WAHV 00/00445
13 september 2001
CJIB 30601559
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Rotterdam
van 27 oktober 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De inhoud van het tussenarrest van dit hof van 26 april 2001 wordt hier overgenomen.
2. Het verdere procesverloop
De zaak is verder behandeld ter zitting van 14 juni 2001. De betrokkene is aldaar niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is aldaar verschenen mr N.D.P. van der Hoek. De opgeroepen getuige [getuige] is aldaar niet verschenen. De voorzitter heeft de verdere behandeling van de zaak aangehouden tot 30 augustus 2001 op een nader te bepalen tijdstip, tegen welke datum en welk tijdstip partijen en de getuige opnieuw worden opgeroepen.
De zaak is verder behandeld ter zitting van 30 augustus 2001. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mw mr T.H. Pitstra. Als getuige is verschenen [getuige].
3. De verdere beoordeling
3.1. De betrokkene heeft ter zitting van 30 augustus 2001 aangevoerd dat hij kort na de vermeende overtreding(en) gedurende ongeveer één minuut heeft stilgestaan in zijn auto in een zijstraat van de Horváthweg te Rotterdam en dat de verbalisant gedurende dezelfde tijd in de onmiddellijke nabijheid met het door hem bestuurde voertuig heeft stilgestaan. De betrokkene is van mening dat de verbalisant, indien hij geconstateerd had dat de betrokkene een of meer gedragingen had verricht, hem had kunnen aanspreken. Het hof begrijpt de betrokkene aldus, dat hij van mening is dat zich een reële mogelijkheid voordeed tot staandehouding, zoals bedoeld in art. 5 WAHV.
3.2. Het hof overweegt met betrekking tot het hiervoor onder 3.1. door de betrokkene aangevoerde het volgende. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, 1055-98-V).
3.3. De ter zitting als getuige gehoorde verbalisant heeft verklaard, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat hij het voertuig van de betrokkene enige tijd heeft achtervolgd, dat hij daarbij gedurende korte tijd met het door hem gebruikte voertuig heeft stilgestaan in de nabijheid van het eveneens stilstaande voertuig van de betrokkene, doch dat hij gelet op de volgende omstandigheden het niet verantwoord achtte de bestuurder staande te houden:
- het door de verbalisant gebruikte voertuig was niet voorzien van een stopbord;
- uit een telefoongesprek met de meldkamer was verbalisant gebleken dat de eigenaar van het achtervolgde voertuig vuurwapengevaarlijk was;
- de verbalisant was alleen en niet voorzien van een kogelvrij vest, terwijl op korte termijn geen politie-assistentie ter plaatse kon zijn.
3.4. Uit de hiervoor gebezigde verklaring van de verbalisant blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam, dat zich geen reële mogelijkheid voordeed tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, zodat art. 5 WAHV terecht is toegepast.
3.5. De betreffende gedraging is een overtreding van het voorschrift van art. 62 in verbinding met art. 68, eerste lid onder c, RVV 1990. Art. 68, eerste lid, RVV 1990 luidt:
"1. Bij driekleurig verkeerslicht betekent:
"a. groen licht:doorgaan;
"b. geel licht: stop; voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
"c. rood licht: stop.
3.6. De verbalisant heeft als getuige ter zitting voorts verklaard, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat de gedraging betrekking heeft op het volgende: de verbalisant zag op 5 december 1999 om 20.21 uur dat het voertuig van de betrokkene met hoge snelheid reed over de Tjalklaan te Rotterdam, dat deze de kruising Tjalklaan-Spaanseweg, waarop het verkeer door middel van driekleurige verkeerslichten geregeld wordt, naderde, dat het voertuig op de linkerstrook voor rechtdoorgaand verkeer reed terwijl het daarvoor bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde, dat het voertuig op het laatste moment over een doorgetrokken streep -en niet over een stopstreep- naar links afsloeg, richting Spaanseweg, terwijl het voor rechtdoorgaand verkeer bestemde verkeerslicht nog steeds rood licht uitstraalde, waarna het voertuig zijn weg vervolgde over de Spaanseweg. Naar de mening van de verbalisant is aldus de gedraging "niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht", te weten het rode verkeerslicht bestemd voor rechtdoorgaand verkeer, verricht.
3.7. De betrokkene verklaart op voornoemd tijdstip vorenbedoeld voertuig bestuurd te hebben, doch hij ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, linksaf de Spaanseweg te zijn opgereden, terwijl het verkeerslicht, bestemd voor dat verkeer, groen licht uitstraalde.
3.8. Naar het oordeel van het hof is op grond van de hiervoor onder 3.6. aangehaalde waarneming van de verbalisant niet komen vast te staan dat de betrokkene ten tijde en ter plaatse als voornoemd de gedraging heeft verricht. Niet kan worden gezegd, dat de betrokkene niet tijdig is gestopt voor een rood licht uitstralend verkeerslicht, dat voor zijn rijrichting bestemd was.
3.9. De beslissing van de kantonrechter, alsmede de beslissing van de officier van justitie d.d. 23 mei 2000 en de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 30601559 de administratieve sanctie is opgelegd zullen worden vernietigd. Tevens zal het hof bepalen dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van f. 180,--, door de griffier van het kantongerecht aan hem wordt gerestitueerd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 23 mei 2000, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 30601559 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van fl 180,--, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr Huisman, in tegenwoordigheid van mr Hiemstra als griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting.