GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer gerechtshof: 200.337.558/01
Zaaknummer rechtbank: 9593105 EL 21-43
arrest van 20 januari 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonende in [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam.
1. De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, van 26 oktober 2023.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de akte uitlaten producties van Dexia;
de antwoordakte van [geïntimeerden]
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De kern van de zaak
Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerden] via tussenpersonen ( [tussenpersoon 1] (overeenkomsten I en II) en [tussenpersoon 2] (overeenkomsten III en IV) (hierna respectievelijk: [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] ). Voorafgaand aan het sluiten van overeenkomsten I tot en met IV is tussen partijen overeenkomst V (KoersLift) tot stand gekomen. Deze overeenkomst is geëindigd met een positief resultaat. Aan de orde is de vraag of [geïntimeerden] is geadviseerd door deze tussenpersonen die niet de daarvoor vereiste vergunning hadden, terwijl Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersonen beleggingsadvies hebben gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerden] vergoeden.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter Van [geïntimeerden] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.802,84 (met rente), alsmede voor recht verklaart dat dat Dexia, na betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 12.838,17 (met rente), althans een bedrag dat de kantonrechter juist acht, met betrekking tot de
tussen haar en [geïntimeerden] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers
[contractnummer V] , [contractnummer I] , [contractnummer II] , [contractnummer III] en [contractnummer IV] aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [geïntimeerden] verschuldigd is.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot overeenkomst V met contractnummer [contractnummer V] niets meer aan [geïntimeerden] verschuldigd is. De kantonrechter heeft daarnaast voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot overeenkomst I tot en met IV, met de contractnummers [contractnummer I] , [contractnummer II] , [contractnummer III] en [contractnummer IV] niets meer aan [geïntimeerden] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als onder rov. 4.15. weergegeven. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld in de proceskosten.
4. De beoordeling
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
Het hof verwijst voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan naar wat hiervoor is overwogen en het bestreden vonnis. Deze weergave in het vonnis is in hoger beroep niet bestreden.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog onvoorwaardelijk toewijzen van haar vorderingen. Het hof begrijpt dat Dexia haar grieven niet richt tegen de toegewezen verklaring voor recht met betrekking tot overeenkomst V. Deze overeenkomst is daarmee in hoger beroep niet meer aan de orde.
[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia in appel, althans de vorderingen van Dexia af te wijzen.
Juridisch kader
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zoals bevestigd in het arrest van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:885, rov. 3.2.1 en verder), brengt de enkele omstandigheid dat Dexia in strijd met artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) – dan wel het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl Dexia wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten (Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935).
De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) nader uiteengezet wanneer sprake is van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon. Dit is het geval indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
(i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer,
(ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, en,
(iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en Dexia dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat:
( i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen,
(ii) de tussenpersoon zich presenteerde als deskundige op het gebied van financiële advisering,
(iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon,
(iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, en,
( v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad.
Advisering
In deze zaak is door Dexia niet voldoende betwist dat de tussenpersoon optrad als cliëntenremisier (een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling). Tussen partijen is verder niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over een vergunning om ook als adviseur op te treden. Dexia stelt in dit kader dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was. Het hof overweegt dat de Hoge Raad in het arrest van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012, rov. 4.7) deze stelling van Dexia heeft verworpen met de overweging – kort gezegd – dat Nederland in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) gebruik heeft gemaakt van de in de Richtlijn Beleggingsdiensten voor lidstaten geboden mogelijkheid om wat betreft de vergunningvoorwaarden strengere regels van toepassing te verklaren dan in de Richtlijn zijn vastgesteld. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de Wte 1995 aldus moet worden uitgelegd dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. In de hiervoor reeds genoemde arresten van 12 oktober 2018 en 9 juni 2023 heeft de Hoge Raad dit oordeel gehandhaafd. Het hof ziet in wat Dexia in deze procedure heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te beslissen dan wel om ter zake daarvan vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
Toepassing van de hiervoor genoemde jurisprudentie in deze zaak, leidt tot het volgende.
[geïntimeerden] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop zowel [tussenpersoon 1] als [tussenpersoon 2] in dit geval hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder “Advisering door de tussenpersoon” in het eerste processtuk van [geïntimeerden] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerden] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerden] heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met zowel een bij naam genoemde medewerker van [tussenpersoon 1] als van [tussenpersoon 2] . Daarbij is met elk van die medewerkers van deze tussenpersonen besproken dat [geïntimeerden] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [geïntimeerden] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerden] door ieder van deze tussenpersonen geadviseerd om de specifieke effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Deze producten waren volgens de medewerkers van deze tussenpersonen geschikt voor de situatie van [geïntimeerden] heeft op de adviezen van de medewerkers van [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] vertrouwd en heeft deze adviezen opgevolgd. Vervolgens zijn de contracten aan [geïntimeerden] gestuurd en is [geïntimeerden] de effectenleaseovereenkomsten aangegaan, aldus [geïntimeerden]
Dexia betwist dat [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] aan [geïntimeerden] een gepersonaliseerde aanbeveling hebben gedaan. De bewijslast ligt bij [geïntimeerden] Van Dexia kan niet worden gevergd dat zij de betwisting van de stellingen van [geïntimeerden] nader motiveert, want zij is immers op geen enkele wijze betrokken geweest bij contacten van [geïntimeerden] met [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] . Dexia is derhalve niet in de positie om voor de beoordeling relevante informatie te verschaffen, aldus Dexia. Volgens Dexia kan zij, bij gebrek aan concrete zaak specifieke stellingen, niet anders dan de algemene stellingen van [geïntimeerden] op algemene wijze betwisten. Uit de stukken van [geïntimeerden] volgt – volgens Dexia – niet welke inhoudelijke rol de tussenpersoon heeft vervuld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, noch enige andere aanwijzing op basis waarvan een persoonlijke aanbeveling aan de afnemer kan worden aangenomen. Wat er tussen [geïntimeerden] en de tussenpersoon daadwerkelijk is besproken volgt hier niet uit. [geïntimeerden] heeft volgens Dexia op geen enkele wijze gesteld of onderbouwd op welke wijze de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor [geïntimeerden] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerden] Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerden] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerden] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben.
Het hof stelt het volgende voorop. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak waarin dezelfde documentatie werd beoordeeld, overweegt het hof dat uit de door [geïntimeerden] overgelegde producties het beeld naar voren komt dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. In voldoende mate blijkt dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies.
In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, was het ook aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR 1999 voldeed, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, op grond waarvan Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico.
Voor het antwoord op de vraag of de tussenpersonen in deze zaak vergunningplichtig advies hebben gegeven, brengt het voorgaande het volgende mee.
De door [geïntimeerden] geschetste betrokkenheid van de tussenpersonen bij de totstandkoming van (elk van) de effectenleaseovereenkomsten, indien deze vast komt te staan, moet in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022 worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Anders dan Dexia stelt, zijn de stellingen van [geïntimeerden] voldoende concreet. Uit deze stellingen volgt immers dat (i) de tussenpersonen hebben geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerden] , (ii) [geïntimeerden] het financiële doel aan (elk van) de tussenpersonen bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersonen vervolgens (ieder) specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder hebben geadviseerd, (iv) met welke producten volgens de tussenpersoon het financiële doel van [geïntimeerden] kon worden gerealiseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat (elk van) de tussenpersonen de effectenleaseproducten aan [geïntimeerden] hebben voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerden] en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerden] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken zoals beschreven door [geïntimeerden] bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerden] de stelling dat er is geadviseerd, door zowel [tussenpersoon 1] als [tussenpersoon 2] , voldoende gemotiveerd onderbouwd.
Het lag op de weg van Dexia om (meer) concreet toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet vergunningplichtig is geadviseerd. Het niet onderbouwde betoog van Dexia dat er bewijs is dat de tussenpersoon veelvuldig een andere werkwijze hanteerde dan het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling is daartoe onvoldoende. Gelet op de keus van Dexia om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, moest Dexia nagaan wat de aard van de betrokkenheid van de (op de overeenkomsten vermelde) tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Dexia, waaronder het feit dat Dexia in deze zaak kennelijk niet in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat de tussenpersoon aan [geïntimeerden] geen beleggingsadvies heeft verstrekt.
De stelling van Dexia dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, wordt door het hof verworpen. Zoals hiervoor is overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat tussenpersonen doorgaans, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die tussenpersonen als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 NR 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij de tussenpersoon wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden omdat deze zich in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek kennelijk niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu kennelijk niet meer in staat is om te onderbouwen dat er geen advies is verleend of dat de werkwijze van de tussenpersoon afweek van de gebruikelijke, komen voor risico van Dexia.
Uit het voorgaande volgt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de tussenpersonen vergunningplichtig advies hebben gegeven aan [geïntimeerden] De tussenpersonen hebben derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] als cliëntenremisier wel toe gehouden waren. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2022 geformuleerde criteria. Dexia komt niet toe aan het leveren van (nader) bewijs, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Wetenschap Dexia
Naast de voorwaarde dat is geadviseerd door de tussenpersoon, is ook vereist dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven.
[geïntimeerden] heeft in dit kader onder meer het volgende aangevoerd. Uit de door [geïntimeerden] overgelegde producties volgt dat Dexia op de hoogte was van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen en ook de opzet had om de tussenpersonen te laten adviseren. Dat is in het onderhavige geval niet anders, omdat de opzet van Dexia niet per tussenpersoon verschilde. Dexia had in ieder geval behoren te weten dat de tussenpersoon aan die opzet voldeed. Dexia koos ervoor om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, zodat zij volgens [geïntimeerden] moest waarborgen dat zij aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed door na te gaan of geen sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Advisering behoorde tot de vaste praktijk van [tussenpersoon 1] . Volgens een uittrekstel uit de Kamer van Koophandel (productie hof B bij de memorie van antwoord) legde zij zich toe op “advisering en bemiddeling inzake verzekeringen en financieringen”. [tussenpersoon 2] presenteerde zich op haar website als onafhankelijk en financieel adviseur. Zij zette zich in de markt als een adviesorganisatie die ook de “financieel minder goed geïnformeerde gesprekspartner” van financieel advies voorzag, aldus [geïntimeerden]
Dexia heeft op verschillende punten verweer gevoerd en aangevoerd dat effectenleaseovereenkomsten op verschillende wijzen werden gesloten door tussenpersonen. Dexia betwist dat zij in de positie was om enige sturing te geven aan enige tussenpersoon. Daarnaast had zij geen aanwijzingen dat de tussenpersonen [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2] vergunningplichtig advies gaven.
Het hof verwijst naar wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de plicht van Dexia om na te gaan wat de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon was en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet-nakomen van die plicht. Er zijn geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat Dexia niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon zou hebben onderzocht. In dit geval presenteerden zowel [tussenpersoon 1] als [tussenpersoon 2] zich naar de buitenwereld als een kantoor dat financiële (beleggings)adviezen gaf. Voor zover zij dit niet wist, komt dit voor haar rekening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Dexia in een eigen memorandum (van 25 maart 2007) ook het standpunt heeft ingenomen dat de werkzaamheden van de tussenpersonen, met wie zij werkte op basis van (een) cliëntenremisierovereenkomst(en), zich zelden beperkten tot de werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin en dat doorgaans sprake was van het geven van beleggingsadvies. Aan de eis dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven, is in dit geval dus voldaan. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [geïntimeerden] op de billijkheidscorrectie slaagt en dat Dexia de schade van [geïntimeerden] volledig dient te vergoeden. De door Dexia gevorderde verklaring voor recht is daarom niet onvoorwaardelijk toewijsbaar.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.15 van het vonnis van de kantonrechter, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerden] verschuldigde schadevergoeding te berekenen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, met name rov. 3.6.3 en verder en het door Dexia overgelegde financiële overzicht dat tussen partijen vaststaat.
Slotsom en proceskosten
Uit het voorgaande volgt dat de relevante grieven van Dexia niet slagen. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.821,00 (1,5 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 178,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 92,00 en de kosten van betekening;
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J. de Graaf en A. van Zanten-Baris, en is in het openbaar uitgesproken en ondertekend op 20 januari 2026 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.