beschikking
GERECHTSHOF DEN HAAG
Parketnummer: 22-002641-24
zaaknummer: 001065-25
Uitspraak d.d.: 26 maart 2026
Beschikking gegeven door de meervoudige raadkamer naar aanleiding van een ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1977,
wonende te [woonplaats] [woonadres]
hierna te noemen: verzoeker,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, [advocaat] , [adres] .
Procesgang
Verzoeker is bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van
23 juli 2024 in de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer 10-276204-23 ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het hem tenlastegelegde. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens op 5 augustus 2024 hoger beroep aangetekend en op 16 mei 2025 weer ingetrokken. De behandeling bij het hof was ingepland op 3 juni 2025.
Verzoeker heeft vervolgens bij een tijdig ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoekschrift verzocht om toekenning van een schadevergoeding ten bedrage van € 10.500,- ter zake van het door hem in zijn strafzaak ondergane voorarrest. De enkelvoudige raadkamer in de rechtbank Rotterdam heeft op 17 oktober 2025 in de beschikking de rechtbank onbevoegd verklaard en de behandeling van het verzoek verwezen naar dit hof.
De raadkamer van het hof heeft het verzoek in het openbaar op 19 februari 2026 behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat van verzoeker, [advocaat] , en de advocaat-generaal.Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en dat de zaak door de raadkamer van de rechtbank Rotterdam dient te worden behandeld.
Bevoegdheid van dit hof
Het Openbaar Ministerie heeft op 16 mei 2025 voor de eerste behandeling van de zaak bij dit hof het hoger beroep ingetrokken. De zaak tegen verzoeker is derhalve niet uitgeroepen.
Het bevoegde gerecht is ingevolge artikel 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of het laatst werd vervolgd. Intrekking van een ingesteld hoger beroep moet worden gelijkgesteld met de situatie waarin geen hoger beroep is ingesteld (Hof Leeuwarden
17 januari 2001, NbSr 2001/40; Hof Amsterdam 31 januari 2002, NbSr 2002/80; Hof Amsterdam 24 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2731).
Nu de intrekking heeft plaatsgevonden voor de behandeling van de zaak is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van dit verzoek. Het feit dat verzoeker is gedagvaard doet daar niet aan af.
Het hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen naar de raadkamer van de rechtbank Rotterdam ter verdere afdoening.
Beslissing
Het hof:
Verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Stelt de stukken in handen van de raadkamer in de rechtbank Rotterdam.
Deze beschikking is gegeven door
mr. A.F.H. ten Brummelhuis, als voorzitter en mrs. N. Schaar en A.J.P. van Beurden, leden, in bijzijn van de griffier M. van der Mark, en op 26 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.