ECLI:NL:GHDHA:2026:579

ECLI:NL:GHDHA:2026:579

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 22-001913-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:8391

Samenvatting

Vrijspraak moord dan wel doodslag. Overwegingen causaliteit. Bewezenverklaring poging doodslag door het met kracht samendrukken en enige tijd samengedrukt houden van de hals. Noodweerverweer. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf voor de duur van 7,5 jaar alsmede tbs met verpleging van overheidswege.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-001913-23

Parketnummer: 09-002603-22

Datum uitspraak: 13 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I. Haaglanden (PPC) te 's-Gravenhage.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair impliciet subsidiair (doodslag) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Ook is de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging opgelegd. Voorts is beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en zijn beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 3 januari 2022 te Wassenaar, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte

- ( met kracht) de keel/hals van die [naam slachtoffer] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of omsnoerd en/of

- ( vervolgens) de keel/hals van die [naam slachtoffer] enige tijd samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of omsnoerd gehouden,

althans op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [naam slachtoffer] gedurende lange(re) tijd afgesloten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 3 januari 2022 te Wassenaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven,

- ( met kracht) de keel/hals van die [naam slachtoffer] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of omsnoerd heeft en/of

- ( vervolgens) de keel/hals van die [naam slachtoffer] enige tijd samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of omsnoerd heeft gehouden,

althans op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [naam slachtoffer] gedurende lange(re) tijd afgesloten heeft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair impliciet subsidiair (doodslag) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest en tot oplegging van de maatregel tot tbs met dwangverpleging.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Algemene inleiding

De gebeurtenissen tussen 1 en 3 januari 2022

Op 3 januari 2022 is in een kamer in een Van der Valk-hotel te Wassenaar het levenloze lichaam van [naam slachtoffer] (hierna ook: [naam slachtoffer]) aangetroffen. In de kamer en aan het lichaam van [naam slachtoffer] waren sporen van geweld zichtbaar en de schouwarts heeft dan ook geconcludeerd dat er sprake was van een niet-natuurlijke dood. Vervolgens heeft er sectie plaats gevonden op het lichaam en is nader pathologisch en toxicologisch onderzoek gevolgd. Daaruit is gebleken dat er naast toegepast fysiek geweld ook sprake was van een potentieel dodelijke hoeveelheid cocaïne in het lichaam van [naam slachtoffer].

De kernvraag in deze zaak is of aan de verdachte (de partner van [naam slachtoffer]) die die nacht ook aanwezig was in de hotelkamer en die, naar eigen zeggen, in gevecht is geraakt met haar, de dood van [naam slachtoffer] kan worden toegerekend, gelet op het daarvoor te bewijzen causaal verband tussen zijn handelen en haar dood. Leidde het door hem toegepaste fysieke geweld tot haar dood? Verder moet, als het zou komen tot een bewezenverklaring, de vraag beantwoord worden of de verdachte, zoals hij heeft gesteld, uit zelfverdediging heeft gehandeld.

Getuigenverzoeken

Het hof stelt vast dat er in de nacht van 1 januari 2022 op 2 januari 2022 in het Van der Valk te Wassenaar een fysieke confrontatie is geweest tussen de verdachte en [naam slachtoffer]. Dat is ook door de verdachte niet bestreden. Wat er ook zij van de door de verdachte gestelde aanleiding van deze confrontatie, voor de beoordeling van de gebeurtenissen, het strafrechtelijk verwijt dat de verdachte wordt gemaakt en de gevoerde verweren is het naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk om over die gestelde aanleiding nader voorgelicht te worden door enige getuige(n), zoals door de raadsman ter zitting is verzocht.

Vrijspraak voorbedachte raad

In hoger beroep is de vraag of sprake is geweest van voorbedachte raad niet meer aan de orde geweest. Met de rechtbank en overeenkomstig het gestelde door het openbaar ministerie en de verdediging is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte planmatig handelde. Van (poging) moord dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe onder andere aangevoerd dat er een causaal verband bestaat tussen het overlijden van [naam slachtoffer] en de geweldshandelingen van de verdachte omdat deze geweldshandelingen een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid. [naam slachtoffer] was immers tot de verwurging bij bewustzijn en daarna niet meer, en het is aannemelijk dat de dood met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid mede door die handelingen is veroorzaakt gelet op het door de verdachte toegepaste samendrukkende geweld op de hals van [naam slachtoffer].

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft, evenals in eerste aanleg, vrijspraak bepleit voor de tenlastegelegde doodslag.

Beoordeling door het hof

Om tot een bewezenverklaring te komen van de doodslag die de verdachte ten laste is gelegd, moet de vraag worden beantwoord of een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld en het overlijden van het slachtoffer. Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van verdachte (het door hem toegepaste geweld) aan verdachte kan worden toegerekend (zie verder hieronder voor het toegepaste juridisch kader voor die toerekeningsbeslissing). Het hof zet eerst een aantal feiten en omstandigheden op een rij die van belang zijn voor de vaststelling welke oorzaak of oorzaken hebben geleid tot het overlijden van [naam slachtoffer].

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Handelingen verdachte

Niet ter discussie staat dat de verdachte en [naam slachtoffer] op 1 januari 2022 om 13:52 uur bij het Van der Valk-hotel te Wassenaar hebben ingecheckt. De verdachte heeft verklaard dat hij en [naam slachtoffer] die avond in de hotelkamer ruzie hebben gekregen die op een hevige vechtpartij is uitgelopen. Dit moet na 19:51 uur zijn geweest, het moment waarop [naam slachtoffer] voor het laatst door een ander dan de verdachte, een medewerker van het hotel, levend is gezien. Tijdens de vechtpartij heeft de verdachte naar eigen zeggen een nekklem bij [naam slachtoffer] aangelegd om haar rustig te krijgen, waarna zij ‘out’ is gegaan.

De verdachte heeft op 2 januari 2022 omstreeks 00:13 uur in zijn eentje het hotel via een nooddeur verlaten. Hij is daarna naar hun gezamenlijke woning in Den Haag gegaan. Op 2 januari 2022 omstreeks 00:22 uur is de telefoon van [naam slachtoffer] aangemeld bij de router in die woning. Deze telefoon is later niet meer aangetroffen. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij deze telefoon heeft weggegooid in de sloot achter zijn huis. Een minuut later is de telefoon van de verdachte bij diezelfde router aangemeld. Omstreeks 01:05 uur heeft de verdachte een bericht naar een vriend gestuurd dat hij hem dringend moest spreken, ongeveer 5 uur later heeft de verdachte naar deze vriend de mededeling gestuurd: “nu. Ik heb een ziek groot probleem”. Ruim een uur na 01:05 uur op 2 januari 2022 heeft de verdachte geprobeerd om via de nooddeur het hotel weer binnen te komen. Dit is vanwege het nachtslot niet gelukt, waarna de nachtportier de verdachte heeft binnengelaten. De verdachte heeft verklaard dat hij toen hij terugkwam [naam slachtoffer] nog op dezelfde plek lag als toen hij wegging. Hij heeft wisselend verklaard over het moment waarop hij haar nog heeft zien bewegen na het ‘out’ gaan.

Omstreeks 06:04 uur op 2 januari 2022 is de verdachte voor het laatst op camerabeelden van het hotel te zien.

Rond 08:00 uur op 2 januari 2022 heeft de verdachte de receptie van het hotel gebeld met de vraag om de boeking van de hotelkamer te verlengen. Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte is gebleken dat hij, nog voordat het lichaam van [naam slachtoffer] was ontdekt, op 3 januari 2022 in de vroege ochtend, zoekslagen heeft verricht op het internet (“moord den haag” en “wassenaar moord”). [naam slachtoffer] is op 3 januari 2022 omstreeks 12:00 uur door een schoonmaakmedewerker van het hotel aangetroffen op de hotelkamer. [naam slachtoffer]was toen overleden. Zij lag op de grond naast het bed, grotendeels bedekt onder een matrastopper, lakens en een kussen. De verdachte is op 3 januari 22:50 uur aangehouden op Schiphol met een rolkoffer met kleding.

Forensisch onderzoek

Het hof heeft acht geslagen op onder meer:

Uit het forensisch pathologisch onderzoek volgt dat bij de sectie van het lichaam uitwendig en inwendig letsel aan de hals van [naam slachtoffer]is geconstateerd, met onder meer een breuk van het tongbeen en het schildkraakbeen aan de rechterzijde alsook het ringkraakbeen. Verder was er een stuwing aan het hoofd en waren er aan de huid van het gelaat, aan het slijmvlies van de mond, beiderzijds in het oogwit en in de bindvliezen van beide ogen enkele rode stipvormige bloeduitstortingen ('petechiën'). De rotsbeenderen van de schedel waren beiderzijds gestuwd.

Uit het toxicologisch onderzoek volgt dat in het femoraalbloed een cocaïne concentratie is gemeten van 11 mg/l. Het betreft een zeer hoge concentratie en het overlijden van [naam slachtoffer] kan volgens de apotheker-toxicoloog worden verklaard door een cocaïne-intoxicatie, waarbij toxische effecten kunnen zijn opgetreden zoals hyperthermie en nadelige effecten op het hart.

Volgens de forensisch patholoog kan samendrukkend geweld op de hals (en de halsvaten) leiden tot zuurstofgebrek van de hersenen (‘cerebrale hypoxie’/verstikking). De bevindingen van stuwing van het hoofd met de petechiën en ook de stuwing van de rotsbeenderen van de schedel kunnen passen bij het afklemmen van de halsvaten. De conclusie van het forensisch pathologisch onderzoek is dat het overlijden wordt verklaard door intoxicatie met (een hoge concentratie) cocaïne, waarbij mogelijk de samendrukkende krachtinwerking aan de hals een bijdrage heeft geleverd aan het overlijden.

Door de apotheker-toxicoloog en de forensisch patholoog is aanvullend gerapporteerd in de Consultatie toxicologie en het Aanvullend bericht.

Volgens de apotheker-toxicoloog heeft een cocaïne intoxicatie geen invloed op het proces van samendrukkende krachtsinwerking. Wel kan een samendrukkende krachtsinwerking (verwurging) leiden tot zuurstofgebrek en kan zuurstofgebrek in combinatie met een cocaïne intoxicatie leiden tot (aanvullend risico op) hartritmestoornissen.

In reactie op de vraag of de samendrukkende krachtsinwerking aan de hals (verwurging) op zichzelf ook het overlijden kan verklaren heeft de forensisch patholoog in het aanvullend bericht aangegeven dat de krachtsinwerking aan de hals ook het overlijden kan verklaren, maar dat hij geen objectiveerbare argumenten heeft om te stellen dat dit het geval is geweest.

Op de vraag of iets gezegd kan worden over de mate van waarschijnlijkheid met betrekking tot de doodsoorzaak heeft de forensisch patholoog aangegeven dat hij uitspraken kan doen over de waarschijnlijkheid van zijn bevindingen, gegeven een drietal hypothesen: De bevindingen zijn even waarschijnlijk aan te treffen gegeven H2 (cocaïne-intoxicatie is de doodsoorzaak) als H3 (de combinatie van verwurging en cocaïne-intoxicatie is de doodsoorzaak). De bevindingen zijn veel waarschijnlijker aan te treffen gegeven H3 (de combinatie van verwurging en cocaïne-intoxicatie is de doodsoorzaak) dan H1 (verwurging is de doodsoorzaak). Alsook: de bevindingen zijn veel waarschijnlijker aan te treffen gegeven H2 (cocaïne-intoxicatie is de doodsoorzaak) dan H1 (verwurging is de doodsoorzaak).

Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben beide getuige-deskundigen hun rapporten mondeling toegelicht. De apotheker-toxicoloog heeft verklaard dat de hoeveelheid aangetroffen cocaïne in het lichaam van [naam slachtoffer] heel hoog was en potentieel dodelijk. De forensisch patholoog heeft nader toegelicht dat van de twee potentiële doodsoorzaken de overdosis cocaïne vrijwel zeker tot de dood leidt en de krachtinwerking aan de hals mogelijk tot de dood leidt. Hij heeft daarnaast verklaard dat het van belang is om te beseffen dat er twee doodsoorzaken onafhankelijk van elkaar maar wel tegelijk kunnen bestaan. De forensisch patholoog heeft verder verklaard dat de krachtinwerking wel van belang kan zijn, maar dat het enige objectieve gegeven de toxicologische verklaring is. Als je daar de a-priori kansen bijvoegt, dan gaat de kans dat de hoge concentratie cocaïne in het lichaam de doodsoorzaak was naar beneden, en de kans dat de krachtsinwerking de doodsoorzaak was omhoog. De forensisch patholoog heeft ter zitting voorts verklaard dat een en ander op de kansverhouding tussen zijn hypothesen (de hierboven genoemde H1, H2 en H3) geen invloed heeft.

De conclusie die het hof trekt uit het voorgaande is dat wat betreft de deskundigen niet kan worden vastgesteld wat de meer waarschijnlijke oorza(a)k(en) is/zijn geweest van het overlijden van [naam slachtoffer]. Dit kan zijn geweest door (alleen) cocaïne-intoxicatie, dan wel door een cocaïne-intoxicatie in combinatie met het door de verdachte toegepaste geweld op de hals (verwurging). Het een is ongeveer even waarschijnlijk als het ander. Het is nu aan het hof om vast te stellen of onder deze omstandigheden de dood van [naam slachtoffer] desalniettemin kan worden toegerekend aan de verdachte.

Juridisch kader causaal verband

Nu in dit geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor moet zijn geweest voor het ingetreden gevolg (de dood), is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat (1) het handelen van de verdachte een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het overlijden van [naam slachtoffer] hebben geleid, en (2) voorts dat aannemelijk is dat het overlijden van [naam slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door dat handelen is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. HR 20 september 2005, LJN AT8303, NJ 2006/86, rov. 3.5). Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (vgl. Hoge Raad 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362).

Beoordeling hof doodslag

Het hof overweegt dat in het onderhavige geval, gelet op hetgeen de deskundigen hebben verklaard, niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte in de keten van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het overlijden van [naam slachtoffer] een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg.

Deze constatering leidt tot de volgende vraag, namelijk of haar dood desalniettemin in redelijkheid aan hem kan worden toegerekend. Daarbij betrekt het hof, gelet op voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, de vraag in hoeverre aannemelijk is geworden dat andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. Met andere woorden: is het in casu aannemelijk dat niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken (lees: de ‘overdosis’ cocaïne) hoogstwaarschijnlijk niet tot het overlijden van [naam slachtoffer] zouden hebben geleid? Op basis van de verklaringen van de deskundigen kan niet met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid worden vastgesteld dat de krachtinwerking op de hals van [naam slachtoffer] op zichzelf, dan wel in combinatie met cocaïne-intoxicatie haar overlijden heeft veroorzaakt. Het hof kan derhalve niet vaststellen dat het niet hoogstwaarschijnlijk is dat de cocaïne intoxicatie niet heeft geleid tot de dood. Het is immers even waarschijnlijk dat alleen de cocaïne intoxicatie geleid heeft tot de dood als dat de cocaïne intoxicatie in combinatie met de verwurging heeft geleid tot de dood. De verklaringen van de verdachte over hoe het is gegaan die nacht in de hotelkamer veranderen daar niets aan. Dat hijzelf mogelijk dacht dat ze was overleden, is niet doorslaggevend. Hij heeft ook verklaard dat hij haar nadat ze ‘out’ ging nog heeft zien bewegen. Zo blijft de mogelijkheid open dat hij haar weliswaar levensgevaarlijk heeft belaagd, maar dat de doodsoorzaak toch de cocaïne-intoxicatie was. Hier zal het hof hieronder bij de bespreking van de poging doodslag nog nader op ingaan.

Naar het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair impliciet subsidiair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Dit oordeel maakt dat het hof moet beoordelen of de verdachte het subsidiair impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Alternatief scenario

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het primaire feit (de doodslag) dat de verdachte ten laste is gelegd nog aangevoerd dat de verdachte een beroep toekomt op een zogenaamd ‘Meer en Vaart-verweer’. De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat niet is uitgesloten dat [naam slachtoffer] , na het aanleggen van de nekklem en nadat [naam slachtoffer] bewusteloos is geraakt, nog bij bewustzijn is gekomen en toen cocaïne heeft gebruikt waardoor zij is komen te overlijden.

Nu het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het primaire feit behoeft dit verweer geen verdere bespreking.

Beoordeling hof poging doodslag

Voor wat betreft het subsidiair impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, de poging doodslag, is het hof van oordeel dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad om [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[naam slachtoffer] is door het hotelpersoneel aangetroffen op de plek waar zij volgens de verklaring van de verdachte ook buiten bewustzijn is geraakt op het moment dat hij – volgens zijn eigen verklaring – een nekklem bij haar aanlegde. De eerste conclusie na de sectie op 5 januari, voordat toxicologisch onderzoek is verricht, was dat deze bevindingen uit het forensisch onderzoek – waaronder de bevindingen met betrekking tot het letsel aan de hals – vooralsnog het beste pasten bij een overlijden door samendrukkende krachtsinwerking aan de hals met hierdoor verstikking.

Dat de verdachte slechts een nekklem bij het slachtoffer zou hebben aangelegd, zoals de verdachte verklaart, acht het hof gelet hierop en ook gelet op hetgeen de deskundigen verklaard hebben niet aannemelijk. Volgens de deskundigen moet sprake zijn geweest van een substantiële krachtinwerking op de hals van [naam slachtoffer] en kan een nekklem geen verklaring zijn voor het totaalbeeld van de in de hals aangetroffen letsels.

Bij het letseldateringsonderzoek is gekeken naar bij [naam slachtoffer] aangetroffen vlekkige onderhuidse bloeduitstortingen. Uit het onderzoek naar deze verwondingen aan de hals volgt dat zij acuut kan zijn overleden maar dat zij ook nog enkele tot tientallen minuten in leven kan zijn geweest, waarbij enkele uren niet uitgesloten kan worden. De forensisch patholoog heeft verklaard dat op basis van de sectie niet kan worden vastgesteld wat de oorzaak was van het acute hartfalen dat heeft geleid tot de dood. Hartritmestoornissen zijn functioneel en kun je niet zien bij de sectie. Wat – uiteindelijk – tot haar dood heeft geleid, anders gezegd wat de concrete doodsoorzaak was, is niet meer vast te stellen.

Wel kan het hof vaststellen, dat het door de verdachte toegepaste geweld, te weten het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals, naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen. Die gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm ook zozeer op de dood van het slachtoffer gericht dat het, nu contra-indicaties daarvoor ontbreken, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop ook bewust heeft aanvaard.

Uit de gedragingen van de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode leidt het hof af dat de verdachte zelf in elk geval ook rekening heeft gehouden met het feit dat [naam slachtoffer] zeer ernstig letsel had danwel dat zij tijdens de bewuste nacht is komen te overlijden. De verdachte heeft tijdens een verhoor bij de politie verklaard dat, nadat hij een nekklem had aangebracht, het fout is gegaan en dat er toen iets is gebroken of dat ze gestikt is. De verdachte heeft toen hij de hotelkamer verliet nadat [naam slachtoffer] ‘out’ was gegaan haar telefoon meegenomen naar hun gezamenlijke woning in Den Haag en daarna weggegooid. Verder heeft hij berichten gestuurd naar een vriend met onder andere de mededeling “nu. Ik heb een ziek groot probleem”. De verdachte heeft in de ochtend van 2 januari 2022 de receptie van het hotel gebeld met de vraag om de boeking van de hotelkamer te verlengen. De zoekslagen die de verdachte heeft verricht op het internet (“moord den haag” en “wassenaar moord”), hebben plaatsgevonden voordat [naam slachtoffer] was gevonden. De verdachte is uiteindelijk op 3 januari 2022, omstreeks 22:50 uur, met een ingepakt rolkoffer aangehouden op Schiphol Airport.

De verklaring van de verdachte in hoger beroep – namelijk dat [naam slachtoffer] niet was komen te overlijden, als hij de bewuste nacht was weggegaan – past bovendien bij de hiervoor beschreven uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte, namelijk dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij bij [naam slachtoffer] zeer ernstig letsel had veroorzaakt danwel dat zij was komen te overlijden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 3 januari 2022 te Wassenaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven,

- (met kracht) de keel/hals van die [naam slachtoffer] samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of omsnoerd heeft en/of

- (vervolgens) de keel/hals van die [naam slachtoffer] enige tijd samengedrukt en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of omsnoerd heeft gehouden,

althans op enigerlei wijze de zuurstoftoevoer voor die [naam slachtoffer] gedurende lange(re) tijd afgesloten heeft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ter terechtzitting heeft de raadsman – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie – aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat [naam slachtoffer] op de verdachte instak met een vork, waardoor de verdachte letsel heeft opgelopen en waardoor zijn jas beschadigd is geraakt. Hij heeft zichzelf moeten verdedigen door bij [naam slachtoffer] een nekklem aan te leggen.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk, en zal dit hieronder nader bespreken.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden beoordeeld of er sprake was van verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.

De fysieke confrontatie heeft er, zoals uit het dossier en uit het Forensisch pathologisch onderzoek d.d. 24 september 2022 volgt, toe geleid dat verspreid aan het lichaam van [naam slachtoffer] meerdere oppervlakkige letsels met een patroon van (maximaal) 4 bij elkaar horende letsels, zoals mogelijk passend bij prikken en krassen met een voorwerp met 4 scherpe punten, zoals bijvoorbeeld een vork, zijn aangetroffen. Naast dit letsel – dat erop wijst dat de verdachte zelf [naam slachtoffer] met een vork heeft belaagd – is aan de hals van [naam slachtoffer] uitwendig en inwendig letsel vastgesteld. De vaststellingen hieromtrent wijzen erop dat de verklaring van de verdachte voor het letsel – een aangelegde nekklem – niet passen bij het aangetroffen letsel, nu door de deskundigen ter zitting in eerste aanleg geconcludeerd is daarvoor een enkele nekklem geen verklaring is. Er is een samendrukkende krachtinwerking aan de hals nodig is om tongbeen en vooral het ringkraakbeen te breken. De verklaring van de verdachte dat hij [naam slachtoffer] met enkel een nekklem tot bedaren probeerde te brengen, is niet aannemelijk geworden.

Het hof overweegt dat de omstandigheid dat [naam slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid door een vork beschadigd is, kan zijn gebeurd voorafgaand aan het beweerdelijke steken door [naam slachtoffer]. In dat geval ging zij – kennelijk - in de tegenaanval omdat zij zich genoodzaakt zag zichzelf te verdedigen. Daarmee ontvalt aan de verdachte het beroep op noodweer: er zou dan geen sprake zijn van een wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Indien de verdachte [naam slachtoffer] zou hebben gestoken met een vork, nadat zij hem met de vork stak, zou dat wellicht kunnen worden gezien als een proportionele verdediging. Het iemand met zodanig geweld bij de hals pakken dat deze bewusteloos raakt op de wijze waarop de verdachte dat heeft gedaan, is dat in elk geval niet. Dat [naam slachtoffer] hem aan zou hebben gevallen met een vork en dat hij beweerdelijk vorkletsel had, rechtvaardigt niet het gewelddadig handelen door hem waardoor zij haar bewustzijn verloor.

Voorts ziet het hof een contra-indicatie voor de wederrechtelijke en ogenblikkelijke aanranding in de omstandigheid dat [naam slachtoffer] zonder kleding is aangetroffen (in tegenstelling tot de verdachte, die gedurende de gewelddadigheden gekleed was) en in de hoeveelheid letsel die bij [naam slachtoffer] is geconstateerd (in tegenstelling tot het geringe letsel dat bij de verdachte is waargenomen).

In tegenstelling tot de raadsman is het hof dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen hij zich moest verweren.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het subsidiair impliciet subsidiair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

poging tot doodslag

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnota subsidiair bepleit dat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde een beroep toekomt op noodweerexces als bedoeld in artikel 41 lid 2 Sr.

Het hof wil aannemen dat de verdachte in deze situatie niet de rust zelve was. Zijn eigen middelengebruik en de heftigheid van de emoties, alsmede de (kennelijk aanwezige) angst om beschuldigd te worden van een misdrijf zullen hebben geleid tot stress. Het hof is echter niet gebleken van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte als genoemd in voormeld artikel, gelet ook op de manier waarop de verdachte, zo is zichtbaar op de beelden, het hotel verliet en terug kwam. Daarop is geen na-effect te zien van een hevige gemoedsbeweging, zoals door de advocaat-generaal terecht is aangevoerd.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Motivering van de straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Het bewezenverklaarde, poging doodslag, levert een zeer ernstig feit op. De verdachte heeft tijdens het verblijf van in het Van der Valk-hotel op 1 en 2 januari 2022 heftig samendrukkend geweld toegepast op de hals van [naam slachtoffer] en daarmee het tongbeen, schildkraakbeen en ringkraakbeen gebroken. De verdachte heeft daarmee gepoogd om [naam slachtoffer] te doden. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [naam slachtoffer].

De verdachte is, nadat [naam slachtoffer] ‘out’ was gegaan, naar huis gegaan. Later is hij weer teruggekeerd het hotel, naar eigen zeggen om te kijken hoe zij eraan toe was. De verdachte heeft ook toen, ondanks dat hij dacht dat hij [naam slachtoffer] nog had zien bewegen, geen hulp ingeschakeld voor [naam slachtoffer]. Integendeel, hij heeft haar, wetende dat hij haar ernstig letsel had toegebracht, voor dood achtergelaten en geprobeerd om het moment waarop [naam slachtoffer] zou worden aangetroffen zo lang mogelijk uit te stellen. Zo heeft hij een bordje niet storen aan de deur gehangen en de deur van de kamer geblokkeerd met een stoel. Op 2 januari 2022 heeft hij gebeld met het hotel om de boeking met een nacht te verlengen, waarna het lichaam van [naam slachtoffer] pas op 3 januari rond het middaguur ontdekt is door een schoonmaker van het hotel. De indruk bestaat dat hij wilde ontsnappen aan justitie, in elk geval heeft hij zich alleen om zijn eigen lot bekommerd.

Het vinden van het lichaam van [naam slachtoffer] heeft veel impact gehad op het personeel van het hotel. Dergelijke feiten hebben overigens een ernstige impact niet alleen op direct betrokkenen, maar jagen ook angstgevoelens aan in de maatschappij.

Bij een dergelijk feit past alleen een lange gevangenisstraf.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit de documentatie van de verdachte blijkt dat hij eerder strafbare feiten heeft gepleegd met gebruikmaking van geweld en in de relationele sfeer.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen maatregel acht geslagen op een Pro Justitia Rapportage van 26 juni 2025, opgemaakt door dr. O.M. Guddat, psychiater, en een Pro Justitia rapportage van 30 juni 2025 van mw. L. Stam, MSc, GZ-psycholoog. Deze rapporten zijn opgesteld ter actualisatie van de eerdere Pro Justitia Rapportage van 3 november 2022, geactualiseerd op 31 maart 2023.

Er is door de psychiater vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een ernstige, meervoudige psychiatrische stoornis, bestaande uit een stemmingsstoornis, een chronische stoornis in het gebruik van meerdere middelen en een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren om – indien het hof komt tot een bewezenverklaring – het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Uit de rapporten blijkt verder dat het risico op gewelddadige recidive als matig tot hoog word ingeschat en in partnerrelaties hoog. De verdachte heeft een beperkt zicht op de bij hem aanwezige problematiek. Hij meent geen behandeling nodig te hebben en hij onderkent zijn middelenproblematiek in mindere mate. Risico verhogend is de context van een instabiele relatie. Vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek en in de context van middelengebruik zal hij volgens de rapporten eerder in een dergelijke relatie belanden.

Om het recidiverisico in te perken wordt een klinische behandeling binnen een forensisch kader met beveiligingsniveau 3 (zoals een FPK) noodzakelijk geacht. Een tbs met voorwaarden achten de deskundigen onvoldoende haalbaar en risicovol omdat de essentiële voorwaarden daarvoor ontbreken. Het advies is dan ook om een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Deze maatregel biedt het meest geschikte juridische en klinische kader om het recidiverisico duurzaam te beheersen, noodzakelijke behandeling af te dwingen en de maatschappelijke veiligheid te borgen.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en stelt vast dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten bij de verdachte in ieder geval sprake een ziekelijke stoornis van de geestvermogens aanwezig was als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, Sr. Het hof is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit de verdachte in verminderde mate valt toe te rekenen..

De op te leggen gevangenisstraf en maatregel

De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die aanzienlijk lager is dan gevorderd door de advocaat-generaal, omdat de gevorderde straf past bij een gekwalificeerde doodslag. Verder heeft hij aangevoerd dat de redelijke termijn ernstig is overschreden.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend en geboden is. Deze straf is lager dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu verdachte is vrijgesproken van het primaire feit.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM met ruim 17 maanden zal het hof die overschrijding verdisconteren in de strafoplegging door een half jaar van de gevangenisstraf te trekken.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.

Het hof stelt vast dat het begane misdrijf een feit betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van de anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eisen, zodat aan alle wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan.

Een tbs met voorwaarden, zoals door de raadsman bepleit, is gelet op artikel 38 lid 3 Sr, niet mogelijk omdat het hof een gevangenisstraf oplegt met een duur langer dan vijf jaar en ligt naar het oordeel van het hof bovendien niet in de rede vanwege de hiervoor genoemde adviezen van de psychiater en de psycholoog.

Het hof is van oordeel dat gelet op de bij de verdachte vastgestelde stoornissen, de ernst van het bewezenverklaarde feit en de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte rapport, sprake is van een hoog gevaar voor recidive. Het hof acht het daarom vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij en neemt ook hierin het advies van de deskundigen over. Het hof zal de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist.

De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dat betekent dat de duur van de maatregel, gelet op artikel 38e lid 1 Sr niet gemaximeerd is.

Conclusie

Resumerend zal het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven jaar en zes maanden met aftrek van voorarrest, hetgeen passend en geboden is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en de ernst van de feiten, alsmede de persoon van de verdachte. Voorts zal het hof aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd.

De nabestaanden van [naam slachtoffer], te weten (moeder), (vader) en (zus). Zij vorderen allen een vergoeding voor immateriële schade. De moeder en de zus van [naam slachtoffer] vorderen ook een vergoeding voor materiële schade.

Verder heeft zich gevoegd de heer [naam ex-partner] (ex-partner en echtgenoot van [naam slachtoffer]). Hij vordert een vergoeding voor materiële schade.

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vorderingen van de benadeelde partijen is door de verdachte betwist.

Het hof zal de vorderingen in relatie tot het bewezenverklaarde feit moeten bezien. Vooropgesteld zij, dat het hof op geen enkele wijze afbreuk wil doen aan de ervaringen van verlies en verdriet bij de nabestaanden van [naam slachtoffer].

Nu de verdachte echter niet strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gehouden voor haar overlijden – bewezenverklaard is alleen de poging doodslag – kunnen de vorderingen van de benadeelde partijen niet worden toegekend. Die vorderingen zijn immers allemaal gekoppeld aan het verlies en verdriet als gevolg van het overlijden van [naam slachtoffer]. En die grondslag komt aan de vorderingen van de benadeelde partijen te ontvallen. Hierna worden de vorderingen nog eens afzonderlijk langsgelopen, maar telkens volgt dan de conclusie van het hof in deze lijn: de benadeelde partijen zijn niet ontvankelijk in hun vordering(en).

Vordering tot immateriële schadevergoeding

Het hof verstaat de vorderingen tot vergoeding van geleden immateriële schade aldus dat deze strekt tot vergoeding van een gedeelte van de schade die de benadeelde partijen rechtstreeks hebben geleden door het onder bewezen verklaarde.

De moeder en vader van [naam slachtoffer] vorderen ieder een bedrag van € 17.500,- in verband met affectieschade vanwege het overlijden van [naam slachtoffer].

In artikel 6:108, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is een vaste vergoeding te betalen aan bepaalde naasten voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaan, geleden als gevolg van het overlijden.

Nu het hof enkel de poging doodslag bewezen heeft verklaard en dus niet bewezen heeft verklaard dat het handelen van de verdachte de dood van [naam slachtoffer] tot gevolg heeft gehad, is er geen rechtstreeks verband tussen de door moeder en vader van [naam slachtoffer] gevorderde affectieschade en hetgeen bewezen is verklaard. De verdachte is immers niet aansprakelijk gehouden voor de dood van [naam slachtoffer].

Het voorgaande betekent dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering tot immateriële schadevergoeding.

Vergoeding materiële schadevergoeding

Ook voor de door de moeder en zus van [naam slachtoffer] gevorderde materiële schadevergoeding van € 2.891,59 voor uitvaartkosten en reiskosten respectievelijk € 28.527,96 in verband met gederfd levensonderhoud en reiskosten en de door de heer [naam ex-partner] gevorderde € 5.582,00 in verband met de uitvaartkosten, geldt dat deze vorderingen niet kunnen worden toegewezen omdat het hof niet bewezen heeft verklaard dat het handelen van de verdachte de dood van [naam slachtoffer] tot gevolg heeft gehad en het gaat om vorderingen die verband houden met het overlijden van [naam slachtoffer].

Het voorgaande betekent dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering tot materiële schadevergoeding.

Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals hieronder nader vermeld, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaard niet bewezen dat de verdachte het subsidiair impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Vordering van de benadeelde partij [naam ex-partner]

Verklaart de benadeelde partij [naam ex-partner] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam moeder]

Verklaart de benadeelde partij [naam moeder] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam vader]

Verklaart de benadeelde partij [naam vader] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam zus]

Verklaart de benadeelde partij [naam zus] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, als voorzitter, en mr. H.M.D. de Jong en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2026.

Mr. H.M.D. de Jong is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M.D. de Jong
  • mr. A.F.H. ten Brummelhuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?