ECLI:NL:GHDHA:2026:555

ECLI:NL:GHDHA:2026:555

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer 22-001204-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Profijtontneming. Besteding wederrechtelijk verkregen voordeel aan illegaal vuurwerk dat in beslag genomen wordt. Waarde van het in beslag genomen vuurwerk komt niet in mindering bij de vaststelling van de betalingsverplichting.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001204-24 (PO)

Parketnummer: 83-048311-21

Datum uitspraak: 10 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2024 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te Rotterdam van 28 oktober 2021 is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde,

gekwalificeerd als:

- opzettelijk ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk aan personen zonder gespecialiseerde kennis, gepleegd in de periode 1 januari 2021 tot en met 25 april 2021;

- opzettelijk als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis opslaan van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk in een woning en een schuur, gepleegd op 25 april 2021;

- opzettelijk als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk in een personenauto, gepleegd op 25 april 2021;

- voorhanden hebben van wapens, munitie en patroonmagazijnen in een woning, gepleegd op 25 april 2021;

- voorhanden hebben van een wapen met munitie in een personenauto, gepleegd op 25 april 2021,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 28.406,35, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 28.377,28, en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.546,28 ter ontneming van dat voordeel.

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 21 maart 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 28.377,28 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.000.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de betalingsverplichting zal worden vastgesteld op € 28.377,28 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.932,31 ter ontneming van dat voordeel.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof heeft zich bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) van 29 juli 2022. Voor de berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel is het rapport uitgegaan van een eenvoudige kasopstelling.

Beginsaldo contant geld

Het hof volgt met betrekking tot het beginsaldo aan contant geld het verweer van de verdediging, inhoudende dat de betrokkene, diens partner en hun dochter jaarlijks, ter gelegenheid van feestdagen en verjaardagen, contante geldbedragen ontvingen en dat deze geldbedragen in de kluis bij betrokkene thuis werden bewaard. Dit standpunt is door de verdediging onderbouwd met een verklaring van de ouders van betrokkene. Het hof is derhalve van oordeel dat het beginsaldo aan contant geld dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 2.500,-.

Overige door de verdediging gestelde kostenposten

Het hof is van oordeel dat de door de betrokkene gemaakte kosten voor het huren van een bus in verband met het aankopen van nieuw vuurwerk, alsmede de kosten verbonden aan de Knab-bankrekeningen die de betrokkene vanwege het conservatoir beslag niet kan gebruiken en niet kan opzeggen, niet kunnen worden aangemerkt als kosten die in verband staan met het verkregen voordeel.

Uitkomst eenvoudige kasopstelling

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 26.137,28.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de veroordeelde vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de hierna te vermelden wettige bewijsmiddelen en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel:

Vaststelling van de betalingsverplichting

Aanschafkosten inbeslaggenomen illegale vuurwerk

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de rechtbank bij de vaststelling van de betalingsverplichting ten onrechte de helft van het aankoopbedrag van het inbeslaggenomen vuurwerk heeft afgetrokken. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet met zich brengt dat de waarde van inbeslaggenomen illegaal vuurwerk op de betalingsverplichting in mindering moet worden gebracht. De bestemming en besteding van wederrechtelijk verkregen voordeel is immers in beginsel irrelevant voor de toepassing van de maatregel. De veroordeelde die ervoor heeft gekozen het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te besteden voor de aankoop van illegaal vuurwerk, neemt daarmee het risico van (beslag en) onttrekking aan het verkeer daarvan. Het in het concrete geval daadwerkelijk door de veroordeelde behaalde voordeel wordt door het zich realiseren van dit risico niet verminderd (vlg. ECLI:NL:PHR:2021:906 en ECLI:NL:HR:1998:ZD1199).

Verbeurdverklaring

Het hof is, eveneens als de rechtbank, van oordeel dat de – gestelde en niet weersproken - waarde van € 831,- van de inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde Opel Combo in mindering dient te worden gebracht op de op te leggen betalingsverplichting.

Overschrijding van de redelijke termijn

Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM als volgt. De ontnemingsprocedure is op 14 oktober 2021 – gedurende de onderliggende strafzaak - aanhangig gemaakt en het ontnemingsvonnis in eerste aanleg is gewezen op 21 maart 2024. Daarmee heeft de behandeling in eerste aanleg niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaar. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 5 maanden.

Het Hof ziet in dit specifieke geval aanleiding het te door de betrokkene te betalen bedrag te matigen tot het hierna vermelde bedrag vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, het tijdverloop sinds het plegen van de feiten in de onderliggende strafzaak, waarvan de onderhavige ontnemingszaak deel uitmaakt, en daarmee de ouderdom van de onderhavige zaak en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Conclusie

Het hof zal de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag waarop het als wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, maar op een lager bedrag, te weten op een bedrag van afgerond € 24.000.

Het hof zal de betrokkene de verplichting opleggen laatstgenoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 26.137,00 (zesentwintigduizend eenhonderd zevenendertig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 24.000,00 (vierentwintigduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 240 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, als voorzitter, mr. H. Steenhuis en mr. A.J.P. van Beurden, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 maart 2026.

Mr. A.J.P. van Beurden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H. Steenhuis
  • mr. A.J.P. van Beurden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?