dat het dossier een – door de aangeefster ondertekende – huurovereenkomst d.d. 1 maart 2023 voor de periode van 11 maart 2022 tot 11 maart 2023 bevat, waarin een kale huurprijs van € 1.500,- is opgenomen. De verdachte heeft in de huurperiode maandelijks een (totaal)bedrag van € 1.500,- onder de omschrijving ‘huur’ overgemaakt aan de aangeefster. Getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte haar wel eens had gevraagd om geld over te maken naar de rekening van aangeefster en dat dit volgens de verdachte zou gaan over huur. Bij de overschrijvingen van [getuige] (van eveneens € 1500) is de omschrijving “huur [naam verdachte] ” vermeld.

Ook stonden de energiecontracten voor de betreffende woning op naam van de verdachte.

Naar het oordeel van het hof betreft het hier redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte betrokken is geweest bij de gepleegde vernielingen ten behoeve van de in de woning aangelegde hennepkwekerij.

De verdachte heeft geen deze redengevendheid ontzenuwende verklaring afgelegd.

Hij heeft verklaard dat hij niets met de vernielingen ten behoeve van de hennepkwekerij te maken heeft, dat hij een geheime relatie had met aangeefster en dat hij in dat kader wel eens in de woning aanwezig was. Tevens dat hij omwille van de relatie en het geheime karakter de betalingen met verwijzing naar huur aan aangeefster zijn verricht. Het dossier biedt evenwel geen enkel aanknopingspunt voor deze verklaring van de verdachte.

Daar komt bij dat de verdachte zowel ten aanzien van het sleutelbezit als ten aanzien van de energiecontracten ter terechtzitting in hoger beroep andersluidend heeft verklaard dan tijdens zijn politieverhoor. Bij zijn politieverhoor heeft de verdachte onder meer verklaard nooit in het bezit te zijn geweest van een sleutel. Ook heeft hij verklaard dat hij onder andere de energiecontracten op zijn naam heeft afgesloten, om aangeefster hiermee financieel te helpen. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde de verdachte echter wel in het bezit te zijn geweest van een sleutel, maar dat hij deze drie maanden voor de inval heeft ingeleverd bij aangeefster. Ook verklaarde hij niets te weten van de contracten en deze niet zelf op zijn naam te hebben gezet. De verdachte heeft dus wisselende verklaringen afgelegd.

Het hof hecht, gelet op het voorgaande, geen geloof aan de verklaringen van de verdachte.

Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien en bij gebreke van een de redengevendheid voor het bewijs ontzenuwende verklaring hiervoor van de verdachte, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte - minst genomen - de woning ter beschikking heeft gesteld aan derden ten behoeve van de aanleg van een hennepkwekerij, ten behoeve waarvan door die derden vernielingen in de woning zijn aangebracht. Nu de aanleg van een hennepkwekerij in een pand dat als woning in gebruik is naar zijn aard vernielingen in die woning met zich brengt, heeft de verdachte in ieder geval het voorwaardelijk opzet op deze vernielingen gehad. De verdachte kan dan ook als medeplichtige aan die vernieling worden aangemerkt.

Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een vernieling. Door aldus te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor het eigendom van een ander, misbruik van vertrouwen gemaakt en die ander veel stress en grote schade berokkend.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dit betreffen niet soortgelijke feiten en het hof zal deze veroordelingen dan ook niet in strafverzwarende zin meenemen.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 66.260,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 66.260,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 61.260,-, onder toekenning van wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 54.260,- materiële schade is geleden. Dit bedrag bestaat uit € 7.260,- ontruimingskosten. Daarnaast uit schade aan de woning tot een bedrag van uit € 47.000,- wat geleid heeft tot een lagere verkoopprijs van de woning. Het hof is van oordeel dat deze bedragen de daadwerkelijk geleden schade omvatten. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 januari 2023, tot aan de dag der algehele voldoening.

De overige materiele schade ten gevolge van de vernieling is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk zal worden verklaard

Hoewel het hof geenszins wenst af te doen aan de impact van het bewezenverklaarde feit op de benadeelde partij, stelt het hof vast dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet voldoet aan de eisen die daaraan door de Hoge Raad worden gesteld. Om deze reden zal het hof dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van € 54.260,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 48, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 54.260,00 (vierenvijftigduizend tweehonderdzestig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 54.260,00 (vierenvijftigduizend tweehonderdzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 239 (tweehonderdnegenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 januari 2023.

Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, als voorzitter en mr. C. Fetter en mr. D.F.A. Crijns, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2026.

Mr. D.F.A. Crijns is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C. Fetter
  • mr. D.F.A. Crijns

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?