Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-000386-24
Parketnummer: 09-008911-23
Datum uitspraak: 25 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 januari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1991,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
hij,
meermalen, althans eenmaal,
in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2020, te Nieuwkoop en/of Alphen aan den Rijn, althans te Nederland door giften en beloften van goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding, een persoon, te weten:
- [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde
persoon de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt,
(telkens) opzettelijk te bewegen tot het plegen van ontuchtige handelingen of
zodanige handelingen van hem, verdachte, te dulden,
te weten (onder meer):
- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [slachtoffer] ,
- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [slachtoffer] ,
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] ,
- het likken van/aan de vagina van die [slachtoffer] ,
- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] ,
- het klaarkomen op de borsten, althans het lichaam van die [slachtoffer] ,
- het zoenen van/met die [slachtoffer] ;
en bestaande die giften en/of beloften van goed en/of dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding uit (onder meer):
- het feit dat hij, verdachte, de teamleider is van die [slachtoffer] en/of
- een groot leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer] ,
- het feit dat die [slachtoffer] een eetstoornis had,
- het (blijven) aandringen tot het versturen van (een) naaktfoto(?s) door die [slachtoffer] en/of
- het (blijven) aandringen tot een afspraak bij hem, verdachte, in de auto en/of thuis, terwijl die [slachtoffer] had aangegeven dat zij dit niet wilde.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 1 dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf, 2 maanden gevangenisstraf geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en 100 uur taakstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig het door haar overgelegde requisitoir op het standpunt gesteld dat voldoende (steun)bewijs voor de verklaring van de aangeefster aanwezig is, zodat de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde dient te worden veroordeeld.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt het volgende.
Zedenzaken als de onderhavige worden in het algemeen vaak gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van de aangever of aangeefster en de – ontkennende – verklaring van de verdachte weinig of geen ander bewijs voorhanden is. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, ook niet als de rechter deze verklaring op zich betrouwbaar acht. Volgens vaste jurisprudentie strekt deze bepaling ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gerelateerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijs. Die vereiste steun in ander bewijsmateriaal behoeft geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen, maar daar staat tegenover dat tussen de belastende verklaring en ander bewijsmateriaal geen sprake mag zijn van een te ver verwijderd verband. De vraag of voldaan is aan die vereisten voor steunbewijs laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Het hof dient dan ook de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor hetgeen de aangeefster heeft verklaard. Dat is naar het oordeel van het hof niet het geval. Er zijn wel enkele door de aangeefster benoemde feitelijke (contextuele) omstandigheden die bevestiging vinden in het dossier, maar die bieden niet op de vereiste wijze steun voor de gedragingen die de verdachte worden verweten. Zo biedt de bevestiging door de verdachte van de aanwezigheid van de aangeefster in zijn auto en woning niet zonder meer steun aan het verwijt dat op die plaatsen ook ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden.
Ook de verklaring van getuige [getuige] dat zij de verdachte “to close met een vakkenvuller” vond voor een teamleider, biedt naar het oordeel van het hof niet zonder meer steun voor het tenlastegelegde, te meer omdat er tijdens haar verhoor bij de politie niet is doorgevraagd over wat zij daarmee bedoelde en voorbeelden van gedragingen of gebeurtenissen ontbreken.
Voorts vormt hetgeen [getuige] verklaart over de opgeluchte reactie van de aangeefster toen zij over het vermeende misbruik vertelde geen steunbewijs voor de tenlastegelegde gedragingen. Dat [getuige] zag dat de aangeefster zich schaamde, ongemakkelijk voelde en veel om zich heen keek toen zij erover vertelde en dat ze merkte dat de aangeefster het lastig vond om te vertellen, kan immers ook goed passen in een scenario waarin de aantijgingen niet op waarheid berusten.
Ook de ‘van horen zeggen’ verklaring van [persoon] over het vermeende gedrag van de verdachte biedt niet de vereiste steun voor de aantijgingen in de aangifte.
Tot slot verdient aandacht het gegeven dat de verdachte op 26 mei 2022, negen maanden nadat aangeefster was gestopt met haar werkzaamheden bij de [bedrijf] , een bericht heeft gestuurd waarin hij zijn excuses aanbiedt ‘voor waarom aangeefster zo boos op hem was’ en meldt dat ‘ze samen iets hebben gedeeld en dat hij dat niet vergeet’. Anders dan de rechtbank kan dit bericht naar het oordeel van het hof niet slechts worden uitgelegd als dat de verdachte zijn excuses aanbiedt voor de ontuchtige handelingen die aangeefster van hem heeft moeten dulden. Het dossier biedt immers (in de vorm van ander berichtenverkeer) steun voor de daarover door de verdachte afgelegde verklaring, te weten dat hij daarmee zijn excuses aanbood voor het feit dat hij aangeefster te fel had aangesproken toen zij te veel kletste tijdens het vakkenvullen.
Het hof komt – alles afwegende en al het voorgaande in samenhang bezien – tot de conclusie dat onvoldoende steunbewijs voorhanden is voor de belastende verklaring van de aangeefster, zodat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen en de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij op het standpunt gesteld dat er een bedrag dient te worden toegewezen, maar zich ten aanzien van de hoogte daarvan gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. B.P. de Boer, leden, in bijzijn van de griffier mr. H.W. Scheepbouwer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 maart 2026.