ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0002

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0002, Gerechtshof Leeuwarden, 11-10-2000, WAHV 00-00015

Instantie Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak 11-10-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer WAHV 00-00015
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004581 BWBR0005537

Samenvatting

-

Uitspraak

WAHV 00/00015

11 oktober 2000

CJIB 24554875

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Beetsterzwaag

van 28 januari 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 28 september 2000. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J.J. Beswerda.

3. Beoordeling

3.1 Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl. 180,-- opgelegd ter zake van "niet zoveel mogelijk rechts houden op een andere weg dan autoweg of autosnelweg", welke gedraging zou zijn verricht op 11 december 1998 op de "De Feart" in de gemeente Opsterland.

3.2 De betrokkene heeft erkend de gedraging te hebben verricht. De betrokkene stelt zich echter op het standpunt, dat de inleidende beschikking dient te worden vernietigd.

3.3 Daartoe heeft de betrokkene in de eerste plaats aangevoerd, dat de constaterend ambtenaar zich ondanks zijn verzoek ten onrechte niet heeft gelegitimeerd en dat er daardoor sprake is van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal.

3.4 Ingevolge art. 3, eerste lid, WAHV zijn met het toezicht op de naleving van de in art. 2, eerste lid, bedoelde voorschriften belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

3.5 In het geval van betrokkene is de gedraging geconstateerd door een brigadier van politie zijnde één van de bij genoemde algemene maatregel van bestuur genoemde ambtenaren.

3.6 Art. 5:11 Awb bepaalt voorts dat onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens wettelijk voorschrift.

3.7 Ingevolge art. 5:12, eerste lid, Awb, voor zover hier van belang, draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij zich. Het tweede lid bepaalt dat een toezichthouder desgevraagd aanstonds zijn legitimatiebewijs toont.

3.8 Uit het relaas van de verbalisant blijkt niet, dat de betrokkene hem heeft gevraagd zich te legitimeren. Wat daarvan ook zij, naar het oordeel van het hof vindt de stelling van de betrokkene dat het zich desgevraagd niet legitimeren door de verbalisant leidt tot onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal geen steun in het recht, nu art. 5:11 Awb noch enig ander wettelijk voorschrift daaraan de consequentie verbindt dat de waarnemingen van een bevoegd ambtenaar niet mogen worden gebezigd ter vaststelling van een door betrokkene verrichte gedraging.

3.9 De betrokkene heeft voorts aangevoerd, dat de verbalisant hem bij het staandehouden andere gedragingen heeft verweten dan de gedragingen waarvoor bij de drie inleidende beschikkingen een sanctie is opgelegd, dat hij de beschikkingen ongeveer twee maanden na de dag waarop de gedragingen zijn verricht heeft ontvangen, dat hij zich een en ander na deze periode niet meer kan herinneren, zodat hij zich tegen de inleidende beschikkingen niet goed kan verweren.

3.10 Blijkens de inleidende beschikking, welke tot de gedingstukken behoort, is de gedraging verricht op 11 december 1998 en is deze op 12 januari 1999 aan de betrokkene toegezonden.

3.11 Ingevolge art. 4, tweede lid, WAHV dient de bekendmaking van de beschikking te geschieden binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden door toezending van die beschikking aan de betrokkene.

3.12 Nu de bekendmaking van de inleidende beschikking in casu binnen de termijn van art. 4, tweede lid, WAHV is geschied, kan het tijdsverloop tussen de gedraging en de bekendmaking op zichzelf geen grond opleveren voor vernietiging van de inleidende beschikking (HR 6 april 1999, nr 622-98-V).

3.13 De beslissing van de kantonrechter dient, gelet op het voorgaande, te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr Kalsbeek, raadsheer, in tegenwoordigheid van

mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 oktober 2000.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?