ECLI:NL:GHDHA:2026:944

ECLI:NL:GHDHA:2026:944

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 22-000534-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:2028

Samenvatting

Zware mishandeling met ernstig letsel tot gevolg. Geslaagde mediation. Naast onvoorwaardelijke taakstraf, deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan onvoorwaardelijk deel gelijk is aan reeds ondergane voorarrest.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-000534-25

Parketnummer: 09-287334-24

Datum uitspraak: 2 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

adres: [adres] ,

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 7 september 2024 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, [het slachtoffer] meermalen op/tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft geslagen en/of [het slachtoffer] op/tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 september 2024 te Alphen aan den Rijn aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een gebroken neus en/of een blauw oog en/of epileptische aanvallen, heeft toegebracht door [het slachtoffer] meermalen op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of op/tegen het hoofd van [het slachtoffer] te schoppen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 september 2024 te Alphen aan den Rijn [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] meermalen op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of op/tegen het hoofd van [het slachtoffer] te schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een gebroken neus en/of een blauw oog en/of epileptische aanvallen ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het subsidiaire feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 55 dagen, met aftrek van het voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak primaire feit

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 7 september 2024 te Alphen aan den Rijn aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een gebroken neus en/of een blauw oog en/of epileptische aanvallen, heeft toegebracht door [het slachtoffer] meermalen op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan en/of op/tegen het hoofd van [het slachtoffer] te schoppen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] door hem twee harde klappen in het gezicht te geven en hem tegen het hoofd te schoppen. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan zeer ernstig letsel opgelopen. Hij heeft een hersenbloeding en epileptische aanvallen gehad, een periode in coma gelegen en ook zijn neus was gebroken. . Uit de mededelingen van de advocaat [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat [slachtoffer] tot op de dag van vandaag nog de lichamelijke en psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. In verband met gehoorschade (tinnitus) is hij verwezen naar een specialist. Naast de gevolgen voor het slachtoffer zelf, draagt dit soort geweld, midden op straat en in aanwezigheid van tal van omstanders, bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Justitiële Documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van het voortgangsverslag van Reclassering Nederland d.d. 16 maart 2026, opgemaakt in verband met bijzondere voorwaarden die in een andere strafzaak aan de verdachte zijn opgelegd en waaruit blijkt dat de verdachte zich aan deze bijzondere voorwaarden, onder andere begeleiding door Coach Vooruit en een meldplicht bij de reclassering heeft gehouden. Tevens heeft het hof kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 25 december 2024 in de onderhavige zaak. Volgens de reclassering heeft de verdachte geen structurele problemen op praktisch en psychisch gebied die in verband kunnen worden gebracht met het tenlastegelegde. Hij is gemotiveerd om veranderingen in zijn leven aan te brengen en ontving reeds hulp van onder andere De Waag. Daarnaast heeft hij zelf bewindvoering opgestart. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag.

Mediation

Gebleken is dat de verdachte en [slachtoffer] bereid waren zich open te stellen voor bemiddeling. Zij hebben een mediation-traject doorlopen, waarin de verdachte zijn excuses heeft aangeboden aan het slachtoffer. In een gezamenlijk gesprek is ook de levensgeschiedenis van beiden besproken en zijn afspraken voor herstel gemaakt. Het slachtoffer heeft onder meer aangegeven door het gesprek een beter gevoel te hebben over alles en heeft de verdachte het beste met zijn leven gewenst. Ook voor de verdachte heeft het mediation-traject een bevredigende uitkomst gehad, zo begrijpt het hof uit de toelichting hierover ter zitting in hoger beroep.

Gelet op het bepaalde in artikel 51h, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt het hof rekening met de uitkomst van de geslaagde mediation.

Conclusie strafmaat

Gelet op de ernst van het feit, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 85 dagen - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf 150 uren een passende en geboden reactie vormen.

Het hof zal ter voorkoming van recidive en nu de verdachte baat heeft bij de begeleiding die hij reeds ontvangt van de reclassering en Coach Vooruit aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf bijzondere voorwaarden verbinden.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 23.400,83 (bestaande uit

€ 20.000,- immateriële schade en € 3.400,83 materiële schade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte deels betwist in die zin dat het hof in de kern is verzocht aansluiting te zoeken bij hetgeen de rechtbank heeft beslist voor wat betreft de toekenning van de vergoeding voor materiële en immateriële schade.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 3.400,83 materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over deze schade toewijzen met ingang van:

algehele voldoening. Vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij tevens immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 20.000, - te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeld-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 23.400,83 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 85 (vijfentachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht.

- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat begeleiden door Coach Vooruit of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die coach of zorgverlener aan te geven.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Vordering van [de benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 23.400,83 (drieëntwintigduizend vierhonderd euro en drieëntachtig cent) bestaande uit

€ 3.400,83 (drieduizend vierhonderd euro en drieëntachtig cent) materiële schade en

€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 23.400,83 (drieëntwintigduizend vierhonderd euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 3.400,83 (drieduizend vierhonderd euro en drieëntachtig cent) materiële schade en €20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 136 (honderdzesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 september 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. O.M. Harms, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. K. Versteeg
  • mr. O.M. Harms

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?