WAHV 00/00444
13 september 2001
CJIB 30601563
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Rotterdam
van 27 oktober 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De inhoud van het tussenarrest van dit hof van 26 april 2001 wordt hier overgenomen.
2. Het verdere procesverloop
De zaak is verder behandeld ter zitting van 14 juni 2001. De betrokkene is aldaar niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is aldaar verschenen mr N.D.P. van der Hoek. De opgeroepen getuige [getuige] is aldaar niet verschenen. De voorzitter heeft de verdere behandeling van de zaak aangehouden tot 30 augustus 2001 op een nader te bepalen tijdstip, tegen welke datum en welk tijdstip partijen en de getuige opnieuw worden opgeroepen.
De zaak is verder behandeld ter zitting van 30 augustus 2001. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mw mr T.H. Pitstra. Als getuige is verschenen [getuige].
3. De verdere beoordeling
3.1. De betrokkene heeft ter zitting van 30 augustus 2001 aangevoerd dat hij kort na de vermeende overtreding(en) gedurende ongeveer één minuut heeft stilgestaan in zijn auto in een zijstraat van de Horváthweg te Rotterdam en dat de verbalisant gedurende dezelfde tijd in de onmiddellijke nabijheid met het door hem bestuurde voertuig heeft stilgestaan. De betrokkene is van mening dat de verbalisant, indien hij geconstateerd had dat de betrokkene een of meer gedragingen had verricht, hem had kunnen aanspreken. Het hof begrijpt de betrokkene aldus, dat hij van mening is dat zich een reële mogelijkheid voordeed tot staandehouding, zoals bedoeld in art. 5 WAHV.
3.2. Het hof overweegt met betrekking tot het hiervoor onder 3.1. door de betrokkene aangevoerde het volgende. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, 1055-98-V).
3.3. De ter zitting als getuige gehoorde verbalisant heeft verklaard, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat hij het voertuig van de betrokkene enige tijd heeft achtervolgd, dat hij daarbij gedurende korte tijd met het door hem gebruikte voertuig heeft stilgestaan in de nabijheid van het eveneens stilstaande voertuig van de betrokkene, doch dat hij gelet op de volgende omstandigheden het niet verantwoord achtte de bestuurder staande te houden:
- het door de verbalisant gebruikte voertuig was niet voorzien van een stopbord;
- uit een telefoongesprek met de meldkamer was verbalisant gebleken dat de eigenaar van het achtervolgde voertuig vuurwapengevaarlijk was;
- de verbalisant was alleen en niet voorzien van een kogelvrij vest, terwijl op korte termijn geen politie-assistentie ter plaatse kon zijn.
3.4. Uit de hiervoor gebezigde verklaring van de verbalisant blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam, dat zich geen reële mogelijkheid voordeed tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, zodat art. 5 WAHV terecht is toegepast.
3.5. De verbalisant heeft als getuige ter zitting voorts verklaard, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat hij op 5 december 1999 met het door hem bestuurde voertuig stilstond voor het rode verkeerslicht op de Matlingeweg te Rotterdam, teneinde zijn weg te vervolgen over het Kleinpolderplein, dat hij zag dat het voertuig van de betrokkene met hoge snelheid voor hem langs over het Kleinpolderplein reed en vervolgens - op een afstand van 30 tot 35 meter, gerekend vanaf de plaats waar de verbalisant zich bevond - niet stopte voor het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarna het zijn weg vervolgde over de Tjalklaan.
3.6. De betrokkene heeft bevestigd, dat hij ten tijde en ter plaatse hier van belang én rijdend in het motorvoertuig, dat in de inleidende beschikking is aangegeven, de rijrichting heeft gevolgd als door de getuige is weergegeven. De betrokkene betwist, dat hij niet is gestopt voor een verkeerslicht, dat rood licht uitstraalde.
3.7. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de getuige. Naar de overtuiging van het hof is de gedraging dan ook komen vast te staan.
3.8. De beslissing waarvan beroep zal worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr Huisman, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra als griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting.