[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1938, wonende te [adres 1] ,
thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geerhorst" te Sittard.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de
procureur-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust - met inbegrip van de nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde - behalve voor wat betreft:
- de bewijsvoering,
- de opgelegde straf en de strafmotivering,
- de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de gronden daarvoor.
De tenlastelegging
Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.
'
parketnummer 20.000020.98
datum uitspraak: 18 november 1998
- 2 -
De bewijsvoering
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, zoals deze staat vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht.
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het sub 2 tenlastegelegde als verweer aangevoerd dat er geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg.
Het hof overweegt dienaangaande dat de verklaring van [slachtoffer 1] , zoals neergelegd in het proces-verbaal van de politie Midden en West Brabant d.d. 21 juni 1997, mutatienummer
PL2000/97-102029, onder meer inhoudt: "Ik hoorde voetstappen op de oprit. Ik keek door het raam en ik zag dat er een man voorbij kwam lopen. In een flits bedacht ik me: "Dat is [verdachte] ". Ik hoorde de bel gaan en ik zag dat [slachtoffer 2] naar de voordeur liep. Ik hoorde dat ze de voordeur open deed en dat ze de deur weer hard dichtgooide. Ik zag dit ook via de spiegel. Vervolgens hoorde ik glasgerinkel en ik dacht twee schoten. Vervolgens hoorde ik nog een schot in de kapsalon. Ik ben naar de keuken gelopen en ik ben daar achter een rieten stoel gekropen ter bescherming. Gelijk achter mij kwam [slachtoffer 2] en zij kroop tussen mij en het hoekje van het keukenblok. Op dat moment was het stil. Ik zag onder de stoel twee schoenen van [verdachte] . Tussen de voeten in zag ik de loop van een geweer. Ik zag vervolgens dat de loop van het geweer van de grond was en ik zag dat de voeten van [verdachte] naar links liepen in de richting van het keukenblok. Op een gegeven moment stond hij links van mij stil, op nog geen halve meter afstand. Ik weet niet hoe [slachtoffer 2] achter mij zat, wel zat ze helemaal tegen mij aan. Toen hoorde ik twee ontzettend harde knallen kort achter elkaar en toen was het helemaal stil. Ik hoorde en zag dat [verdachte] wegrende".
Uit het vorenstaande blijkt dat de daad niet het gevolg kan zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging maar dat verdachte in ieder geval in de tijdsspanne tussen het/de eerste schot/schoten en het/de enige tijd daarna in een andere ruimte afgevuurde dodelijke schot/schoten zich heeft kunnen beraden en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad.
Het verweer dat verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld wordt mitsdien verworpen.
parketnummer 20.000020.98
datum uitspraak: 18 november 1998
- 3 -
De redengeving van de op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte in het bijzonder rekening gehouden met:
- de uitzonderlijke ernst, met name van het sub 2 bewezen verklaarde, in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- het gewelddadig karakter van het sub 2 en sub 3 bewezen verklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;
- de omstandigheid dat door de bewezenverklaarde moord onherstelbaar leed is toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer;
- het feit dat het slachtoffer [slachtoffer 1] een zeer traumatische ervaring heeft ondergaan en dat haar door de sub 3 bewezen verklaarde poging tot doodslag ernstig letsel is toegebracht;
- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake doodslag - en wel op zijn broer - is veroordeeld en slechts enkele maanden na het ondergaan van de daarvoor opgelegde vrijheidsstraf de sub 2 en
3 bewezen verklaarde misdrijven heeft begaan;
- de omstandigheid dat de rechtsorde door het bewezen verklaarde ernstig is geschokt en mede op die grond een duidelijke strafrechtelijke reactie van de zijde van justitie ter handhaving van de rechtsorde wordt vereist.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het op 25 september 1998 door [arts] , zenuwarts, en mevrouw [psycholoog] , psychologe bij het [GGZ] , Psychiatrische Observatiekliniek van het Gevangeniswezen te Utrecht, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team omtrent de persoon van verdachte uitgebrachte rapport. Dat rapport behelst als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Rapporteurs achten de kans op herhaling van een delict als tenlastegelegd aanzienlijk en menen daarom te moeten adviseren tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling van de regering met een bevel tot verpleging.
Het hof deelt de mening van rapporteurs dat verdachte, gezien het ernstige recidivegevaar, in beginsel voor terbeschikkingstelling in aanmerking zou komen, maar zal toch het advies niet volgen omdat het hof zowel op grond van het rapport als op grond van verdachtes houding ter terechtzitting tot het oordeel is gekomen dat een reële behandelmogelijkheid niet te verwachten valt.
1
t • '
parketnummer 20.000020.98
datum uitspraak: 18 november 1998
- 4 -
Gelet op de aard van de reeds begane misdrijven tegen het leven, op de grote kans op herhaling en op het feit dat verdachte op geen enkele wijze heeft laten blijken enige gevoelens van spijt te hebben van hetgeen hij de slachtoffers en de nabestaanden heeft aangedaan doch integendeel zich zelve beschouwt als degene, die onrecht is aangedaan, moet ter wille van een zo lang mogelijk durende beveiliging van de maatschappij worden gekozen voor een sanctie die niet anders kan zijn dan een vrijheidsbenemende straf die een definitieve verwijdering van de verdachte uit de maatschappij betekent.
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3] , wonende te [adres 2] , heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.
De benadeelde partij heeft gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.
Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Voor wat betreft het meer of anders gevorderde, waaronder de kosten van naamsverandering, zal het hof, hoezeer begrijpelijk het de vordering in zoverre ook acht, die toch afwijzen, omdat de gemaakte kosten niet als rechtstreekse schade tengevolge van verdachtes handelen kunnen worden aangemerkt.
De proceskosten van de benadeelde partij worden tot na te melden bedrag ten laste van de verdachte gebracht.
Omdat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof tot meerdere zekerheid van bovenbedoelde vergoeding van schade aan de verdachte ter verplichting opleggen aan de Staat na te melden bedrag te betalen ten behoeve van het slachtoffer.
Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmede de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij te betalen in zoverre komt te vervallen).
Van hetgeen in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.
' ,
parketnummer 20.000020.98
datum uitspraak: 18 november 1998
- 5 -
De toegepaste wettelijke voorschriften
De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 45, 57, 63, 285,
287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het beroepen vonnis, doch alleen voor zover dit betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot levenslange gevangenisstraf.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan: [slachtoffer 3], wonende te [adres 2] , een bedrag van ƒ 5.367,32 (zegge: vijfduizenddriehonderdzevenenzestig gulden en tweeëndertig cent).
Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], wonende te [adres 2] , te betalen een bedrag van ƒ 5.367,32 (zegge: vijfduizenddriehonderdzevenenzestig gulden en tweeëndertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijftig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.
Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.
Gelast de teruggave van de navolgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een witte plastic tas en een beige paraplu, aan de verdachte.
Bevestigt het beroepen vonnis voor al het overige.
1
parketnummer 20.000020.98
datum uitspraak: 18 november 1998
- 6 -
Aldus gewezen door
Mr. Hendriks, voorzitter,
Mr. Lo-Sin-Sjoe en Mr. Bergkotte, raden,
in tegenwoordigheid van Mr. Jonker-Van Bochove, als griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 november 1998.