ECLI:NL:GHDHA:2026:6

ECLI:NL:GHDHA:2026:6, Gerechtshof Den Haag, 13-01-2026, 200.350.074/01

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 200.350.074/01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aannemingsgeschil; bevoegde opschorting door opdrachtgever en dus onbevoegde buitengerechtelijke ontbinding door aannemer; opdrachtgever recht op schadevergoeding; schadebegroting

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.350.074/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : 10901232 CV EXPL 24-2048

Arrest van 13 januari 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats],

appellant,

oorspronkelijk eiser in conventie, en gedaagde in reconventie,

advocaat: mr. M. de Groot, kantoorhoudend in Leusden,

tegen

[geïntimeerde] h.o.d.n. [naam],

voorheen wonend in Spijkenisse, thans zonder bekende woon- en/of verblijfplaats,

geïntimeerde,

oorspronkelijk gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

niet verschenen.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellant] aannemingswerkzaamheden uitgevoerd. Er is een geschil ontstaan over de tweede deelbetaling. [appellant] stelt dat hij betaling mocht opschorten vanwege te weinig voortgang in het werk. [geïntimeerde] was het daar niet mee eens en heeft de overeenkomst (buitengerechtelijk) ontbonden. [appellant] vordert nu een vergoeding van de extra kosten die hij volgens hem heeft moeten maken om een ander het werk af te laten maken. [geïntimeerde] vordert op zijn beurt dat de rechter bepaalt dat hij de overeenkomst mocht ontbinden.

De kantonrechter heeft [geïntimeerde] gelijk gegeven. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de door [appellant] gevorderde schadevergoeding voor een deel toe. De vordering van [geïntimeerde] wordt alsnog afgewezen.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 7 november 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2024;

- de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;

Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.

In het door [appellant] overgelegde dossier bevindt zich een conclusie van repliek van zijn kant. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter blijkt echter dat de kantonrechter deze conclusie destijds niet had ontvangen en dat de conclusie ook niet naar [geïntimeerde] was toegestuurd. De kantonrechter heeft daarom bepaald dat de conclusie van repliek buiten beschouwing moest blijven. In het bestreden vonnis wordt de conclusie van repliek ook niet genoemd bij de weergave van de processtukken. Het hof gaat er daarom vanuit dat deze conclusie geen deel uitmaakt van het dossier en laat dit stuk net als de kantonrechter buiten beschouwing.

3. Feitelijke achtergrond

[appellant] heeft in maart 2023 met [geïntimeerde] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, op grond waarvan [appellant] vanaf medio april 2023 diverse werkzaamheden zou verrichten, waaronder demontage van de keuken, loodgieterswerkzaamheden, elektrawerkzaamheden, werkzaamheden aan het plafond, stukadoorswerkzaamheden en afmonteren van de nieuwe keuken.

Het overeengekomen betaalschema was als volgt: 40% voorafgaand aan de werkzaamheden, 20% gedurende de werkzaamheden en 30% na oplevering (partijen hebben zich destijds niet gerealiseerd dat dit niet optelt tot 100%). [appellant] heeft de eerste deelbetaling van € 1.580,- voldaan op 20 maart 2023.

De communicatie tussen partijen verliep grotendeels via whatsapp. [appellant] heeft de appjes overgelegd. Hieruit blijkt onder meer dat medio april 2023 is afgesproken dat [geïntimeerde] in de week van 17 april 2023 zou beginnen met de werkzaamheden en dat dit hierna is uitgesteld naar 20 april 2023. [geïntimeerde] heeft op die dag daadwerkelijk een begin gemaakt met het demonteren van de keuken. Verder blijkt uit de appjes dat [appellant] meermalen heeft benadrukt dat een duidelijke communicatie over de planning voor hem belangrijk was en dat hij tussentijds een aantal keer zorgen heeft geuit over de voortgang. Op 29 april 2023 heeft [appellant] onder meer geappt: “Eerder vandaag hebben wij elkaar gesproken m.b.t. de voortgang van de werkzaamheden in mijn appartement. Ik heb m’n ongenoegen geuit over het feit dat er geen vooruitgang is, aangezien alleen een groot gedeelte van de oude keuken is verwijderd en verder niets is gedaan. (…). Jij gaf aan graag de tijd te willen hebben om binnen de afgesproken termijn van 2 weken (vanaf 17 april 2023) af te ronden. (…) Ik heb (…) aangegeven om wederom coulant hierin te zijn en je nog tot maandag 1 mei 2023 te geven om de werkzaamheden te hervatten en af te ronden.” Bij de beoordeling wordt nog nader teruggekomen op het appverkeer.

Op dinsdagavond 2 mei 2023 heeft [geïntimeerde] geappt: “Betaal € 1.000,00 via (…)”.

De volgende dag, op woensdagochtend 3 mei 2023, heeft [appellant] laten weten de tweede deelbetaling op te schorten in verband met de geringe voortgang in het werk. Hij heeft geschreven: “(…) dat de oplevering op 1 mei 2023 had moeten plaatsvinden. Tot op heden heb je geen enkele verklaring gegeven waarom je de werkzaamheden volgens afspraak niet af hebt (…)”. En: “Gezien het herhaaldelijk niet nakomen van afspraken, dat je zelf al hebt gezegd dat de spullen waarvoor je nu een tikkie stuurt al zijn gekocht, de uitzichtloosheid op het afronden van het werk en het feit dat alleen de oude keuken gesloopt is (en niet volledig afgevoerd), zie ik geen reden om aanvullende betalingen te voldoen.” [appellant] heeft gemeld bereid te zijn € 250,- te betalen, maar de rest vooralsnog achter te zullen houden.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] het werk op 3 mei 2023 neergelegd en geschreven: “(…) stop per direct alle werkzaamheden dus doe ik afstand van dit project. Het val met mij niet meer te praten (…)”

Op 15 mei 2023 heeft [appellant] [geïntimeerde] nogmaals in de gelegenheid gesteld om het werk af te ronden. Dit is door [geïntimeerde] geweigerd. Op 2 juni 2023 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] (van ARAG) een zogeheten ‘omzettingsverklaring’ gestuurd, waarin samengevat staat dat [geïntimeerde] volgens [appellant] in elk geval per 22 mei 2023 in verzuim verkeerde en dat [appellant] niet langer nakoming, maar vervangende schadevergoeding wil.

[appellant] heeft het werk laten afronden door een derde. [appellant] heeft in totaal (€ 2.722,50 (aanbetaling) plus € 6.922,60 (eindfactuur) is samen) € 9.645,10 inclusief btw aan die derde betaald.

4. Procedure bij de kantonrechter

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van

een (vervangende) schadevergoeding van € 7.775,10 inclusief btw,

€ 924,14 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2023, en

de proceskosten plus nakosten, te vermeerderen met de rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

[geïntimeerde] heeft aanvankelijk verstek laten gaan. De vordering van [appellant] is hierna toegewezen bij verstekvonnis van 5 december 2023, met dien verstande dat de rente over de buitengerechtelijke kosten is toegewezen met ingang van de dag van de dagvaarding, omdat voor toewijzing vanaf een eerdere datum volgens de kantonrechter geen grondslag bestond.

[geïntimeerde] is vervolgens in verzet gekomen en heeft op zijn beurt in reconventie gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen hem en [appellant] buitengerechtelijk is ontbonden op 3 mei 2023, en dat [appellant] in de proceskosten wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.

Bij het bestreden vonnis van 9 augustus 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen, de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Kort samengevat heeft de kantonrechter het volgende overwogen. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, hebben partijen geen fatale opleveringstermijn afgesproken, maar gold 1 mei 2023 slechts als een streefdatum voor oplevering. [appellant] mocht daarom op 3 mei 2023 de tweede deelbetaling niet achterhouden. [appellant] is van rechtswege in verzuim geraakt, omdat [geïntimeerde] uit zijn mededelingen mocht afleiden dat hij niet zou nakomen. [appellant] is dus als eerste in verzuim geraakt, zodat hij geen recht heeft op schadevergoeding. [geïntimeerde] mocht de overeenkomst op 3 mei 2023 buitengerechtelijk ontbinden.

5. Vorderingen in hoger beroep

[appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, en hij wil dat het hof de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijst.

Kort gezegd zien de bezwaren (grieven) van [appellant] op het volgende. Grief 1 ziet op de feitenweergave. Met grief 2 stelt [appellant] de rechtsgeldigheid van de buitengerechtelijke ontbinding ter discussie. [appellant] voert aan dat niet hij, maar [geïntimeerde] in verzuim is geraakt. Los daarvan acht [appellant] ontbinding ook niet redelijk, want niet proportioneel. Als tweede deelbetaling was een bedrag van € 790,- verschuldigd (20% van € 3.950,-). [appellant] was bereid € 250,- te betalen en hield dus slechts € 540,- achter. Grief 3 houdt in dat partijen wel een fatale termijn voor oplevering zijn overeengekomen. Met grief 4 voert [appellant] aan dat de tweede deelbetaling nog niet opeisbaar was. Die tweede deelbetaling mocht pas bij de opbouw van het stucwerk worden gevraagd en niet al bij de inkoop van elektramaterialen, en in elk geval niet al op het moment dat alleen nog maar de bestaande keuken was verwijderd, aldus [appellant]. Daar komt bij dat [geïntimeerde] ten onrechte € 1.000,- vorderde in plaats van € 790,-. Het bedrag van € 1.000,- was dus niet opeisbaar, zodat [appellant] door niet-betaling daarvan niet in verzuim kon raken. Gezien de geringe voortgang tot dan toe mocht [appellant] de tweede deelbetaling hoe dan ook opschorten. Grief 5 is gericht tegen de toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht. Grief 6 ziet op de proceskosten.

6. Beoordeling in hoger beroep

Inleidende opmerkingen

Voorop staat dat de kantonrechter naar het oordeel van het hof terecht heeft vastgesteld dat partijen een aanneemsom van € 3.950,- excl. btw en zonder bon hebben afgesproken, en dus niet een aanneemsom van € 5.000,- incl. btw. De eerste deelbetaling van € 1.580,- komt ook precies overeen met 40% van € 3950,-. Dit betekent dat [appellant] terecht aanvoert dat [geïntimeerde] als tweede deelbetaling geen € 1.000,- mocht vorderen, maar slechts € 790,- (20% van de aanneemsom).

Vaststaat dat [appellant] heeft aangeboden een bedrag van € 250,- te voldoen. Voor het restant van € 540,- heeft hij zich op 3 mei 2023 op opschorting beroepen. Kernvraag is of hij daartoe bevoegd was. Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord is [appellant] niet in verzuim geraakt en mocht [geïntimeerde] zijn werkzaamheden niet stopzetten en de overeenkomst ontbinden op 3 mei 2023.

Opschorting is geregeld in artikel 6:52 BW en, voor wederkerige overeenkomsten als de onderhavige meer in het bijzonder in artikel 6:262 e.v. BW. Voor een geslaagd beroep op opschorting door een schuldenaar is voldoende dat de schuldeiser verplicht is om een prestatie uit te voeren en dat hij deze niet (volledig/deugdelijk) verricht, althans niet voortgaat deze te verrichten. Voor opschorting is dus níet vereist dat de schuldeiser in verzuim is. Het opschortingsrecht strekt er toe om druk op de wederpartij uit te oefenen om de tegenvordering na te komen, en heeft, voor het geval de wederpartij daarmee in gebreke zou blijven, ook het karakter van zekerheid voor voldoening. In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt (artikel 6:262 lid 2 BW). Het komt erop neer dat de rechter moet onderzoeken of sprake is van een opeisbare tegenvordering en of die voldoende is qua omvang om het beroep op opschorting te rechtvaardigen.

Bevoegde opschorting door [appellant]?

Partijen twisten onder meer over de vraag of er een fatale termijn voor de oplevering van de werkzaamheden is afgesproken. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de verplichting op zich genomen om uiterlijk 1 mei 2023 op te leveren, twee weken na de aanvankelijk afgesproken startdatum (17 april 2023). Of inderdaad sprake was van een fatale termijn kan echter in het midden blijven. Daargelaten of de werkzaamheden op 1 mei 2023 al helemaal afgerond moesten zijn, valt uit de stellingen van [appellant] namelijk af te leiden dat hij vindt dat hij in elk geval mocht verwachten dat op 2 mei 2023 al veel meer voortgang zou zijn geboekt en dat hij (ook) daarom de betaling deels mocht opschorten.

Het hof is van oordeel dat dit standpunt van [appellant] slaagt. Uit het ter onderbouwing overgelegde appverkeer blijkt onder meer het volgende.

[appellant] heeft na ontvangst van de offerte op 20 maart 2023 bevestigd akkoord te zijn met een start van de werkzaamheden op maandag 17 april 2023.

Op donderdag 13 april 2023 checkt [appellant] bij [geïntimeerde] of deze inderdaad maandag 17 april 2023 zal starten. Het contact verloopt daarna vrij moeizaam vanuit [geïntimeerde]. Hij komt een aantal keer een toezegging om contact op te nemen niet na, hoewel [appellant] meermalen benadrukt dat een goede (communicatie over de) planning voor hem heel belangrijk is, vanwege de te verwachte levering van de nieuwe Ikea-keuken, de droogtijd van het stucwerk, de noodzaak op tijd vrij te kunnen nemen om het laminaat te verwijderen en het noodzakelijke verblijf bij anderen gedurende de verbouwing. Als uitleg voor het niet contact opnemen zoals afgesproken, appt [geïntimeerde] op 14 april 2023 dat hij de avond ervoor in slaap was gevallen en daarom niet had gebeld. De dag erop wordt afgesproken dat hij op 18 april 2023 zal starten. Die dag appt hij eerst rond half drie dat hij later is dan afgesproken omdat hij de bus moet leeghalen van een eerdere klus, vervolgens rond half 4 dat hij is aangereden maar zeker nog later die dag zal langs komen, om de dag erop, op 19 april 2023, te laten weten dat hij de avond ervoor, na een bezoek aan huisarts en garage, weer in slaap was gevallen.

Hierna wordt afgesproken dat [geïntimeerde] donderdag 20 april 2023 zal starten en dat gebeurt ook daadwerkelijk.

Op maandag 24 april 2023 uit [appellant] zorgen over de voortgang waarop [geïntimeerde] reageert met “niet nodig ik ben begonnen en net als beloofd laat het resultaat het bewijs zijn en laat mij me werk doen gun mij de dagen die ik uitgesproken heeft na 14 dagen na het start datum geen resultaat er is zal ik je alles terug betalen”

Op zaterdag 29 april 2023 bevestigt [appellant] wat zij eerder die middag telefonisch hebben besproken, nadat [appellant] opnieuw zijn ongenoegen had geuit over het ontbreken van voortgang. Volgens [appellant] was op dat moment alleen een groot gedeelte van de keuken verwijderd en was er verder niets gedaan. [appellant] schrijft dat [geïntimeerde] in het telefoongesprek heeft aangegeven graag de tijd te krijgen om binnen de afgesproken termijn van twee weken (vanaf 17 april 2023) het werk af te ronden, en dat hij uit coulance [geïntimeerde] nog tot 1 mei 2023 heeft gegeven. [appellant] benadrukt dat als hij tegen die datum geen voortgang ziet, hij [geïntimeerde] dan in gebreke stelt en dat [geïntimeerde] dan schadeplichtig zal zijn. Ook staat in de app dat [geïntimeerde] heeft aangegeven dat als hij de werkzaamheden niet afkrijgt binnen de afgesproken tijd, [appellant] zijn aanbetaling van € 1.580,- volledig terug zal krijgen.

[geïntimeerde] heeft niet op deze app gereageerd, maar heeft zondag 30 april 2023 wel laten weten dat hij die dag in het appartement is geweest om de deur af te plakken en dat hij de volgende dag terug zal komen om aan de slag te gaan met de tegels.

Op dinsdag 2 mei 2023 appt [geïntimeerde] in de avond dat hij die dag met de stukadoor bij de woning is geweest, dat gebleken is dat er meer van de muren gesloopt moet worden dan aanvankelijk gedacht en dat die werkzaamheden donderdag 4 mei 2023 plaats zullen vinden. Ook de elektricien zal die donderdag zijn werkzaamheden oppakken, aldus [geïntimeerde]. [geïntimeerde] vraagt om de tweede deelbetaling te voldoen, om de elektrische materialen te kunnen bekostigen en appt: “Betaal € 1.000,00 (…)”.

De volgende ochtend op woensdag 3 mei 2023 laat [appellant] weten dat het betaalverzoek hem verbaast, gezien de geringe voortgang van het werk, het herhaaldelijk niet nakomen van afspraken door [geïntimeerde] en het feit dat [geïntimeerde] eerder al had laten weten de materialen waarvan hij nu betaling vraagt, te hebben gekocht. [appellant] schrijft dat hij de gevraagde betaling opschort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierna volgt enige discussie, waarbij [appellant] nog laat weten wel bereid te zijn nog € 250,- te betalen, maar de rest voorlopig achter te houden.

Zoals hierboven al weergegeven heeft [geïntimeerde] hierna laten weten te stoppen met de werkzaamheden.

[appellant] heeft onweersproken aangevoerd dat op 2 mei 2023 alleen nog maar sloopwerkzaamheden waren uitgevoerd en dat bovendien een deel van het sloopmateriaal nog niet eens was afgevoerd. Op 3 mei 2023 was de stand van zaken hetzelfde, omdat die dag niets is gedaan en de eerstvolgende werkzaamheden pas op 4 mei 2023 uitgevoerd zouden worden. Ook als [appellant] zou hebben moeten begrijpen dat afronding in twee weken slechts een streven was, neemt dat niet weg dat [appellant] naar het oordeel van het hof terecht stelt dat hij op 2 mei 2023 (13 dagen na de start van het werk) in elk geval redelijkerwijs veel meer voortgang had mogen verwachten. [geïntimeerde] heeft dat ook niet voldoende gemotiveerd betwist.

Het hof acht begrijpelijk dat [appellant] druk wilde uitoefenen op [geïntimeerde] door middel van gedeeltelijke opschorting van de tweede deelbetaling. [appellant] was daartoe bevoegd en de opschorting was ook proportioneel, nu [appellant] slechts € 540,- heeft achtergehouden. Dit betekent dat [appellant] nooit in verzuim is geraakt en dat [geïntimeerde] geen recht had om de overeenkomst te ontbinden. Het hof komt daardoor ook niet toe aan de vraag of de tweede deelbetaling al opeisbaar was (hetgeen [appellant] betwist). Ook een opeisbare prestatie mag worden opgeschort.

[geïntimeerde] heeft zijn werkzaamheden dus ten onrechte gestaakt. Omdat hij ondubbelzinnig heeft laten weten zijn werk niet te willen voortzetten zolang de tweede deelbetaling niet werd voldaan, is [geïntimeerde] degene die in verzuim is geraakt. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de door [appellant] gevorderde schadevergoeding geheel of deels toewijsbaar is.

Heeft [appellant] recht op schadevergoeding?

Het door [appellant] gevorderde bedrag van € 7.775,10 is als volgt opgebouwd:

€ 9.645,10 aan kosten die [appellant] heeft moeten maken om “de gebreken te herstellen en de werkzaamheden alsnog deugdelijk uit te voeren en af te ronden” (dagvaarding 2.3.2.); het betreft hier een voorschotfactuur van € 2.722,50 incl. btw en een eindfactuur van € 6.922,60 incl. btw,

plus de eerste deelbetaling van € 1.580,-,

plus € 500,- aan kosten vervangend verblijf voor [appellant] vanaf 1 mei 2023 (de datum waarop de werkzaamheden volgens [appellant] eigenlijk afgerond hadden moeten zijn) tot 2 juli 2023 (de datum waarop het werk alsnog is afgerond) (zie dagvaarding 2.3.3.),

minus de originele aanneemsom van € 3.950,-

[geïntimeerde] heeft de hoogte van de factuur betwist en heeft betwist aansprakelijk te zijn voor alle op de factuur vermelde kosten. Volgens [geïntimeerde] bevat de factuur veel meer werkzaamheden dan overeengekomen. [appellant] is in hoger beroep niet meer op dit punt ingegaan, maar heeft ter zitting in eerste aanleg (onder verwijzing naar de appjes) wel aangevoerd dat hij en [geïntimeerde] meer werkzaamheden hadden afgesproken dan op de offerte van [geïntimeerde] stonden vermeld, en dat hij en [geïntimeerde] dat later nader zouden specificeren. Als dit al klopt, is daarmee echter nog niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat ([appellant] mocht denken dat) [geïntimeerde] ermee akkoord ging dat hij die extra werkzaamheden zou meenemen voor dezelfde prijs, dat wil zeggen zonder een verhoging van de aanneemsom van € 3.950,-. Het is ook niet de taak van het hof om na te gaan of dat uit de appjes te destilleren valt. Het hof kan bij deze stand van zaken niet uitsluiten dat [appellant] niet mocht denken dat [geïntimeerde] daarmee akkoord ging. Het is dan van tweeën één: ofwel [appellant] mag niet het hele factuurbedrag van de nieuwe aannemer bij [geïntimeerde] in rekening brengen of er zou een hogere aanneemsom dan € 3.950,- in mindering moeten worden gebracht op het gevorderde bedrag. Daarbij komt nog dat [appellant] kennelijk ook kosten vordert van herstel van gebreken (zie het citaat hierboven onder. 6.9, eerste gedachtestreepje), maar dat hij niet heeft onderbouwd dat naast te weinig voortgang ook sprake is geweest van ondeugdelijk werk.

Dit alles neemt niet weg dat het hof wel voldoende aannemelijk acht dat [appellant] extra kosten heeft moeten maken doordat [geïntimeerde] het werk niet heeft afgemaakt. [geïntimeerde] heeft dat op zichzelf ook niet betwist. Daarbij geldt dat het voor risico van [geïntimeerde] komt als de nieuwe aannemer meer heeft gerekend dan hij. [geïntimeerde] heeft ook niet gesteld dat deze nieuwe aannemer onredelijke prijzen heeft gerekend voor het werk dat hij had aangenomen. Alles afwegende ziet het hof daarom aanleiding de extra kosten als gevolg van het niet afmaken van het werk door [geïntimeerde] te schatten, en deze ex aequo et bono te bepalen op een bedrag van (€ 6.000,- minus € 3.950,- is) € 2.050,-. Girogorie moet dat bedrag vergoeden. Tegen de terugvordering van het al betaalde bedrag van € 1.580,- heeft [geïntimeerde] geen afzonderlijk verweer gevoerd. Dit zal dus worden toegewezen.

[geïntimeerde] heeft niet betwist dat [appellant] kosten heeft moeten maken voor een verblijf elders. Wat betreft de omvang van die kosten geldt het volgende. [appellant] heeft een overeenkomst tijdelijk verblijf en een kwitantie overgelegd. Beide stukken zien op de periode van 16 april 2023 tot en met 2 juli 2023. Tot 20 april 2023 kon [appellant] echter nog thuis wonen en hij had sowieso minstens 2 weken elders moeten verblijven, ook als [geïntimeerde] alle werkzaamheden voortvarend had afgerond. Verder geldt dat voor zover hij langer elders heeft moeten verblijven vanwege extra werkzaamheden die niet op de offerte van [geïntimeerde] stonden, uit de voorgaande overwegingen al volgt dat [appellant] de kosten daarvan niet voor rekening van [geïntimeerde] kan brengen. Wel begrijpt het hof dat het even tijd heeft gekost om een nieuwe aannemer te vinden die bereid was het werk af te maken en [appellant] heeft [geïntimeerde] bovendien eerst nog een kans gegeven om het werk zelf af te ronden. Alles afwegend acht het hof een bedrag van € 300,- redelijk.

Totaal moet [geïntimeerde] dus (€ 2050,- + € 1.580,- + € 300,- =) € 3.930,- betalen.

Conclusie en proceskosten

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] (grotendeels) slaagt. Daarom zal het hof het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2024 vernietigen en opnieuw rechtdoende de gevorderde schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 3.930,-. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet betwist en zullen ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Evenals eerder de kantonrechter (zie het verstekvonnis) ziet het hof geen grond voor toewijzing van de rente vanaf een eerdere datum. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd. De veroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg op

dagvaarding € 134,47

salaris gemachtigde € 678,- (2 punten x € 339,-)

Totaal € 812,47

Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [appellant] in hoger beroep op:

dagvaarding € 225,08

griffierecht € 362,-

salaris advocaat € 858,- (1 punt × tarief I)

nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 1.623,08

7. Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2024;

en opnieuw rechtdoende:

Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. A.D. Kiers-Becking en mr. A.F.J.A. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?