ECLI:NL:GHDHA:2026:885

ECLI:NL:GHDHA:2026:885

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 22-002323-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Zware mishandeling door met een vuistslag twee voortanden blijvend uit het gebit te slaan; voorwaardelijk opzet. Toewijzing deel vordering schadevergoeding, alsmede toewijzing deel toekomstige materiële schade middels schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, zoals in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2024 te 's-Gravenhage, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee missende en/of uitgeslagen voortanden (geavulseerde voortanden), heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de mond, althans in het gezicht te slaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2024 te 's-Gravenhage, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de mond, althans in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten twee missende en/of uitgeslagen voortanden (geavulseerde voortanden) ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 50 uren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2024 te 's-Gravenhage, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee missende en/of uitgeslagen voortanden (geavulseerde voortanden), heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen de mond, althans in het gezicht te slaan.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft stellig ontkend dat hij de aangeefster heeft geslagen en gesteld dat hij vermoedt dat haar ex [naam ex] haar buiten de woning heeft geslagen.

Met de politierechter is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die het lichamelijk letsel aan de aangeefster heeft toegebracht. Met de politierechter overweegt het hof daartoe als volgt.

De verklaring van de aangeefster - dat de verdachte haar in haar eigen woning hard met zijn vuist heeft geslagen - wordt op diverse punten in het dossier ondersteund. Zo heeft getuige [getuige] verklaard dat de aangeefster haar huilend heeft opgebeld en dat zij zei dat zij door de verdachte was geslagen en hierdoor twee tanden miste. Verder heeft deze getuige kort hierna ter plaatse waargenomen dat er (alleen) in de woning van de aangeefster sporen van bloed waren, en dat de kinderen moesten huilen. Daarnaast sluiten de WhatsApp-berichten in het dossier - in het bijzonder die tussen de zus van verdachte en verdachte - aan op de verklaring van de aangeefster. De lezing van verdachte dat [naam ex] de aangeefster in de portiek zou hebben mishandeld vindt geen enkele steun in het dossier en acht het hof, net als de politierechter, volstrekt onaannemelijk geworden. Ook is er geen enkele aanwijzing dat iemand anders dan de verdachte dat gedaan zou (kunnen) hebben. Nu het hof het alternatieve scenario van de verdachte niet aannemelijk acht, behoeft het daaraan verbonden verweer rond de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding geen bespreking.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Zij heeft betoogd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft bepaald dat deze opsomming niet limitatief is, maar dat artikel 82 Sr de rechter de vrijheid laat om ook buiten die gevallen lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als omstandigheden die daartoe van betekenis kunnen zijn gelden de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit de medische informatie in het dossier blijkt dat in deze zaak sprake is van avulsie van de twee voortanden van de aangeefster, waarbij deze volledig zijn uitgeslagen. Medisch en tandheelkundig ingrijpen is noodzakelijk geweest om de gevolgen van het letsel draaglijk te maken, maar er bestaat geen uitzicht op volledig herstel van de oorspronkelijke toestand van het gebit. De aangeefster zal de rest van haar leven om de zoveel jaren opvolgende tandheelkundige ingrepen moeten ondergaan. Het hof is – gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het ontbreken van uitzicht op herstel - van oordeel dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

(Voorwaardelijk) opzet

Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu zwaar lichamelijk letsel – is sprake indien de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de aangifte blijkt dat de verdachte met zijn vuist met zodanige kracht tegen de mond van aangeefster heeft geslagen dat haar twee voortanden daardoor direct uit haar mond zijn gevallen. Zij voelde daarbij hevige pijn aan haar mond en gebit en bemerkte onmiddellijk bloed in haar mond.

Het hof overweegt dat hieruit volgt dat klaarblijkelijk door de verdachte met zo’n hevige kracht is geslagen dat de beide voortanden van de aangeefster daardoor direct uit haar mond vielen. Doordat de verdachte met dusdanige botte kracht met zijn vuist op de mond van de aangeefster heeft geslagen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel, te weten twee geavulseerde voortanden, aanvaard. Daarmee heeft de verdachte dus, op zijn minst genomen, het voorwaardelijk opzet gehad om de aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het feit dat de verdachte de aangeefster direct daarna aanspoorde naar de tandarts te gaan, doet hieraan niet af. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Daarmee is het hof van oordeel dat, hoewel een vuistslag op een mond in de jurisprudentie niet zonder meer het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert, in dit bijzondere geval wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan de aangeefster heeft toegebracht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij zijn ex-partner en de moeder van zijn kind door in haar eigen huis met een keiharde vuistslag twee voortanden uit haar gebit te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster en haar pijn en letsel bezorgd, nota bene in de huiselijke kring waar zij zich veilig zou moeten voelen. Ter terechtzitting in hoger beroep is daarbij nog gebleken dat het contact tussen de verdachte en aangeefster niet goed verloopt en dat de aangeefster zich tot op heden nog angstig voelt. Het hof neemt het de verdachte verder, evenals de politierechter, in het bijzonder kwalijk dat dit geweld heeft plaatsgevonden in het bijzijn van hun gezamenlijke minderjarige kind.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, waaronder tegen hetzelfde slachtoffer. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. Daarnaast liep de verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feit in twee proeftijden van voorwaardelijk opgelegde straffen.

Het hof heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 8 april 2024, waaruit volgt dat sprake is van een toxische relatie tussen de verdachte en de moeder van zijn kind, en instabiliteit op bijna alle leefgebieden en van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden aan een voorwaardelijk strafdeel: een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod, een locatieverbod en het meewerken aan middelencontrole. Het hof is van oordeel dat reclasseringsbegeleiding van de verdachte zeer gewenst is en zal het reclasseringsadvies overnemen, met uitzondering van een contactverbod. Daartoe overweegt het hof dat de aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard geen contactverbod te wensen, gelet op het feit dat tussen haar en de verdachte contact noodzakelijk is in verband met het kunnen onderhouden van de relatie van hun minderjarige kind en de daarover te maken afspraken.

Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de in onderhavige zaak opgelegde schorsingsvoorwaarden, nu de verdachte ter terechtzitting niet is verschenen naar aanleiding van de oproep van justitie om aanwezig te zijn bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof en de verdachte contact heeft gezocht met aangeefster.

Het hof is – alles afwegende en met name gelet op de ernst van het feit en de jarenlange gevolgen voor de aangeefster – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijke strafdeel draagt eraan bij om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 3.049,23, bestaande uit € 549,23 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het immateriële schadebedrag gematigd dient te worden tot maximaal € 1.500,-.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de medische kosten van € 549,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2024, een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde. Deze kosten zijn namens de verdachte niet betwist.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich, gezien de jonge leeftijd van de aangeefster en de ernst van het opgelopen letsel voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals neergelegd in de zogeheten Rotterdamse Schaal.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft voorts verzocht om een bedrag van € 11.084,20 aan toekomstige materiële schade toe te wijzen middels de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat deze toekomstige schade wordt toegewezen. Namens de verdachte is de toekomstige schade betwist, nu volgens het civiele recht op de benadeelde een schadebeperkingsplicht rust. De benadeelde zou de toekomstige schade kunnen beperken met een aanvullende tandartsverzekering. Namens de verdachte is bepleit de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof overweegt dat het - binnen de grenzen van het strafproces – ingewikkeld is om de hoogte van toekomstige schade vast te stellen. Gelet op de jonge leeftijd van het slachtoffer en gelet op de door de benadeelde partij overgelegde tandartsverklaring - waarin staat dat de geplaatste tandheelkundige brug een gemiddelde levensduur van acht tot tien jaren heeft – acht het hof een vergoeding voor toekomstige schade ter hoogte van € 2.771,05 redelijk en billijk om daarmee de kosten voor het plaatsen van een eerstvolgende tandheelkundige brug te vergoeden. Deze toekomstige schade zal het hof middels de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer aan de verdachte opleggen.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.820,28, inhoudende € 549,23 aan geleden materiële schade en € 2,500,00 aan geleden immateriële schade en € 2.771,05 aan toekomstige schade – zoals hiervoor is overwogen - aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2023 onder parketnummer 09-229019-22 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2023 onder parketnummer 09-196595-23 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de verdachte zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN te Den Haag. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- de verdachte zich laat behandelen door het forensisch ambulant centrum van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plek is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor de indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;

- de verdachte zich niet in de wijk [wijk 1] en [wijk 2] te Den Haag bevindt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- de verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.049,23 (drieduizend negenenveertigeuro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 549,23 (vijfhonderdnegenenveertig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.820,28 (vijfduizend achthonderdtwintig euro en achtentwintig cent) bestaande uit € 3.320,28 (drieduizend driehonderdtwintig euro en achtentwintig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 januari 2024.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2023, parketnummer 09-229019-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2023, parketnummer 09-196595-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:

taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, als voorzitter, en A.S.I. van Delden en mr. A.E. Harteveld, leden, in bijzijn van de griffier mr. K.J. Duyvis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 februari 2026.

Mr. R. Brand is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?