GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.360.671/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 25-1332
zaaknummer rechtbank : C/10/694720
beschikking van de meervoudige kamer van 11 maart 2026
inzake
[vader] ,
wonende te [plaats 2] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. N.T. Vogelaar te Maasdijk,
tegen
[moeder] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht ,
locatie: Rotterdam ,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2. Het geding in hoger beroep
De vader is op 24 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder heeft op 15 december 2025 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 november 2025 met bijlagen, ingekomen op 12 november 2025;
een e-mail van de zijde van de moeder van 22 december 2025 met bijlage;
een e-mail van de zijde van de moeder van 23 januari 2026 met bijlagen;
een journaalbericht van de zijde van de vader van 26 januari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
De mondelinge behandeling heeft op 27 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De raad is, overeenkomstig zijn brief van 13 januari 2026, niet ter zitting verschenen.
3. De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Zij zijn de ouders van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder.
4. De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
de moeder vervangende toestemming verleend om met de minderjarige naar [plaats 1] te verhuizen;
de moeder vervangende toestemming verleend, voor het geval uiterlijk een week voor de aanvang van het schooljaar door de vader geen toestemming is gegeven, voor het inschrijven van de minderjarige op een basisschool in [plaats 1] ;
bepaald dat de vervangende toestemmingen strekken tot vervanging van de vereiste toestemmingen van de vader;
de beschikking tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte (waaronder de verzoeken van de vader de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen en de zorgregeling te wijzigen) afgewezen.
De vader is het niet eens met die beslissing. Hij verzoekt het hof, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, om na vernietiging van de bestreden beschikking, opnieuw beschikkende:
primair
te overwegen dat de moeder inmiddels is verhuisd naar [plaats 1] , en te bepalen dat zij – uiterlijk binnen een door het hof te bepalen redelijke termijn – met de minderjarige terug dient te verhuizen naar de regio [plaats 2] , teneinde uitvoering te kunnen geven aan de hierna vast te stellen regeling;
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder blijft;
te bepalen dat de zorgregeling tussen partijen wordt vastgesteld in de vorm van een co-ouderschapsregeling, inhoudende dat de minderjarige afwisselend één volledige week bij de vader en één volledige week bij de moeder verblijft;
deze regeling te laten lopen van vrijdag na schooltijd tot de volgende vrijdag na schooltijd;
subsidiair
voor het geval het hof niet beslist dat de moeder met de minderjarige moet terugverhuizen:
te bepalen dat de minderjarige wordt ingeschreven op haar oude basisschool in de regio [plaats 2] ;
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt gewijzigd en bij de vader wordt vastgesteld;
te bepalen dat de minderjarige een co-ouderschapsregeling volgt conform de hierboven omschreven week-op-week-af structuur, van vrijdag na schooltijd tot de daaropvolgende vrijdag na schooltijd;
meer subsidiair
voor het geval het hof in de subsidiaire situatie van oordeel is dat een week-op-week-af-regeling niet in het belang van de minderjarige is (met een kleine aanpassing naar aanleiding van de toelichting van de vader op zitting):
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader wordt vastgesteld;
te bepalen dat het verblijf van de minderjarige als volgt wordt verdeeld over de even en oneven weken:
even week
o vanaf zondagavond tot woensdagochtend naar school verblijft zij bij de moeder;
o van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school verblijft zij bij de vader;
o van vrijdag uit school tot dinsdagochtend naar school verblijft zij bij de moeder;
oneven week
o van dinsdag uit school tot woensdagochtend naar school verblijft zij bij de vader;
o van woensdag uit school tot vrijdagochtend naar school verblijft zij bij de moeder;
o van vrijdag uit school tot zondagavond verblijft zij bij de vader.
De moeder voert verweer. Zij verzoekt het hof het beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Standpunten van partijen
De vader stelt dat het niet in het belang van de minderjarige is om vervangende toestemming voor verhuizing aan de moeder te verlenen. De partijen hebben in het werkplan voorafgaand aan het ouderschapsplan gezamenlijk afspraken gemaakt over een toekomstige verhuizing. Hierin hebben zij afgesproken dat zij maximaal 20 minuten of 15 kilometer van elkaar af mogen gaan wonen zonder de toestemming van de andere ouder. Ondanks dat het werkplan formeel niet is ondertekend, is het een relevante aanwijzing voor de gezamenlijke intentie van partijen. De vader vindt dat de moeder zich moet houden aan deze afspraak. De moeder heeft de door haar gestelde noodzaak ook onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de moeder beperkte woonruimte had, creëert nog geen acute noodzaak voor verhuizing. Zij had de mogelijkheid om naar een woning in de regio te verhuizen of had moeten zoeken naar een andere oplossing. De minderjarige had ook bij de vader kunnen gaan wonen. Dat de nieuwe partner van de moeder over woonruimte beschikt, maakt niet dat de verhuizing van de minderjarige de enige oplossing was. Het gezinsleven met de nieuwe partner van de moeder wordt nu belangrijker gevonden dan de belangen van de vader en de continuïteit van de opvoedingssituatie van de minderjarige. Het belang van de minderjarige om in haar vertrouwde omgeving op te groeien, is door de rechtbank onvoldoende zwaar gewogen. De minderjarige is geboren en getogen in de omgeving van [plaats 2] en heeft daar haar sociale contacten en familieleden. De minderjarige heeft in het verleden moeite gehad met veranderingen. Het afscheid nemen van haar bekende omgeving brengt spanning en onzekerheid mee en is erg ingrijpend voor de minderjarige. De vader betwist dat de verhuizing naar [plaats 1] geen gevolgen heeft voor de huidige zorgregeling. De minderjarige moet nu 45 minuten reizen om bij de vader te komen. Als de minderjarige in de toekomst behoefte krijgt aan flexibel contact met de vader is dit niet meer mogelijk door de verhuizing. Daarnaast biedt de moeder onvoldoende compensatie. De compensatie die de moeder aanbiedt, is vrijblijvend waardoor de vader geen enkele waarborg heeft. Zonder concrete regeling of afdwingbare toezegging blijft het onzeker of en hoe dit in de praktijk vorm krijgt. Het belang van de minderjarige vraagt dan ook om een vernietiging van de bestreden beschikking. Mocht het hof komen tot de beslissing dat de moeder niet hoeft terug te verhuizen, dan dient de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader te worden bepaald, zodat de minderjarige in haar vertrouwde omgeving kan blijven. Zij zal dan terugkeren naar haar oude basisschool en een co-ouderschapsregeling met de moeder krijgen. Mocht het hof oordelen dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van de minderjarige is, dan dient de vader een ruimere zorgregeling te hebben dan de zorgregeling die thans is vastgesteld.
De moeder brengt naar voren dat de rechtbank terecht vervangende toestemming voor de verhuizing heeft verleend. Het werkplan dat door de vader is ingediend, is om een reden niet ondertekend en dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten. De afspraken die partijen samen hebben gemaakt, zijn opgenomen in het ouderschapsplan en hierin staat niks opgenomen over een verhuizing. Omdat de moeder met de minderjarige in een te kleine woning woonde, waar zij noodgedwongen samen een slaapkamer moesten delen, was zij al jaren op zoek naar een geschikte woning. De moeder is echter nooit voor een passende woning in de regio [plaats 2] in aanmerking gekomen. De nieuwe partner van de moeder woont in [plaats 1] en de moeder en de minderjarige konden bij hem intrekken. De moeder heeft het recht om een gezinsleven met haar nieuwe partner op te bouwen. De partner kon zelf niet naar de regio [plaats 2] verhuizen, omdat hij gebonden is aan een zorgregeling en werk. Inmiddels is de moeder met de minderjarige verhuisd naar [plaats 1] en dit is goed gegaan. De minderjarige heeft het naar haar zin op haar nieuwe school, zij heeft vriendinnen gemaakt en zij is aan de omgeving gewend. De verhuizing heeft geen gevolgen gehad voor de zorgregeling tussen de vader en de minderjarige en deze wordt nog steeds overeenkomstig de afspraken uitgevoerd. Het enige verschil is dat de vader de minderjarige nu op woensdagochtend vanuit zijn woonplaats naar school moet brengen in [plaats 1] . De minderjarige verbleef nooit buiten de afgesproken tijden bij de vader. De moeder heeft daarnaast ook compensatie aangeboden, in die zin dat zij een voorstel aan de vader heeft gedaan om meer zorg te dragen voor de minderjarige in de kortere vakanties en tijdens de studiedagen. Ook kan de moeder het brengen van de minderjarige op zich nemen. De vader heeft niet gereageerd op dit voorstel van de moeder. De verhuizing heeft geen nadeel opgeleverd voor de minderjarige zodat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Er is geen sprake van zwaarwegende belangen om de hoofdverblijfplaats te wijzigen naar de vader. Een co-ouderschapsregeling is niet in het belang van de minderjarige.
Vervangende toestemming verhuizing
Oordeel van het hof
Op grond van artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind en de schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing letten op alle omstandigheden van het geval die relevant kunnen zijn, en alle betrokken belangen afwegen, waaronder bijvoorbeeld:
het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;
de noodzaak om te verhuizen;
de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;
de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;
de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Het hof is, op basis van de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt die gronden – na eigen beoordeling en afweging – over. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel leiden. Het hof heeft bij zijn oordeel nog het volgende in aanmerking genomen.
Naar het oordeel van het hof heeft de moeder in beginsel een rechtens te respecteren belang om met de minderjarige en een nieuwe partner een gezinsleven op te bouwen, mits dit niet in onevenredige mate afbreuk doet aan de belangen van de vader. De moeder heeft een duurzame relatie met haar nieuwe partner en hij is gebonden aan [plaats 1] . Doordat de woning van de moeder niet meer geschikt was voor haar en de minderjarige, moest zij verhuizen naar een nieuwe woning. De noodzaak tot verhuizing was er dus sowieso. Zij heeft verder voldoende onderbouwd dat zij heeft geprobeerd om een geschikte woning te vinden in de omgeving, maar dit is niet gelukt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hieruit een voldoende noodzaak tot verhuizing naar [plaats 1] voortvloeit en dat het belang van de moeder bij verhuizing in de gegeven omstandigheden – waaronder het feit dat zij kon intrekken bij haar nieuwe partner die voldoende ruimte heeft in zijn woning – het zwaarste dient te wegen. Het hof merkt hierbij op dat er geen absolute noodzaak vereist is voor een verhuizing naar [plaats 1] . Inmiddels is de moeder met de minderjarige verhuisd naar [plaats 1] en uit dat wat de moeder heeft gesteld en de stukken die zij heeft overgelegd, blijkt dat het goed gaat met de minderjarige in [plaats 1] en dat zij het naar haar zin heeft op haar nieuwe school, waar zij sinds 1 september 2025 naar toegaat. Het hof betrekt ook in zijn oordeel dat de zorgregeling door de partijen wordt nagekomen en dat de verhuizing hier geen verandering in heeft gebracht. De huidige afstand tussen de woningen van partijen is weliswaar door de verhuizing toegenomen, maar naar het oordeel van het hof is die niet onoverbrugbaar. Dat deze afstand het regelmatig contact van de minderjarige met de vader zou belemmeren, is het hof dan ook niet gebleken. Bovendien heeft de moeder compensatie aangeboden voor de verhuizing, namelijk extra dagen in de kortere vakanties en studiedagen. De vader heeft op zitting aangegeven dat hij een eigen onderneming is gestart en flexibel is in het indelen van zijn eigen tijd, zodat dit voor hem tot de mogelijkheden zou moeten behoren. Daarbij wil de moeder het brengen van de minderjarige volledig voor haar rekening nemen. Het hof begrijpt dat het voor de vader absoluut niet gewenst is dat er door de verhuizing wellicht minder flexibiliteit in de zorgregeling is dan ervoor en dat hij vreest dat de verhuizing een belemmering vormt voor een mogelijke uitbreiding in de toekomst. Deze zorgen van de vader wegen echter niet zwaarder dan het belang van de moeder en de minderjarige bij de verhuizing naar [plaats 1] .
Gelet op het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing dient te worden toegewezen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.
Subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken vader
De vader heeft het hof verzocht, in het geval van bekrachtiging van de bestreden beschikking op het punt van de verhuizing, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op haar oude basisschool en tevens de zorgregeling te wijzigen in een co-ouderschapsregeling. Mocht het hof oordelen dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van de minderjarige is, verzoekt de vader meer subsidiair om een uitgebreidere zorgregeling vast te stellen.
Hoofdverblijfplaats
De vader heeft toegelicht dat bij een toewijzing van de vervangende toestemming voor verhuizing, hij het in het belang van de minderjarige vindt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal worden bepaald. Op deze manier kan de minderjarige alsnog opgroeien in haar vertrouwde omgeving. De moeder voert verweer tegen dit verzoek.
Nu het hof de beslissing van de rechtbank om vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met de minderjarige te verlenen, zal bekrachtigen, impliceert dat reeds dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder zal blijven. Anders is immers geen vervangende toestemming van de rechter vereist. Het hof is ook voorts van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd of gebleken dat een wijziging van het hoofdverblijf in het belang van de minderjarige is. De minderjarige heeft altijd haar hoofdverblijf gehad bij de moeder. De minderjarige is inmiddels met de moeder verhuisd naar [plaats 1] en uit de overgelegde stukken blijkt dat het daar goed met haar gaat en dat zij het naar haar zin heeft. Het hof zal het verzoek van de vader afwijzen en de bestreden beschikking te dien aanzien bekrachtigen.
Vervangende toestemming inschrijving school
Nu het hof het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing toewijst, en het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats afwijst, overweegt het hof dat het in het belang van de minderjarige is dat zij in haar nieuwe woonplaats naar school kan blijven gaan. Het is niet in haar belang dat zij bij in [plaats 1] woont, maar in [plaats 2] naar school gaat. Het hof zal dit verzoek van de vader afwijzen.
Zorgregeling
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat er op dit moment geen aanleiding is om de zorgregeling aan te passen. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat er in de huidige situatie continuïteit blijft bestaan in de zorgregeling, en niet nog meer grote wijzigingen plaatsvinden. Op dit moment bestaat er ook geen noodzaak voor een ingrijpende wijziging van de zorgregeling. Het hof begrijpt de wens van de vader om meer tijd met de minderjarige door te brengen, maar een co-ouderschapsregeling zal nu tot gevolg hebben dat zij in de week bij vader steeds ’s ochtends door de vader vanuit [plaats 2] naar school moet worden gebracht. Het hof acht deze extra reistijd niet in het belang van de minderjarige. Het hof komt tot ditzelfde oordeel ten aanzien van het meer subsidiaire verzoek van de vader. Daarnaast is op de zitting gebleken dat de door de vader verzochte zorgregeling in zijn meer subsidiaire verzoek niet overeenkomt met zijn eigen wensen en dient te worden afgestemd op zijn eigen nieuwe gezinssituatie. Het is voor het hof dan ook niet mogelijk om vast te stellen welke regeling nu werkelijk gewenst is voor partijen en ook haalbaar is. Het hof overweegt dat partijen gezamenlijk in overleg kunnen treden ten aanzien van een mogelijke aanpassing of uitbreiding van de zorgregeling. Het hof gaat er daarbij vanuit dat moeder haar eerdere aanbod van extra dagen sowieso gestand doet, alsmede haar aanbod om een deel van het halen of brengen voor haar rekening te nemen, en dat zij daarbij welwillend mee zal kijken naar de mogelijkheden van de vader, bijvoorbeeld door de minderjarige naar de vader te brengen op de dinsdag in plaats van de woensdag indien dit beter aansluit bij het werkrooster van de vader. Het hof zal daarom deze verzoeken van de vader afwijzen.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.F. Mollema, C.S.F. de Nijs en G.V. van Campen, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 11 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.