Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002452-24
Parketnummer: 09-299634-23
Datum uitspraak: 27 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 juli 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
adres: [adres] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 maart 2022 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, in [een dansgelegenheid] , gelegen aan [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten tegen [het slachtoffer] door [het slachtoffer] te duwen en/of bij de keel vast te pakken en/of in die keel te knijpen en/of [het slachtoffer] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsoverweging
Ter zitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers op elkaar zijn afgestemd en daardoor onbetrouwbaar zijn en dat de beschrijving van de tatoeage niet overeen komt met de tatoeage van [de medeverdachte] .
Anders dan de verdediging acht het hof de verklaringen van de aangevers zoals afgelegd bij de politie en bij de raadsheer-commissaris betrouwbaar. De aangevers hebben consistent verklaard over de tenlastegelegde geweldshandelingen en hun verklaringen vinden steun in de andere bewijsmiddelen, zoals de verklaring van de verdachte (over het Mona Lisa-shirt) en het letsel van [het slachtoffer] . Dat de aangevers met elkaar hebben gesproken over het gebeurde maakt hun verklaringen niet reeds daarom onbetrouwbaar, mede in aanmerking genomen dat de verdediging hun daarover heeft kunnen bevragen bij de raadsheer-commissaris.
Ten aanzien van de tatoeage overweegt het hof als volgt. [het slachtoffer] heeft verklaard over een tatoeage van een zwarte ‘schopper’ (het hof begrijpt: de kleur schoppen in het kaartspel) in de nek van een de geweldplegers. Uit de waarneming van het hof ter zitting in hoger beroep van de door de raadsman overgelegde foto is gebleken dat [de medeverdachte] een tatoeage van een zwarte kroon in zijn nek heeft. De vorm en kleur van deze kroon komen echter overeen met de vorm en kleur van een schoppen. In samenhang bezien met het feit dat weinig mensen een dusdanig opvallende tatoeage in hun nek hebben en overigens de getuigen [de medeverdachte] los van de tatoeage ook herkennen op een foto genomen op de bewuste avond, is het hof van oordeel dat daar waar de aangever spreekt over de man met de tatoeage van een zwarte schoppen in zijn nek, hij doelt op [de medeverdachte] .
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 13 maart 2022 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, in [een dansgelegenheid] , gelegen aan [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten tegen [het slachtoffer] door [het slachtoffer] te duwen en/of bij de keel vast te pakken en/of in die keel te knijpen en/of [het slachtoffer] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich in de nacht van 13 maart 2022 tezamen en in vereniging met [de medeverdachte] schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in een uitgaansgelegenheid. Als gevolg van het buitensporig agressieve handelen van de verdachte en [de medeverdachte] heeft [het slachtoffer] wonden in het aangezicht (boven zijn wenkbrauw) opgelopen, drie moesten worden gehecht. Ook heeft [het slachtoffer] zich enige tijd minder kunnen concentreren en sliep hij slecht. [het slachtoffer] heeft nog steeds last van een zichtbaar litteken in zijn gelaat, verminderde concentratie en vergeetachtigheid. Het handelen van de verdachte en [de medeverdachte] heeft daarmee zowel een fysieke als een mentale impact op [het slachtoffer] gehad. Ook omstanders zijn met voornoemd geweld geconfronteerd, hetgeen ook voor hen een beangstigende gebeurtenis kan zijn geweest.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt een taakstraf ter hoogte van 150 uren vermeld. Het hof acht dit ook in dit geval een passende en geboden reactie en zal deze straf opleggen, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 15.000,-.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft het hof zich gebaseerd op de Rotterdamse schaal, categorie 9.2, sub e (geringe littekenvorming) en gaat uit van een schadevergoeding van bedrag van € 2.000,-. Het hof heeft de aanbevelingen bij de Rotterdamse schaal in acht genomen en zal de schadevergoeding met een kwart verhogen, nu er sprake is van opzet. De vordering leent zich aldus – naar maatstaven van billijkheid – voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van [het slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [het slachtoffer] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Vordering van [de benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [het slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [het slachtoffer] niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of [de medeverdachte] aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 13 maart 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, mr. J. Candido en mr. B.W. Mulder in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 maart 2026.
Mr. R. Brand is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.