Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het beslissing van de rechtbank Maastricht van 1 mei 2012 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-703489-11 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1980],
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
volgens opgave van de veroordeelde ter terechtzitting thans verblijvende te
[verblijfplaats].
Hoger beroep
Bij beslissing waarvan beroep heeft de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 22.232,52. De rechtbank heeft de veroordeelde een betalingsverplichting opgelegd tot een bedrag van € 19.775,27.
De veroordeelde heeft tegen voormelde beslissing hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een bedrag van € 22.232,52 en dat het hof aan de veroordeelde een betalingsverplichting zal opleggen tot datzelfde bedrag. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk voordeel dient te worden geschat op voormeld bedrag verminderd met het bedrag dat aan vorderingen van de benadeelde partijen in de hoofzaak is toegewezen.
De verdediging heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat het hof het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een bedrag van
€ 2.892,00. De in rechte toegewezen vorderingen van benadeelde partijen moeten op de betalingsverplichting in mindering worden gebracht, aldus de verdediging.
Beslissing waarvan beroep
De beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van 23 januari 2014, parketnummer 20-001818-12, ter zake van 27 oplichtingen via marktplaats.nl en gewoontewitwassen veroordeeld tot straf.
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde 27 oplichtingen en van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, namelijk vergelijkbare oplichtingen, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Uit de 27 oplichtingen die het hof bewezen heeft verklaard, heeft de veroordeelde als voordeel verkregen:
KoperBedrag
Totaal € 3.117,25
Het bedrag dat de veroordeelde heeft terugbetaald aan koper [slachtoffer 20] is niet meegerekend.
Met betrekking tot de soortgelijke feiten die het hof in de berekening van het wederrechtelijk voordeel betrekt, overweegt het hof het volgende.
Uit bankafschriften van rekeningen van de veroordeelde is gebleken dat in de periode van
1 januari 2010 tot en met 18 oktober 2011 op die rekeningen in totaal € 22.232,52 aan geldstortingen is binnengekomen, die in relatie staan tot Marktplaats, concertkaarten, onderdelen voor fietsen en hartslagmeters. Een deel van de stortingen is gedaan door de gedupeerden van de 27 oplichtingen waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en die hiervoor zijn genoemd (voor zover de gedupeerden overboekingen hebben gedaan na 18 oktober 2011, zijn die niet verwerkt in het rekeningoverzicht). Het hof acht voldoende aanwijzingen aanwezig dat de overige gestorte bedragen, minus de door de veroordeelde gestorte verificatiebedragen, eveneens uit oplichtingen verkregen zijn. Het hof baseert dit op:
Van het bedrag ad € 22.232,52 moeten worden afgetrokken:
Uit soortgelijke delicten heeft de veroordeelde derhalve een voordeel verkregen van
€ 22.232,52 minus € 2.712,25 minus € 207,00 = € 19.313,27.
Kosten die in directe relatie staan met de delicten en als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien, dienen ten behoeve van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht op criminele inkomsten. Dergelijke kosten zijn in de onderhavige zaak niet gesteld of gebleken.
Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen
- voor zover deze in rechtstreeks verband staan met de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld - in mindering gebracht. De veroordeelde is bij arrest van 23 januari 2014, parketnummer 20-001818-12, veroordeeld tot het betalen van schadevergoedingen aan de volgende benadeelde partijen:
KoperBedrag
Totaal € 2.288,75
Het hof zal deze aan de benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, op het geschatte voordeel in mindering brengen en schat het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve op € 3.117,25 + € 19.313,27 - € 2.288,75 = € 20.141,77
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof legt aan de veroordeelde de betalingsverplichting op tot dezelfde hoogte als het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.141,77 twintigduizend honderdeenenveertig euro en zevenenzeventig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 20.141,77 twintigduizend honderdeenenveertig euro en zevenenzeventig cent).
Aldus gewezen door
mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,
en op 23 januari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.