ECLI:NL:GHDHA:2026:577

ECLI:NL:GHDHA:2026:577

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 22-003625-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Belediging ministers door politicus met bewerkte afbeelding op Twitter. Nazi-vlag. Artikel 266 Sr. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging. Artikel 6 EVRM. Beroep op gelijkheidsbeginsel en beroep op vrijheid van meningsuiting verworpen. Artikel 10 EVRM. Geldboete.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003625-24

Parketnummer: 09-073714-23

Datum uitspraak: 14 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 oktober 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 450,00, subsidiair 9 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar. Voorts is de eerder tegen de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 september 2022 te ‘s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en/of [slachtoffer 2] (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) in het openbaar schriftelijk heeft beledigd, door een bericht op zijn, verdachtes, (openbare) Twitteraccount te plaatsen, met daarin een bewerkte foto waarop die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn afgebeeld met/bij een nazivlag en/of terwijl zij een nazivlag hijsen;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 september 2022 te ‘s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 1] (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en/of [slachtoffer 2] (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft aangerand door telastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door een bericht op zijn, verdachtes, (openbare) Twitteraccount te plaatsen, met daarin een bewerkte foto waarop die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn afgebeeld met/bij een nazivlag en/of terwijl zij een nazivlag hijsen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich – overeenkomstig de overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging. Daartoe is aangevoerd, kort samengevat, dat het handelen van het Openbaar Ministerie in strijd is met de beginselen van een goede procesorde – in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel – en dat daarmee het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt geschonden. Volgens de verdediging is er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel door – kort gezegd – de verdachte wel te vervolgen, terwijl het Openbaar Ministerie in soortgelijke gevallen niet tot vervolging over is gegaan. In dit verband heeft de verdediging verwezen naar beledigende of anderszins negatieve uitingen die door anderen zijn gedaan jegens de verdachte of jegens andere leden van de Tweede Kamer.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van soortgelijke gevallen, zijn de gebruikte bewoordingen van de uitlating en de omstandigheden waaronder de uitlating is gedaan van belang. In de door de verdediging genoemde gevallen gaat het telkens om uitlatingen die in andere vorm en/of andere bewoordingen zijn gedaan dan die aan de verdachte ten laste zijn gelegd en/of waarbij de situationele omstandigheden rond die uitlatingen van elkaar verschillen. Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een zodanige overeenstemming van zaken, dat moet worden geconcludeerd dat de door de verdediging aangehaalde uitlatingen op één lijn met de aan de verdachte verweten uitlatingen moeten worden gesteld. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is reeds daarom geen sprake.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat (verdere) vervolging van de verdachte onverenigbaar moet worden geacht met het gelijkheidsbeginsel. Ook voor het overige bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het Openbaar Ministere niet-ontvankelijk zou zijn vanwege onverenigbaarheid met de beginselen van een goede procesorde en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het verweer wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of om>mm>streeks 24 septem>mm>ber 2022 te ‘s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] (m>mm>inister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en/of [slachtoffer 2] (m>mm>inister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) in het openbaar schriftelijk heeft beledigd, door een bericht op zijn, verdachtes, (openbare) Twitteraccount te plaatsen, m>mm>et daarin een bewerkte foto waarop die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn afgebeeld m>mm>et/bij een nazi-vlag en/of terwijl zij een nazi-vlag hijsen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Vaststelling van de feiten

Op grond van de wettige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het navolgende vast:

Op 23 september 2022 om 14:50 uur is door het Twitteraccount [accountnaam] van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een bericht op Twitter geplaatst met de tekst: “Een gezonde en leefbare planeet voor iedereen, daar kunnen we als ministerie én zorgsector samen aan werken. Daarom moeten we de Sustainable Development Goals in 2030 halen. Vanochtend hees ik met minister van SZW [accountnaam] de SDG-vlag om onze ambities te onderstrepen.” Bij dit bericht was een foto geplaatst waarop te zien is dat minister [slachtoffer 1] (VWS) een vlag van de Sustainable Development Goals (SDG) hijst in het bijzijn van minister [slachtoffer 2] van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Hierop heeft de verdachte die dag om 20:06 uur met gebruikmaking van zijn openbare Twitteraccount [accountnaam verdachte] een eerste reactie geplaatst met de tekst: “Ze hijsen de Great Reset vlag, dat doen Nederlandse ministers namelijk graag.”

Andere personen hebben vervolgens onder meer de volgende reacties op Twitter geplaatst:

Op 23 september 2022 om 21.16u: “Nazi 2.0”;

Op 23 september 2022 om 23:556 uur: “WEF nazi rat (…) voor het tribunaal jij!”

Op 24 september 2022 om 07:11 uur: “Bedankt [naam slachtoffer 1]. Nu weten we zeker dat je de Nazi’s steunt. Je mag het straks allemaal uitleggen voor het tribunaal. Dan lach je niet meer.”

Op 24 september 2022 om 18.57 uur: “De nieuwe nazi vlag”.

Vervolgens heeft de verdachte op 24 september 2022 om 21:00 uur wederom met zijn Twitteraccount een reactie geplaatst (hierna ook: het bericht) met de tekst: “De façade en de werkelijkheid: # SDGs” waaronder twee afbeeldingen naast elkaar zijn geplaatst: links de oorspronkelijke afbeelding en rechts een bewerkte versie van dezelfde afbeelding, waarbij de vlag is vervangen door een rode vlag met daarop een swastika: een nazi-vlag.

Het Twitteraccount van de verdachte had op 25 september 2022 ongeveer 61.000 volgers. Het bericht van de verdachte van 24 september 2022 is op 25 september 2022 door de verdachte van zijn tijdlijn verwijderd en vervangen door een aangepast bericht, waarbij op de rechter afbeelding de nazi-vlag is vervangen door een communistische vlag. Inmiddels hadden verschillende Twitteraccounts het bericht al geretweet of op andere wijze verder verspreid. Ook waren afbeeldingen van het bericht via meerdere zoekmachines en op verschillende openbare websites terug te vinden.

De ministers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna ook: de ministers) hebben naar aanleiding van het bericht van de verdachte van 24 september 2022 beiden aangifte gedaan van belediging. Beiden hebben daarin aangegeven dat in dit bericht aan hen de eigenschap wordt toegedicht het zijn van of sympathiseren met nazi’s, waardoor hun reputatie, eer en goede naam is aangetast.

Beoordeling van het beledigende karakter en het opzet

Het hof is van oordeel dat het door de verdachte op 24 september 2022 geplaatste bericht een onmiskenbaar beledigend karakter heeft, doordat het suggereert dat de betreffende ministers nazi’s zijn of sympathiseren met het nazi-gedachtegoed. De strekking van de bewerkte afbeelding, waarin deze ministers de nazi-vlag hijsen, kan bezwaarlijk anders worden gezien. Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen. De omstandigheid dat naast deze bewerkte afbeelding de oorspronkelijke (echte) afbeelding met de SDG-vlag is geplaatst doet aan dit oordeel niet af, temeer nu de daarboven geplaatste tekst beweert dat de oorspronkelijke afbeelding (met de SDG-vlag) een façade betreft en dat de bewerkte afbeelding (met de nazi-vlag) de werkelijkheid verbeeldt. Het door de verdachte geplaatste bericht heeft daarmee de strekking de ministers aan te randen in hun eer of goede naam en moet daarom als beledigend jegens deze ministers worden aangemerkt.

Het beledigende karakter van het betreffende bericht wordt nog eens versterkt door de context waarin het bericht is geplaatst, te weten de voorafgaande berichten van andere personen, waarin minister [slachtoffer 1] met zoveel woorden is uitgemaakt voor nazi of iemand die nazi’s steunt. Ook dragen hieraan nog bij de omstandigheden dat de getroffen personen als ministers een publiek ambt bekleden, dat de uiting is gedaan in het openbaar via een bericht op Twitter met een groot bereik en dat het Twitterbericht zich naar zijn aard leent voor verdere verspreiding, zoals ook heeft plaatsgevonden.

Dit alles in aanmerking nemende is het hof voorts van oordeel dat het plaatsen van het bericht door de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op belediging gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg (de belediging van de ministers) bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken. Verdachtes enkele ontkenning achteraf dat dit bericht beledigend was bedoeld, kan niet als een zodanige contra-indicatie gelden. Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte ten tijde van het plaatsen van het bericht minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het beledigen van de ministers.

Bespreking van het verweer

De raadsman heeft, op gronden zoals nader in de pleitnota vermeld, bepleit dat een veroordeling ter zake van belediging het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in onder meer artikel 10 EVRM zou schenden.

Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof het volgende voorop.

Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting, dat voor een deel ook in artikel 266 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) tot uitdrukking is gebracht, staat aan een strafrechtelijke veroordeling wegens eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 Sr niet in de weg, als zo'n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.

Daarvan is in de regel sprake bij uitlatingen die aanzetten tot geweld, haat of discriminatie en onverdraagzaamheid, of uitlatingen die om andere redenen strijdig zijn met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.

Als het gaat om andere uitlatingen moet de strafrechter – mede in het licht van de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over artikel 10 EVRM – bij de beoordeling van de strafbaarheid van een uitlating wegens eenvoudige belediging in voorkomend geval rekening houden met (i) de bewoordingen van die uitlating en de vraag of sprake is van een waardeoordeel of een feitelijke beschuldiging, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, waaronder ook (de functie van) de persoon die de uitlating deed en (de functie van) de persoon op wie de uitlating betrekking heeft, (iii) de manier van openbaarmaking van de uitlating, (iv) de vraag of de uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie, en (v) de vraag of de uitlating onnodig grievend is.

Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, moet, als het gaat om een uitlating door een politicus in het kader van het publiek debat – het politieke debat daaronder begrepen – onder ogen worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.

Tot slot moet de strafrechter zich ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden als geheel – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting (vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541 en HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:171).

Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de verdachte een bericht geplaatst met een onmiskenbaar beledigend karakter, doordat het suggereert dat de betreffende ministers nazi’s zijn of sympathiseren met het nazi-gedachtegoed. De verdediging heeft in deze procedure gesteld noch onderbouwd dat dit werkelijk het geval is. Integendeel, de verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat iedereen weet dat de ministers geen nazi’s zijn. Het bericht betreft daarom geen op feiten gebaseerde bijdrage aan het publieke debat en strekt er niet toe een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, maar moet worden aangemerkt als een ongefundeerde persoonlijke aanval op de beide personen. Het hof betrekt bij dit oordeel tevens de hiervoor beschreven context waarin en de omstandigheden waaronder de uitlating is gedaan, alsmede dat gesteld noch gebleken is dat de uitlating een uiting van artistieke expressie betrof.

Nu met dit bericht geen zaak van algemeen belang aan de orde is gesteld, maar het bericht als een ongefundeerde persoonlijke aanval op beide ministers moet worden aangemerkt, kan de omstandigheid dat de verdachte een politicus is niet tot een ander oordeel leiden.

Het argument van de verdediging, kort samengevat inhoudende dat de verdachte met het bericht een bijdrage wilde leveren aan het publieke debat door inhoudelijke kritiek te leveren op de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties en/of op het poseren door ministers met de SDG-vlag, wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof had het bericht een andere strekking, die louter grievend was, terwijl niet valt in te zien dat die grievende strekking nodig was voor het leveren van de gestelde inhoudelijke kritiek.

Het voorgaande leidt tot het oordeel van het hof dat het bericht van de verdachte niet valt onder de bescherming van artikel 10 EVRM en dat het kan worden aangemerkt als een strafbare belediging als bedoeld in artikel 266, eerste lid, Sr.

Het door de verdediging gevoerde verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan belediging van twee ministers, door op Twitter een bericht te plaatsen met een bewerkte afbeelding, waarop de toenmalig minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het bijzijn van de toenmalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een nazi-vlag lijkt te hijsen, daarmee suggererend dat de betreffende ministers nazi’s zijn of sympathiseren met het nazi-gedachtegoed. Dit terwijl daarvoor geen enkele feitelijke onderbouwing, noodzaak of rechtvaardiging bestond. Het was een ongefundeerde persoonlijke aanval op deze ministers. Hiermee heeft de verdachte de grenzen van wat in een democratische samenleving toelaatbaar is overschreden en de eer en goede naam van beide ministers aangerand.

Dit valt de verdachte aan te rekenen, temeer nu de uitlating is gedaan via Twitter, een openbaar en voor een breed publiek toegankelijk platform. Verdachte beschikte bovendien over een groot aantal volgers, waardoor de uitlating een aanzienlijk bereik heeft gehad. Het Twitterbericht leende zich naar zijn aard voor verdere verspreiding, hetgeen in de relatief korte tijd dat het op de tijdlijn van de verdachte heeft gestaan ook meermalen heeft plaatsgevonden. Ten slotte kan een dergelijke belediging, gepleegd door een politicus en gericht tegen twee politieke ambtsdragers, het aanzien van de politiek en deze ministers en daarmee de werking van het democratische bestel en het openbaar bestuur schaden.

Het hof weegt mee dat de verdachte ook in hoger beroep geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 25 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat het handelen van de verdachte het opleggen van een geldboete ter grootte van het in eerste aanleg opgelegde bedrag ruimschoots rechtvaardigt. Mede gelet op de vordering van de advocaat-generaal zal het hof daarmee volstaan. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om deze geldboete voorwaardelijk op te leggen. Ook het belang van het voorkomen van een “chilling effect” als hiervoor genoemd noopt daar niet toe. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de geldboete rekening gehouden met hetgeen omtrent de draagkracht van de verdachte is gebleken.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 450,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vier dagen hechtenis (conform de per januari 2026 gehanteerde maatstaf), een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24c, 57 en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 13 april 2023 onder [CJIB- nummer].

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, mr. V. Mul en mr. M.C. Bruining in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 april 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. V. Mul en mr. M.C. Bruining in bijzijn van de

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?