GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.355.856/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 22-9305 en FA RK 24-8117
zaaknummers rechtbank : C/10/650255 en C/10/688512
beschikking van de meervoudige kamer van 18 maart 2026
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. I.P. van Rossen te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 19 maart 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, hierna: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep
De man is op 18 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw heeft op 11 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
De man heeft op 4 november 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Voorts zijn bij het hof ingekomen:
van de zijde van de man:
- een e-mail van 24 juni 2025, met bijlagen;
- een e-mail van 26 november 2025, met bijlage.
De mondelinge behandeling heeft op 5 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum] 1995.
Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren die nu nog minderjarig zijn.
Bij beschikking van 23 december 2024 van de rechtbank Rotterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast is bepaald dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres] , die aan de man uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven op 18 maart 2025.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen vastgesteld zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.3.3 tot en met 3.3.10 van die beschikking.
Het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw aan de man de helft van de overwaarde van de echtelijke woning dient te voldoen, is afgewezen.
Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw van € 43.950,- uit hoofde van investeringen in het privévermogen van de vrouw.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De proceskosten zijn gecompenseerd.
Het meer of anders verzochte is afgewezen.
De man verzoekt het hof de beschikking waarvan beroep te vernietigen voor zover in zijn beroepschrift bestreden, en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. te bepalen dat de volledige overwaarde van de woning, begroot op € 229.018,00, zal toekomen aan de man;
Subsidiair
II. te bepalen dat de woning tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen moet worden gerekend, althans dat de man recht heeft op de helft van de overwaarde, welke helft thans is begroot op de helft van de huidige waarde minus de resthypotheek, zijnde een bedrag van € 114.509,00;
Meer subsidiair
III. het vergoedingsrecht vast te stellen op een bedrag van € 64.552,59 (€ 47.456,00 plus € 17.096,59) vermeerderd met een beleggingsvergoeding van € 58.437,77 (€ 42.960,68 plus € 15.477,10);
IV. de vrouw te veroordelen tot betaling van € 9.174,58 wegens onverschuldigde betaling van eenzijdig gedragen huishoudelijke kosten, dan wel een in redelijkheid te bepalen bedrag;
V. een evenredige verrekening toe te passen van het fiscale voordeel dat de vrouw heeft genoten, thans begroot op € 17.000,00, althans een redelijke verrekening daarvan;
Nog meer subsidiair
VI. het vergoedingsrecht van de man te verhogen met het volledige bedrag van de aflossing uit de levensverzekering en de aflossing (tezamen € 47.456,00), vermeerderd met een beleggingsvergoeding over de renovatiekosten, welke thans is begroot op € 15.477,10.
De vrouw verzoekt het hof bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. De man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans hem dit hoger beroep te ontzeggen;
2. De bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij is vastgesteld dat de man een vergoedingsrecht jegens de vrouw heeft van € 43.950,- uit hoofde van investeringen in het privévermogen van de vrouw.
De man verzoekt het hof het incidenteel appel van de vrouw te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover in incidenteel appel bestreden, en de vrouw te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.
5. De motivering van de beslissing
Partijen zijn op [datum] 1995 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden, voor zover relevant, het navolgende in:
“Artikel 1.
Tussen de echtgenoten zal geen enkele vorm van huwelijksgoederengemeenschap bestaan.
Artikel 2.
1. De kosten van de huishouding in enig jaar, deze kosten genomen in de ruimste zin der wet, worden voldaan uit de in dat jaar genoten inkomens van de echtgenoten en wel naar evenredigheid daarvan;
voor zover deze inkomens ontoereikend zijn worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.
[…]
4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 84 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zich daartegen verzetten.
Artikel 3.
1. De echtgenoot, die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.
2. Het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen vervalt een jaar na het einde van het kalenderjaar waarin dit teveel bijgedragene is of had kunnen worden vastgesteld.
Artikel 4.
Premies en koopsommen van levensverzekeringen (ongevallenverzekeringen daaronder begrepen) vormen geen kosten van de huishouding.
Indien een van de echtgenoten als begunstigde in de polis staat genoemd, worden de premies en de koopsommen door de betreffende echtgenoot gedragen (en voldaan).
Artikel 5.
1. Kleding, sieraden en dergelijke zijn eigendom van die echtgenoot in wiens gebruik zij zijn of tot wiens gebruik zij bestemd zijn, ongeacht van wiens zijde deze zaken zijn opgekomen, en wel zonder enige vergoeding aan de andere echtgenoot.
2. Van deze bepaling zijn uitgezonderd:
a. de kleding, sieraden en dergelijke die eventueel als aanbreng van een echtgenoot op de hierna te noemen beschrijving vermeld zijn; en
b. de kleding, sieraden en dergelijke waarvan een echtgenoot aantoont, dat deze door hem tijdens huwelijk zijn verkregen krachtens erfenis, legaat, lastbepaling of schenking.
3. Bestaat overigens tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.
4. Bestaat tussen de echtgenoten een geschil voor welk aandeel zij gerechtigd zijn in op gezamenlijke naam staande goederen doch zonder uitdrukking van het aandeel van ieders gerechtigdheid, dan worden zij geacht ieder voor de helft daarin gerechtigd te zijn, behoudens tegenbewijs.
[…]
De echtelijke woning aan [adres] , hierna: de echtelijke woning: afwikkeling huwelijkse voorwaarden en vergoedingsrechten
Het hof stelt het navolgende vast. Op 12 februari 2002 is de echtelijke woning door de vrouw in eigendom verkregen. De echtelijke woning staat dus uitsluitend op naam van de vrouw. Ter financiering van deze woning is een hypothecaire geldlening bij [bank] afgesloten, waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn. De geldlening is overgesloten in 2007 en ook voor deze schuld blijken partijen beiden hoofdelijk aansprakelijk te zijn. Op 15 maart 2023 bedroeg de schuld: € 293.793,47. Sinds 2007 is een bedrag van € 47.456,53 afgelost. Aan de hypothecaire geldlening is gekoppeld een levensverzekering (overlijdensrisicoverzekering) met polisnummer [nummer] bij [verzekeringsmaatschappij] .
Aanspraak man op overwaarde woning: afwijken van de huwelijkse voorwaarden?
Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden het ontstaan van een wettelijke huwelijksgemeenschap uitgesloten. Zij zijn geen periodiek of finaal verrekenbeding overeengekomen. Er is in huwelijksvermogensrechtelijke zin dus sprake van een situatie die wordt aangeduid als “koude uitsluiting”.
Nu vaststaat dat partijen bij overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn afgeweken van het wettelijke huwelijksvermogensregime, moet het uitgangspunt zijn dat de vermogensrechtelijke verhouding tussen partijen wordt beheerst door hun overeenkomst van huwelijkse voorwaarden, tenzij (het concrete gevolg van) een door hen daarbij overeengekomen bepaling onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij moet grote waarde worden gehecht aan de rechtszekerheid, zodat uitzonderingen op de door partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen worden aangenomen. Daarbij kan het feitelijk handelen van echtgenoten in voorkomende gevallen een rol spelen, aldus dat daaraan meer betekenis kan worden toegekend dan aan de overeengekomen huwelijkse voorwaarden. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO7004).
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op de juisten gronden heeft geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat partijen de intentie hadden om de (externe) vermogensrechtelijke verhoudingen, zoals overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden, te doorbreken, noch dat partijen de bedoeling hebben gehad alleen de, zoals hiervoor weergegeven goederenrechtelijk uitsluitend aan de vrouw toekomende echtelijke woning als gemeenschappelijk te beschouwen. Het hof neemt die gronden over en maakt deze, na eigen afweging, tot de zijne. Ook de door de man gestelde omstandigheden - inhoudende dat hij alle lasten van de echtelijke woning betaalde en dat beide partijen hoofdelijk schuldenaar ter zake van de hypothecaire geldlening waren - rechtvaardigen naar het oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden geen andere beslissing dan die welke de goederenrechtelijke status van die woning bevestigt.
Het hof zal gelet op het voorgaande het primaire verzoek van de man (inhoudende dat de gehele overwaarde van de echtelijke woning aan de man zou toekomen) – welk verzoek de man overigens voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan - afwijzen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover de rechtbank het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw aan hem de helft van de overwaarde van de echtelijke woning dient te voldoen, heeft afgewezen.
Het voorgaande laat onverlet dat aan de man een vergoedingsrecht kan toekomen wegens (indirecte) investeringen in de, zoals hiervoor overwogen uitsluitend aan de vrouw toebehorende woning. Het hof is ook van oordeel dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt. In de hierna volgende overwegingen zal het hof motiveren op welke wijze het tot dit oordeel komt en bepalen welke vergoeding de vrouw aan de man dient te betalen.
Vergoedingsrechten: artikel 1:87 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft het vergoedingsrecht van de man uit hoofde van (indirecte) investeringen die hij vanuit zijn privévermogen heeft gedaan in de echtelijke woning (privévermogen van de vrouw) vastgesteld op een bedrag van in totaal € 43.950,-, bestaande uit:
a. a) een bedrag van € 20.603,- in verband met de aflossing op de hypothecaire geldlening met de uitkering uit de verzekering bij [verzekeringsmaatschappij] ;
b) een bedrag van € 6.250,- in verband met het doen van extra aflossingen op de hypothecaire geldlening;
c) een bedrag van € 17.096,59 in verband met de renovatie van de echtelijke woning.
Met de grieven 2 en 3 komt de man op tegen de wijze waarop de rechtbank zijn vergoedingsrecht heeft berekend. Ter toelichting voert de man het volgende aan.
Ad a)
De man heeft met de uitkering uit de verzekering bij [verzekeringsmaatschappij] geen € 20.603,- maar € 41.206,- afgelost op de hypothecaire geldlening.
Ad a, b en c)
De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man helemaal geen vergoedingsrecht toekomt. Daartoe voert zij aan dat de relevante betalingen die door de man zijn gedaan, zijn verlopen via de en/of rekening van partijen, welke niet alleen door de man, maar ook door de vrouw en de kinderen van partijen is gevoed. Daarom valt volgens de vrouw niet vast te stellen dat de man uitsluitend met privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning van de vrouw en moet, zo begrijpt het hof, zijn verzoek reeds om die reden alsnog worden afgewezen.
Oordeel van het hof
Vaststaat dat er een bedrag van (afgrond) € 41.206,- respectievelijk € 6.250,- (derhalve in totaal € 47.456,-) op de hypothecaire geldleningen is afgelost. Het hof is van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat deze aflossingen volledig uit zijn privévermogen zijn voldaan. Het hof neemt daartoe het navolgende in aanmerking.
Aflossing op de hypothecaire geldlening: ad a)
In hoger beroep heeft de man de polis van [verzekeringsmaatschappij] overgelegd (productie 13 bij zijn beroepschrift). Daaruit volgt dat de man (enig) verzekeringnemer is. Voorts volgt daaruit dat de man als eerste (en enige) begunstigde op de polis staat vermeld. Het hof heeft dit ter zitting aan de vrouw voorgehouden. Het hof begrijpt dat de vrouw daarop niet (langer) betwist dat de man de eerste (en enige) begunstigde op de polis is.
Voorts heeft de man in hoger beroep een ‘bevestiging uitkering levensverzekering’ van [verzekeringsmaatschappij] van 10 januari 2022 overgelegd (productie 14 bij zijn beroepschrift). Daaruit volgt dat de levensverzekering is gestopt op 9 januari 2022 en dat de uitkering is vastgesteld op een bedrag van € 41.206,53. Voorts volgt daaruit dat dit (op grond van de polis aan de begunstigde, te weten de man, toekomende ) bedrag door [verzekeringsmaatschappij] rechtstreeks is overgemaakt aan [bank] , ter aflossing van (een deel van) de lening of hypotheek.
De stelling van de man dat uit zijn privémiddelen een bedrag van (afgerond) € 41.206,- is afgelost op de hypothecaire geldlening, vindt derhalve steun in de stukken en de man komt uit dien hoofde jegens de vrouw een vergoedingsrecht toe.
Aflossingen op de hypothecaire geldlening: ad b)
Met betrekking tot het aflossingsbedrag van in totaal € 6.250,- overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt allereerst vast dat de man door middel van het overleggen van het onderliggende bankafschrift (productie 11 bij zijn beroepschrift) heeft aangetoond dat dit bedrag op 2 april 2019 (en niet pas in 2022 zoals de vrouw stelt) vanaf de en/of-rekening van partijen is overgeboekt (ter gedeeltelijke aflossing van de aflossingsvrije hypotheek).
Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de rechtbank dat het inkomen van de man op de en/of-rekening werd gestort en dat de man niet over een eigen bankrekening beschikte. Partijen zijn ook niet opgekomen tegen de vaststelling van de rechtbank dat het inkomen van de vrouw in de betreffende periode niet op de en/of-rekening werd gestort (maar op haar eigen bankrekening) terwijl er in de periode van de extra aflossing van € 6.250,- wel inkomen van de man op is gestort. Gelet hierop is het hof met de rechtbank van oordeel dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de man vanuit zijn privévermogen de extra aflossing van € 6.250,- heeft danwel geacht kan worden te hebben gedaan op de hypothecaire geldlening. De stelling van de vrouw dat zij (en de kinderen van partijen) weleens een bedrag op de en/of-rekening heeft gestort, is door de man betwist, en brengt, gelet op de door de vrouw naar voren gebracht beperkte omvang daarvan, naar het oordeel van het hof niet mee dat het vergoedingsrecht van de man daardoor is aangetast.
Uit het voorgaande volgt dat de man heeft aangetoond dat hij uit privémiddelen een bedrag van in totaal € 47.456,- (€ 41.206,- + € 6.250,-) heeft afgelost op de hypothecaire geldlening en uit dien hoofde een vergoedingsrecht jegens de vrouw toekomt.
Nominaliteitsleer/beleggingsleer
Partijen twisten over de vraag of de man een nominaal vergoedingsrecht toekomt of dat de beleggingsleer moet worden toegepast.
Nu het vergoedingsrecht van de man is ontstaan na 1 januari 2012, heeft hij recht op een vergoeding op grond van artikel 1:87 BW.
Op grond van artikel 1:87 lid 1 BW ontstaat voor de echtgenoot die uit privévermogen heeft afgelost op een schuld ter zake van een goed dat tot het vermogen van de andere echtgenoot behoort, recht op vergoeding. De echtgenoot aan wie het vergoedingsrecht toekomt, deelt naar rato van de aflossing mee in de waardeontwikkeling van het goed waar de schuld aan gekoppeld is (de zogeheten beleggingsleer). De vergoeding beloopt volgens artikel 1:87 lid 2 BW namelijk een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan.
Over de vraag op welke wijze de beleggingsleer van toepassing is ingeval staande huwelijk uit privé vermogen van een echtgenoot wordt afgelost op de hypothecaire lening die is afgesloten ter financiering van de verkrijging van de woning die tot het privévermogen van de andere echtgenoot behoort, verschillen – gelet op de in de Eerste Kamer gegeven toelichting die afwijkt van de letterlijke wettekst – de opvattingen.
Het hof stelt – onder verwijzing naar de uitspraak van dit hof van 4 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:180 – vast dat deze vergoeding moet worden berekend op grond van artikel 1:87 lid 2 onder b BW. In artikel 1:87 lid 2, aanhef en onder b BW is het navolgende bepaald:
“2. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte: (…) b. komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.”
Het hof is zich bewust van het feit dat het afwijkt van hetgeen in de toelichting op de wettekst in de parlementaire geschiedenis in de Eerste Kamer is gesteld (Kamerstukken I 2008/09, 28 867, nr. C, p. 15-16). In de Memorie van Antwoord wordt – ondanks de wettekst van artikel 1:87 lid 2 onder b BW – namelijk ervan uitgegaan dat artikel 1:87 lid 2 onder a BW in deze situatie van aflossing van toepassing is, hetgeen betekent dat niet de waarde van de woning op het moment van aflossing van belang is, maar de waarde van de woning ten tijde van de aankoop. Economisch gezien heeft de man echter geïnvesteerd op het moment van de aflossing. Het hof acht het daarom alleszins redelijk dat de omvang van het fictieve (economische) aandeel van de man in de woning wordt gerelateerd aan de waarde van de woning op dat moment van aflossing. Hierbij wordt opgemerkt dat de van de letterlijke wettekst afwijkende toelichting van de minister niet in de Tweede Kamer aan de orde is gekomen. De Tweede Kamer heeft ook geen gelegenheid gehad om zich hierover uit te laten omdat de minister de in de Eerste Kamer gedane suggestie om de wettekst aan te passen, heeft afgewezen (Kamerstukken I 2009/10, 28 867, nr. E, p. 2 (Nadere Memorie van Antwoord)).
Hoewel in het onderhavig geval geen sprake was van een vergoedingsrecht dat is ontstaan door maandelijkse aflossingen, overweegt het hof daarover nog het volgende. Terecht wordt door de minister in zijn toelichting aandacht gevraagd voor de praktische, naar het hof begrijpt, zeer bewerkelijke uitvoering van deze methodiek indien de waarde van de woning bij iedere maandelijkse aflossing telkens opnieuw bepaald zou moeten worden. Het hof meent desalniettemin dat art. 1:87 lid 2 onder b BW ook in een dergelijk geval, gelet op de tekst van de wet, van toepassing is en ook tot de in economische zin meest juiste en redelijke uitkomst leidt. Wat betreft de praktische uitvoerbaarheid wijst het hof op art. 1:87 lid 5 BW waarin is bepaald: “Kan de vergoeding overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.”
Kortom: het hof zal voor de berekening van het vergoedingsrecht van de man aansluiten bij de letterlijke wettekst en derhalve bezien wat de waarde van het goed is geweest op het moment van de desbetreffende aflossing (artikel 1:87 lid 2 onder b BW).
De formule luidt derhalve als volgt:
(aflossing / waarde woning ten tijde van de aflossing) x waarde woning ten tijde van de afrekening
ad a) en b)
Voor wat betreft de waarde van de echtelijke woning ten tijde van de desbetreffende aflossing hebben beide partijen ter zitting ermee ingestemd dat het hof aansluit bij de WOZ-waarde per 1 januari van het jaar waarin de desbetreffende aflossing werd gedaan.
Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de aflossing van (afgerond) € 41.206,- is gedaan in 2022, terwijl de aflossingen van in totaal € 6.250,- (eerder) in 2019 zijn gedaan.
De man heeft een uitdraai van de WOZ-waarde van de echtelijke woning overgelegd over de jaren 2014 tot en met 2024 (productie 15 bij zijn hoger beroep). Het hof acht het redelijk daarbij aan te sluiten. Het hof stelt de waarde van de woning aldus vast op: € 334.000,- in 2019 (te weten de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2019) en € 441.000,- in 2022 (te weten de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2022).
Voor wat betreft de waarde van echtelijke woning ten tijde van de afrekening, acht het hof redelijk om aansluiting te zoeken bij de waardebepaling zoals die volgt uit het door de man overgelegde taxatierapport van 3 november 2025 (productie 23 bij zijn verweerschrift op het incidenteel appel), nu die datum het dichtst bij de datum van de beschikking van het hof ligt. Uit dit taxatierapport – dat door de vrouw verder niet is weersproken – volgt dat de echtelijke woning op 3 november 2025 een waarde vertegenwoordigde van € 522.000,-.
Het hof becijfert het vergoedingsrecht dat aan de man toekomt in verband met de hypothecaire aflossingen, als volgt:
(€ 41.206,- / € 441.000,-) x € 552.000,- = (afgerond) € 51.578,-
(€ 6.250,- / € 334.000,-) x € 552.000,- = (afgerond) € 10.329,-
Renovatie van de echtelijke woning: ad c)
Vaststaat dat de woning van de vrouw is gerenoveerd voor een bedrag van € 17.096,59. De man heeft naar het oordeel van het hof aangetoond dat deze kosten volledig uit zijn privévermogen zijn voldaan. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 5.18 ten aanzien van de stortingen op de en/of-rekening heeft overwogen.
De hoogte van het vergoedingsrecht van de man in verband met de verbeteringen aan de woning van de vrouw moet op basis van artikel 1:87 lid 2 sub b BW als volgt worden berekend:
(investering / (waarde woning ten tijde van de investering + investering)) x waarde woning ten tijde van de afrekening
Het hof stelt vast dat het overgrote deel van de renovatiekosten is betaald in 2019. Het hof ziet daarin aanleiding om voor wat betreft de waarde van het goed ten tijde van de investering aansluiting te zoeken bij de waarde van de echtelijke woning in 2019. Het hof heeft die hiervoor vastgesteld op € 334.000,-.
Voor wat betreft de waarde van echtelijke woning ten tijde van de afrekening zal het hof ook hier uitgaan van een bedrag van € 552.000,-.
Dit leidt tot een vergoedingsrecht van (€ 17.096,56 / (€ 334.000,- + € 17.096,56)) x € 552.000,- = (afgerond) € 26.880,-.
Rentebetalingen en betalingen vaste lasten via de en/of-rekening (grief 3 en 5)
Het hof stelt vast dat de man voor het eerst in hoger beroep verzoekt om een vergoedingsrecht vast te stellen, omdat hij naar eigen zeggen naast de aflossingen ook de rentebetalingen vanwege de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening uit zijn privévermogen heeft voldaan. Het hof zal dit verzoek afwijzen. Rentebetalingen behoren in de regel tot de kosten van de huishouding (met bijbehorende vervaltermijnen in de huwelijkse voorwaarden) en leiden niet tot vermogensvorming. Aangezien er, anders dan ter zake van de aflossingen op de hypothecaire geldlening, dan ook geen vermogensverschuiving plaatsvindt ten laste van de man en ten gunste van de vrouw, ontstaat er ook geen vergoedingsrecht. Grief 5 – waarin de man om een vergoedingsrecht verzoekt wegens door hem in de periode november 2021 tot maart 2023 betaalde kosten van de huishouding ten laste van de en/of-rekening – faalt eveneens om die reden.
Fiscaal voordeel (grief 4)
Ook voor het verzoek van de man om vergoedingsrecht vast te stellen in verband met het fiscale voordeel dat de vrouw heeft genoten vanwege de renteaftrek, acht hof geen grond aanwezig. Ook in de huwelijkse voorwaarden ziet het hof geen grondslag om het fiscale voordeel te verrekenen. Het hof zal ook dit verzoek van de man afwijzen.
Resumerend
Op grond van het al hetgeen hiervoor is overwogen heeft de man jegens de vrouw een vergoedingsrecht van (afgerond) in totaal € 88.787,- (€ 51.578,- + € 10.329,- + € 26.880,-).
Conclusie
Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van het daarin vastgestelde vergoedingsrecht en bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw van (afgerond) € 88.787,- uit hoofde van investeringen in het privévermogen van de vrouw.
Proceskosten
De man verzoekt het hof de vrouw te voordelen in de kosten van het incidenteel appel. Het hof ziet in hetgeen de man heeft gesteld geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in familiezaken van compensatie van proceskosten. Het hof zal het verzoek van de man derhalve afwijzen en proceskoten van het geding in hoger beroep compenseren.
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking uitsluitend voor zover het betreft het vastgestelde vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht jegens de vrouw heeft van € 88.787,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, R.L.M.C. Janssen en P.C. van Es, bijgestaan door mr. A. Wijtzes, en is op 18 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.