Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001322-24
Parketnummer: 96-326660-21
Datum uitspraak: 11 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1977,
blijkens de hem betreffende Informatiestaat SKDB-persoon:
Vertrokken Onbekend Waarheen,laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:
[adres] , [plaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 14 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, en een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 6 december 2021 te Spijkenisse, binnen de gemeente Nissewaard, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, in combinatie met een of meer andere van deze aangewezen stoffen, te weten alcohol (ethanol), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 71 microgram cocaïne per liter bloed en 1,06 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 14 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bespreking van het recht op verweer
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen kennisgeving heeft ontvangen van de uitslag van het aan het in de tenlastelegging bedoelde bloed verrichte laboratoriumonderzoek en dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verbalisanten de voorgeschreven kennisgeving hebben verzonden, zodat het recht van de verdachte op tegenonderzoek is geschonden en hij daarom van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - de verdachte, te oordelen naar de door hem in eerste aanleg ingenomen proceshouding, niet eerder dan thans in hoger beroep heeft geklaagd over het uitblijven van de kennisgeving van het resultaat van het bloedonderzoek zoals bedoeld in artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) en daarom zijn recht om daarover te klagen heeft verloren.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat van een “onderzoek”, zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), slechts sprake is als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (ECLI:NL:HR:2020:1684). Tot de strikte waarborgen behoort onder meer het in artikel 17 van het Besluit neergelegde voorschrift, dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek (ECLI:NL:HR:2021:1793).
Nu van de tenlastelegging deel uitmaakt dat het cocaïne- en alcoholgehalte - waarvan de verdachte wordt verweten dat hij onder invloed daarvan een personenauto heeft bestuurd - is gebleken uit een dergelijk onderzoek, is de klacht van de verdediging gericht tegen bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Er is geen rechtsregel die de feitenrechter - en dus ook de appelrechter - beperkt in het betrekken van tijdens het onderzoek ter terechtzitting gestelde feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de tenlastelegging. Integendeel: het zou afbreuk doen aan de taak en de verantwoordelijkheid van de appelrechter indien in hoger beroep niet meer kan worden aangevoerd wat tegen bewezenverklaring pleit. Bij gevolg staat het de verdachte vrij om in hoger beroep tegen het tenlastegelegde aan te voeren wat hij in eerste aanleg onbesproken heeft gelaten.
Van de vrijheid om tegen de tenlastelegging gerichte verweren voor het eerst in appel te voeren dient vanzelfsprekend te worden onderscheiden dat de appelrechter de aannemelijkheid van het aldus gestelde zal kunnen beoordelen in het licht van de proceshouding van de verdachte in beide feitelijke instanties. Van het verliezen van enig recht van de verdediging is in dit verband evenwel geen sprake. Het bezwaar van de advocaat-generaal wordt dan ook verworpen.
Vrijspraak
Gegeven dit oordeel is de vraag aan de orde of uit de bewijsmiddelen blijkt dat aan de verdachte de in artikel 17 van het Besluit voorgeschreven kennisgeving is gedaan.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Tot de stukken behoort het proces-verbaal onder nummer [nummer 1] . Dit proces-verbaal behelst het in deze zaak verrichte opsporingsonderzoek, waaronder de bij verdachte op 6 december 2021 verrichte bloedafname, en is afgesloten op 6 december 2021. Het proces-verbaal bevat aangaande de door het hof te beantwoorden vraag het volgende:
Uitslag bloedonderzoek
Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal. De uitslag van het bloedonderzoek zal worden nagezonden.
Bij de stukken van de zaak bevindt zich voorts een afschrift van een aan de verdachte geadresseerde brief d.d. 29 december 2021 met als onderwerp “Uitslag bloedonderzoek”.
Gezien de inhoud heeft deze brief de kennelijke strekking te voldoen aan artikel 17 van het Besluit, maar hieruit kan hoogstens worden afgeleid dat op 29 december 2021 een brief van die inhoud tot stand is gebracht en door een -overigens niet met name genoemde- opsporingsambtenaar is ondertekend. Niet is gebleken dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden. Hetzelfde geldt voor een in de Engelse taal gestelde en overigens niet ondertekende vertaling van deze brief, die zich eveneens bij de stukken bevindt.
Namens de verdachte is tegengesproken dat een brief met deze inhoud door de verdachte is ontvangen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken van een (aanvullend of nader) proces-verbaal dat inhoudt dat een dergelijke brief ook daadwerkelijk is verzonden. Aan de omstandigheid dat deze brief in het digitaal dossier van het hof deel uitmaakt van hetzelfde document als het hiervoor genoemde proces-verbaal komt geen betekenis toe, nu die brief terecht geen deel uitmaakt van de bijlagen bij dat immers reeds op 6 december 2021 afgesloten proces-verbaal. Dat de brief is ondertekend door “De opsporingsambtenaar van Politie” legt ook geen gewicht in de schaal, nu uit de ondertekening van een brief niet zonder meer kan worden opgemaakt dat deze is verzonden.
Nu derhalve niet kan worden vastgesteld dat de in artikel 17 van het Besluit voorgeschreven kennisgeving aan de verdachte is toegezonden, kan niet worden bewezen dat een tot de strikte waarborgen, waarmee het in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde en in de tenlastelegging genoemde onderzoek is omringd, behorend voorschrift is nageleefd.
Daaruit vloeit voort dat de verdachte van het hem tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.
Beslag
Onder de verdachte is een personenauto in beslag genomen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de onder de verdachte in beslag genomen personenauto verbeurd te verklaren.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, ontbreekt de door de advocaat-generaal gestelde grondslag van de gevorderde verbeurdverklaring. Het hof zal derhalve last geven tot teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen personenauto.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Personenauto [kenteken] (Omschrijving: [nummer 2] , Rood, merk: Mercedes-Benz, chassisnr: [chassisnummer] , bouwjaar 2002).
Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, als voorzitter, en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2026.